Over mij

Toen ik begon met mijn blog, had ik twee opties: schrijven onder mijn eigen naam, inclusief academische titel, of een schuilnaam gebruiken. De eerste optie was het makkelijkst, voor mijzelf en voor de lezer. Maar een pseudoniem vond ik beter, om de kans te vergroten dat mijn schrijfsels op waarde worden geschat. Zie het als aanklacht tegen de sociaal-wetenschappelijke variant van de huidige celebrity-cultuur, waarin de overgrote meerderheid van de economen en andere sociale wetenschappers nog uitsluitend artikelen en columns lezen van bekende collega’s, zodat ze hun oordeel – positief of negatief – al klaar hebben.

Een van de dreigende gevaren van internet is dat eerder naar de boodschapper wordt gekeken dan naar de boodschap. Dat is natuurlijk niets nieuws, maar sinds de komst van internet is het nog gemakkelijker geworden om de boodschapper te identificeren, en vervolgens al een oordeel klaar te hebben. Misschien levert googlen weinig op over de auteur – die vast wel bekend zou zijn geweest als hij/zij echt iets te vertellen zou hebben (op zijn Amerikaans: “If you are so smart, why aren’t you famous?”). Of het gaat wél om een vooraanstaande auteur, maar dan wordt, bewust of onbewust, al gauw partij gekozen: vóór of tegen, sympathiek of onsympathiek, duim omhoog of duim omlaag. Wie is dan nog in staat om een objectief en onafhankelijk oordeel te vellen over het geschrevene of ten gehore gebrachte?

Anonieme kwaliteit

J.K. Rowling, de schrijfster van de Harry Potter-boeken, heeft enkele jaren geleden een detective geschreven onder het pseudoniem Robert Galbraith. Het boek werd door verschillende uitgevers geweigerd, en toen het eenmaal gepubliceerd schoten de verkoopcijfers pas omhoog zodra bekend werd dat J.K.Rowling en Robert Galbraith een en dezelfde persoon waren.

Joshua Bell, een van de beste en beroemdste violisten, deed in 2007 mee aan een experiment. Vermomd als straatmuzikant speelde hij in een metrostation in Washington D.C. Het resultaat was veelbetekenend: slechts 27 van meer dan 1000 voorbijgangers bleven staan om te luisteren. Van degenen die doorliepen zullen velen ongetwijfeld zelf het idee hebben, dat zij heel goed het verschil kunnen horen tussen excellente en minder goede musici.

Dorpsstraat Ons Dorp

Nederlandse economen vormen een soort dorpsgemeenschap, waar je al gauw in een hokje wordt gestopt. Doorslaggevend is niet wat iemand zegt, maar vooral diens rang in de academische pikorde. En niet-economen hoef je als econoom al helemaal niet serieus te nemen. Zoals Dani Rodrik in zijn recente boek Economics Rules (2015; 172-173) ironisch stelt: “…the guild mentality renders the profession insular and immune to outside criticism. The models may have problems, but only card-carrying members of the profession are allowed to say so”. Vrij vertaald: kritiek uiten op economische modellen mag alleen als u lid bent van het Enige Echte Economen-Gilde. En dat laatste is natuurlijk moeilijk te controleren als je niet onder eigen naam publiceert. Vandaar dat schuilnamen consequent geweigerd worden door de redactie van economische tijdschriften, en dat sommige collega’s geirriteerd op mijn blog http://eco-simpel.nl/ reageren

Eigenlijk is dat vreemd – of in ieder geval inconsequent – want aan de andere kant geldt nu juist bij de betere wetenschappelijke tijdschriften dat de ingestuurde artikelen – terecht –- door anonieme reviewers worden beoordeeld. Zo bezien, zou niet iedere wetenschapper onder een pseudoniem moeten publiceren? Zie ook hier.

Schuilcollega’s

In de literaire wereld is het schrijven onder een nom de plume wél geaccepteerd. Denkt u maar aan Nescio, Willem Elsschot, Marek van der Jagt, Anna Enquist en Multatuli – als we ons beperken tot vijf grote schrijvers in de Nederlandse taal. Of aan vrouwelijke auteurs, die in vroeger tijden alleen konden doorbreken door een mannennaam te hanteren. Ook in de journalistiek opereerden columnisten zeker vroeger geregeld onder een schuilnaam: Tamar, Kronkel, Piet Grijs, Battus enzovoorts. In economenland volg ik het voorbeeld van The Economist, waar columnisten ook een pseudoniem gebruiken (‘Bagehot’, ‘Lexington’, ‘Schumpeter’).

In de literaire en journalistieke wereld werd en wordt het pseudoniem vaak gekozen om meer vrijheid te hebben bij het opschrijven van polemische of in elk geval onorthodoxe standpunten. Ook bij de economische en sociale wetenschappen hebben we, zeker vandaag de dag, dit soort standpunten hard nodig om de zelfgenoegzaamheid en navelstaarderij te doorbreken die helaas bij teveel academici domineren.

Beter goed gejat dan slecht bedacht

De laatste reden heeft te maken met mijn opvattingen over auteursrechten en plagiaat. Als docent ben ik er natuurlijk fel op tegen dat studenten iets van een ander overnemen zonder bronvermelding. Het onderscheid tussen mijn en dijn is ook in de wetenschap belangrijk. Aan de andere kant: de betere kunstenaars maken creatief gebruik van het werk van hun voorgangers en geven er hun eigen draai aan, en dat alles zonder bronvermelding. In de popmuziek is Bob Dylan een bekend voorbeeld.

Ook in het publieke debat en in de sociale wetenschappen – die vooral de taak hebben om het publieke debat te voeden, ook aan de keukentafel – is het helemaal niet verkeerd om vrijelijk om te gaan met de vruchten van andere creatieve geesten. Beter creatief gejat dan een uitgebreid overzicht van literatuurreferenties, die soms vooral bedoeld zijn om de lezer te imponeren. Het belangrijkste is om de lezer of de toehoorder te overtuigen met harde feiten (hiervan wèl de bron vermelden) en stevige argumenten. Tenslotte is niemand ‘eigenaar’ van een bepaalde theorie of redenering.

Dit impliceert natuurlijk ook dat u geheel vrij bent om mijn argumenten te benutten in uw eigen betoog, zonder bronvermelding of woord van dank.

 

Share