Eén achteruit, twee vooruit

De coronacrisis doet de economie geweld aan, maar biedt ook kansen om haar blijvend te verbeteren. Want het moet vaak eerst slechter worden voordat het beter gaat.

Dirk Bezemer

De verkopen van de Duitse auto-industrie in de eerste vijf maanden van het jaar zijn sinds 1975 niet zo laag geweest. De overheid schoot op 3 juni te hulp met een steunpakket voor de Duitse economie ter waarde van 130 miljard euro. Ze verlaagde de btw tijdelijk met drie procent en betaalde zesduizend euro subsidie per elektrische auto. Benzine- en dieselauto’s, nog steeds negentig procent van de verkochte auto’s, werden uitgesloten van de steun. Dat was pijnlijk: er stond nog ter waarde van vijftien miljard euro te wachten op kopers. De sector werd zo, ondanks de enorme kosten, sterk aangezet tot meer investeringen in productie van elektrische voertuigen.

De marktveranderingen (vooral inkrimping) door de coronamaatregelen zijn zeer kostbaar, maar bieden ook grote kansen. Als steun voor de economie gecombineerd wordt met prikkels tot verandering, kunnen die kansen werkelijkheid worden. In de coronacrisis gebruikten we minder auto’s, olie en luchtvaart. Er kwam meer toepassing van kunstmatige intelligentie en IT, meer duurzame stedelijke mobiliteit, maar ook meer schuld. Niemand was deze verandering van plan – het was de reactie op de contactbeperkingen van vele individuele bedrijven, huishoudens en lokale, regionale en nationale overheden. Op die verandering kan aangehaakt worden, zoals de Duitse overheid deed.

De tastbare structurele verandering is één reden dat er kansen ontstaan die er eerder niet waren. Een tweede reden is de plots toegenomen bewustwording van de problemen van wat ik het ‘kleine-bufferkapitalisme’ noem.


Nederland heeft hoge private schulden, de gemiddelde besteedbare inkomens staan al twee decennia lang stil, de reële uurlonen dalen al tien jaar en toegang tot uitkeringen en toeslagen wordt steeds moeilijker. Te veel Nederlandse huishoudens komen daardoor moeilijk rond of hebben te kleine financiële buffers. De begrotingstekorten – en dus de netto-overheidsuitgaven en -investeringen – dalen al tien jaar, waardoor te weinig geïnvesteerd is in natuur, zorg, welzijn, onderwijs, kunst, rechtspraak, politie en gemeenten. We hebben daardoor een sterk bedreigde natuurlijke omgeving en een financieel versleten publieke sector, met schreeuwende tekorten aan mensen en middelen. In het bedrijfsleven zijn de winsten wel hoog geweest maar de investeringen laag, omdat veel winst doorgegeven werd aan aandeelhouders, of anderszins onttrokken werd aan het bedrijf. Intussen vertoonden vastgoed-, aandelen- en andere vermogensmarkten hypergroei, want de structuur van het kleine-bufferkapitalisme zorgt er al drie decennia voor dat ons geld erheen geleid wordt. Deze overmatige groei van de financiële sector en vermogensmarkten leidt, zo blijkt uit onderzoek, tot grotere ongelijkheid, meer instabiliteit en lagere economische groei. Ze staat in schril contrast met de financiële situatie van veel huishoudens en de publieke sector.

Dit gebruik van onze financiële middelen is precies het omgekeerde van waar we nu, met de coronarecessie in aantocht, dringend behoefte aan hebben. De komende jaren zullen we een krachtige publieke sector, veel investeringen en voldoende politiek draagvlak – en dus breed gespreide inkomensgroei – hard nodig hebben voor twee grote uitdagingen die veel burgers gaan vragen: de coronarecessie te boven komen en de transitie naar duurzaamheid serieus inzetten. Dat gaat niet lukken met een uitgemergelde publieke sector terwijl een groot deel van de Nederlandse huishoudens financieel klem zit. Gelukkig creëerde de coronacrisis publieke bewustwording van deze en andere problemen.

De verwevenheid van mens en natuur en de uitputting van buffers in het gezondheidssysteem werden tijdens de pandemie nog duidelijker. Het belang van lonen stond plotseling in de schijnwerpers, toen alles op alles werd gezet om die door te betalen. Kleine financiële buffers bij huishoudens en het grote aantal zzp’ers bleken snel tot problemen te kunnen leiden, en dan veel overheidsgeld te kosten. De steunaanvragen van grote bedrijven vestigden de aandacht op hun belastingontwijking en het doorsluizen van buffers naar aandeelhouders. Het schrijnende contrast met de onderbetaling van mensen in essentiële beroepen werd wel heel duidelijk. De kwetsbaarheid van bedrijven door hoge schulden, die er toch al langer was, werd eveneens heel duidelijk. De onderlinge afhankelijkheid van Europese economieën ook.

In maart en april beheerste deze nieuwe bewustwording het publieke debat. Ik las op 3 april 2020 in de Financial Times – toch geen radicaal of revolutionair blad – een editorial waarin de FT-redacteuren schreven: ‘Er moet een radicale hervorming komen van het beleid dat de afgelopen vier decennia gevoerd is. Overheden zullen een actievere rol moeten gaan spelen in de economie. Overheidsdiensten moeten weer als investeringen gezien worden, niet als lasten. Arbeidsmarkten moeten minder onveilig worden. Herverdeling moet weer op de agenda, en de privileges van de oudere generatie en van de rijken zijn niet meer vanzelfsprekend. Beleid dat tot voor kort als buitenissig gezien werd, zoals basisinkomen en kapitaalbelasting, zullen deel uit moeten gaan maken van een nieuw pakket maatregelen.’

Kortom: we moeten weg uit het kleine-bufferkapitalisme. Maar dit gevoel in de maatschappij lijkt verdwenen. Radicale verandering door het virus en de lockdown: het is zó maart 2020 om daarin te geloven. Alles lijkt erop gericht zo snel mogelijk terug te gaan naar de wereld voor corona. Maar daarmee zouden we een enorme kans op verbetering van ons economisch en maatschappelijk bestel laten liggen. Want de problemen zijn niet verdwenen, en het idee dat we nú unieke kansen hebben om verandering in gang te zetten is niet achterhaald. De tastbare economische omwentelingen door de coronamaatregelen, en de recessie die in aantocht is, creëren unieke kansen om de problemen van het kleine-bufferkapitalisme aan te pakken.

In mei 2020 schreef de Europese Commissie in haar lenterapport over de verwachte stijging in staatsschulden, nu de overheid zoveel van de lonen en andere kosten in de private sector had overgenomen. De staatsschuld van Italië ging naar verwachting stijgen van 135 procent van het bbp in maart 2020 naar 153 procent in 2021, in Spanje van 96 naar 114 procent en in Frankrijk van 98 naar 112 procent. Ook de private schulden stegen snel. In Nederland hadden bedrijven tussen half maart en half juni 15,2 miljard euro van banken geleend, tweeënhalf keer zoveel als de normale kwartaalgroei van bedrijfsschuld. Daarmee komen de schulden voor verschillende grote Europese economieën op een niveau dat de private markten misschien alleen tegen hoge kosten willen financieren. En dat is nog maar het begin. De schuldgroei vanwege de contactbeperkingen gaat gevolgd worden door verdere schuldgroei – privaat én publiek – vanwege een ‘normale’ recessie, door faillissementen en werkloosheid. Landen en bedrijven komen daarmee in een gevarenzone: voor velen zijn schulden per direct niet meer houdbaar. Er doemen dus hoge kosten door hoge schulden op – maar ook grote kansen om eindelijk iets aan het schuldprobleem te doen.

Want onhoudbare groei van schulden was er al langer; corona heeft het verhevigd. De oplossing die al jaren bepleit wordt, is nu plotseling bespreekbaar: de herstructurering van schulden, of zelfs schuldkwijtschelding. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaf in april 2020 giften aan 25 landen om hun schuldenlasten te kunnen blijven dragen. Frankrijk en Duitsland stelden voor om Europese landen direct met vijfhonderd miljard aan giften bij te staan, iets wat door de ‘zuinige vier’, Nederland, Oostenrijk, Denemarken en Zweden, eerst afgewezen en toen afgezwakt werd.

Willem Buiter, voormalig hoofdeconoom van de Amerikaanse zakenbank Citi, stelt dat zelfs het oorspronkelijke Frans-Duitse plan te klein van omvang is. De schuldgroei bij bedrijven en bij overheden die bedrijven proberen te redden is te groot. Het is een trend die Italië als eerste uit de eurozone kan duwen – en wie weet wat er dan verder gaat gebeuren. Een gecoördineerde schuldreductie voor overheden én bedrijven gekoppeld aan investeringen is de enige uitweg. De omstandigheden zijn er nu goed voor, want vanwege de schuldopkoopprogramma’s van de ECB eindigen veel van de private én publieke schulden toch al bij de centrale bank. Met veel schulden in één hand wordt kwijtschelding operationeel vrij eenvoudig, hoewel politiek nog ingewikkeld. Het is eerder gedaan, bijvoorbeeld de Brady bonds’-schuldreductie die het IMF en de Wereldbank in de jaren tachtig en negentig coördineerden.

Lukt het, dan kan daarna de financiering van bedrijven op andere leest geschoeid worden, waardoor schulden niet opnieuw zo snel gaan groeien. Ook daarvoor liggen concrete voorstellen klaar. De Amsterdamse hoogleraar Arnoud Boot en collega’s ontwikkelden een voorstel waarin bedrijven ondersteund worden in de vorm van een deelneming met claim op toekomstige winst (equity), in plaats van met meer schuld.

Wat al decennia op sluipende wijze de kringloop van onze economie ondermijnt, is nu een acute noodsituatie geworden, waardoor ook echte oplossingen in zicht komen. Als de dynamiek op vermogensmarkten, die de schuldgroei ook in goede tijden opdrijft, wordt doorbroken, is de Europese economie klaar voor een financiële reset. Dat gaat ruimte geven om tot nu toe ongekende initiatieven in tal van sectoren juist dat duwtje te geven waardoor veranderingen permanent kunnen worden. ‘Corona’ kan een katalysator worden – nog steeds.

—————

Milaan heeft direct in maart 2020 de helft van de wegen in het centrum voor fietsers gereserveerd en voert een publiekscampagne om burgers in het zadel te krijgen. Het wordt de enige manier om de stad weer op gang te krijgen en toch de afstand tot elkaar te bewaren die het coronavirus vraagt. In het openbaar vervoer past nog maar een fractie van de reizigers die in 2019 vervoerd werden. Als de rest in de auto stapt, is de stad direct verstopt. Ook in Parijs en Brussel werden in het voorjaar van 2020 om het hardst fietspaden ingetekend. Burgemeester Anne Hidalgo van Parijs wil dat zestigduizend van de 83.500 straatparkeerplaatsen voor auto’s verdwijnen. De stad moet fietsvriendelijk worden en noodzakelijke voorzieningen moeten op maximaal vijftien fietsminuten afstand te vinden zijn. Hidalgo’s plan, dat internationaal aandacht trok onder de titel City of 15 minutes, stamt uit januari 2020. Nu corona per direct zorgde voor de verduurzaming van stedelijke mobiliteit waar al jaren over gepraat werd, krijgt het een extra impuls. Het was een wens, het werd een noodzaak. De gedragsverandering is er nu al. Er ligt een prachtige kans om die te bestendigen door een nieuwe inrichting van de stedelijke mobiliteit, die zal blijven, ook als er een vaccin is. Te denken valt aan het aanleggen van een netwerk van echte fietspaden, betalen voor autokilometers binnen de stad, een vergunningenbeleid en investeringen in openbaar vervoer.

Een soortgelijke verandering kan aangegrepen worden in de toerisme-industrie. In het centrum van Barcelona kon je ’s zomers over de hoofden lopen. Maar in de anderhalvemetersamenleving heeft iedereen twee vierkante meter ruimte nodig. Burgemeester Ada Colau voorziet een omwenteling: ‘Het toerisme van de toekomst moet duurzaam zijn.’ Ook dit is een ontwikkeling die niet uit de lucht komt vallen; corona is ook hier een katalysator. Een oplossing voor het massatoerisme was een van de verkiezingsbeloftes waarmee Colau in 2015 burgemeester werd. De politica houdt niet van halve oplossingen en had brede steun om het probleem aan te pakken. Toch schoot het niet op, want de belangen waren groot. In 2019 kwamen er twintig miljoen toeristen naar de geplaagde stad. Nu is er geen keus meer. De trend was er al, ze wordt versneld door het virus.

Ook Amsterdam en veel andere Europese steden worstelen al jaren met het massatoerisme, dat intussen meer schade doet dan voordeel oplevert. Net als in de auto-industrie was er geen ruimte voor verandering zolang dat eerst het afbouwen van het oude model betekende. Die barrière, de grootste, werd geslecht. De coronamaatregelen zetten aan tot het bedenken van nieuwe toerismemodellen. En wat voor schulden, toerisme en mobiliteit geldt, gaat ook op voor communicatie, energie, industriële innovatie, vastgoed, waardeketens en landbouw.


Nog nooit ging de IT-acceptatie in onderwijs, gemeenten en bedrijven zo snel. In plaats van drie commissies en een strategisch meerjarenplan digitalisering bleek het ook in een paar weken te kunnen. Als er eenmaal een vaccin is, lijkt het onwaarschijnlijk dat we de voordelen en besparingen gaan opgeven. Werknemers willen echt niet de hele dag thuis bij de kinderen laptoppen, maar ze willen ook niet terug naar de dagelijkse file. Werkgevers zien intussen in de praktijk dat het goedkoper kan. Opnieuw zijn belangrijke hobbels op de weg naar verandering al genomen: de gedragsverandering hoeft niet meer afgedwongen te worden en het effect van (gedwongen) doen is overtuigender dan rapporten en argumenten. Slim beleid kan nu een stevige duw richting blijvende verandering geven. Nederland, met zijn grote dienstverlenende sector, kan er ingrijpend door veranderen.

Ook in de industriële productie nemen IT-toepassingen plotseling een hoge vlucht. De industrie is een conservatieve sector, want kapitaalintensief. Fouten kosten er veel geld. De digitalisering kwam er laat op gang en ging langzaam. Maar nu moest het op grote schaal. Ingenieurs konden simpelweg niet meer naar Chinese fabrieken reizen om nieuw geïnstalleerde machines te testen en af te stellen. Zelflerende algoritmes bleken veel daarvan over te kunnen nemen, met langeafstandsondersteuning van de moeilijke gevallen door de ingenieurs die gewoon in Eindhoven blijven. Geschat wordt dat in één jaar nu vijf jaar aan innovatie doorgevoerd wordt. Ook dit kan met ondersteunend beleid blijvend worden.

—————

De gekrompen economie in lockdown had veel minder brandstof en plastic nodig. De olieprijs, die in februari 2020 nog op vijftig dollar per vat stond, stortte in april volledig in. Pogingen tot productiebeperkingen door de producerende landen verenigd in het OPEC+-kartel en telefoondiplomatie van president Trump ten bate van de Amerikaanse olie-industrie hielpen, maar niet genoeg. De prijs stond in mei 2020 even op 25 dollar per vat, en nu nog steeds rond slechts veertig dollar. Het is een niveau waarop geen Amerikaans oliebedrijf zonder steun kan overleven. Tegenover de ingezakte vraag staat een aanbod dat in de aanloop naar de coronacrisis vergroot was. De VS hadden de productie opgevoerd en waren juist de grootste producent ter wereld geworden. De opstartkosten en vaste lasten voor bedrijven in de olie- en gasindustrie zijn hoog, met name in de winning uit teerzanden en olie- en gaswinning door fracking. Door die investeringen zitten bedrijven diep in de schulden, en de productie van schalieolie in de VS is al jaren verliesgevend. In 2019 waren de faillissementen in deze sector al de helft meer dan in 2018 en analisten verwachtten een shakeout van zwakkere bedrijven in 2020. Door de crisis wordt dit versneld. Slechts de allergrootste bedrijven zullen overleven. De structuur van de industrie is dan definitief veranderd.

Het olieprijsdrama werpt de vraag op in hoeverre de overheid en onze pensioenfondsen de bruine sectoren moeten blijven steunen. Dat kan immers alleen voor toekomstbestendige bedrijfsmodellen, en dat is met een langdurig lagere olieprijs niet het geval. De staatssteun is intussen genereus. Het IMF becijferde in 2015 dat de subsidies mondiaal 4700 miljard dollar (rond 6,5 procent van het mondiale bbp) bedroegen, voor 85 procent besteed aan benzine en kolen. De Nederlandse fossiele sector kreeg 7,6 miljard euro per jaar aan directe en indirecte subsidie. Maar niet alleen fossiele energie is geraakt. Volgens een rapport van het Internationaal Energieagentschap (IEA) kunnen we vijftig procent minder investering in de schaliegassector verwachten, dertig procent minder in olie, 25 procent minder in kolen en tien procent minder in hernieuwbare energie. De balans in energieopwekking verschuift dus in duurzame richting, maar het IEA waarschuwt ook dat de investeringen in hernieuwbare energiebronnen, benodigd voor het behalen van de klimaatdoelen, onder de coronarecessie gaan lijden. Het zijn opnieuw bedreigingen met kansen. Als overheden inspringen om het verlies aan duurzame investeringen te compenseren, komt er een radicaal andere energiesector uit de coronacrisis.

Deglobalisering was al ingezet: de groei van internationale handel en kapitaalstromen is al een aantal jaren omgeslagen in een lichte afname. Ook deze slowbalization zal in de versnelling gaan nu de afhankelijkheid van productieketens ruw duidelijk is geworden. We kunnen zelf niet eens genoeg mondkapjes produceren. Gezanten van alle westerse regeringen moesten met tassen vol geld naar China om daar voorraden te bemachtigen of fabrieken op te kopen. Het gaf de Chinese regering een enorm diplomatiek voordeel en stof voor een charmeoffensief van Italië tot Servië.

Mondkapjes en beademingsapparatuur waren de extreemste voorbeelden van gebrek aan eigen productiecapaciteit in antwoord op de toegenomen vraag. Maar door de beperkingen op transport en handel zijn allerlei producten minder snel te verkrijgen, en tegen een hogere prijs. Het grote voordeel van mondiale productieketens is nu juist: goedkoper, door lage lonen en lage transportkosten, en snel beschikbaar – hoewel van ver weg – door just-in-time-management van waardeketens en opslagcapaciteit. Beide voordelen vallen (deels) weg. In de recessie zullen productieketens daarom waarschijnlijk sterker krimpen dan de economie.

Net als de kwetsbaarheid van waardeketens laat ook hun inkorting zich illustreren met mondkapjes. Vanwege onvoldoende capaciteit in de internationale keten wordt nieuwe productiecapaciteit in Nederland opgebouwd, onder meer door het 3D-printen van mondkapjes. Zijn deze investeringen eenmaal gemaakt, dan zal ook na een volledig herstel van transportmogelijkheden de oude keten niet helemaal terugkomen. Weer zijn het de opstart- en investeringskosten die, eenmaal gemaakt, de kosten van verandering (verkorting van waardeketens) verlaagd hebben.

—————

De nood was de afgelopen jaren hoog op de woningmarkt. De prijzen stegen buiten het bereik van starters en modale inkomens. Meer huizen bouwen werd vaak genoemd als oplossing; daarbij werden de financiële oorzaken van hoge huizenprijzen over het hoofd gezien. Buitenlandse investeerders kochten vorig jaar voor zeven miljard aan Nederlandse woningen op, met gevolgen voor woningprijzen en voor de huren.

Als de voorspelling van het IMF en het Centraal Planbureau bewaarheid wordt, zal de winst van investeerders dalen en zal ook de binnenlandse vraag afnemen – in een economie in ongekende recessie met grote werkloosheid blijven de huizenprijzen niet ongemoeid. De prijsdalingen zijn pijnlijk voor huizenbezitters, maar bieden voordelen aan starters en middeninkomens. Welbeschouwd is dat een correctie op een bijzonder scheve situatie. Het zal ook de kans bieden tot een reset op de woningmarkt. Als de financiële lucht eruit is, wordt duidelijker wat de prijzen zijn die bij de Nederlandse woonbehoefte horen, niet bij speculatie. Daarop kan dan beleid gemaakt worden.

De vraag naar commercieel vastgoed, een sector die al kampt met leegstand, zal ook dalen. Niet alleen vanwege de economische omstandigheden, maar ook als thuiswerken aan gaat slaan en kantoorruimte afgestoten wordt. Al in 2019 was de financiering door banken van commercieel vastgoed beperkt onder druk van eisen van de toezichthouders. Duurzaamheidseisen speelden ook al een grote rol. Het ombouwen van kantoren naar woningen, met kansen voor vergroening of zelfs circulair vastgoed, kan door de crisis een impuls krijgen. Bedrijven en banken zullen dat niet alleen kunnen. Een ondernemende rol van de overheid als voortrekker in innovatieve oplossingen van het woningmarktprobleem kan een belangrijker verschil maken dan voorheen.

De stikstofproblemen in Nederland zijn illustratief voor het natuurbeleid: hoe het niet moet, én hoe het wel zou kunnen. Door (kunst)mestgebruik in de landbouw en door intensieve veehouderij wordt veel stikstof geproduceerd, goed voor de groei van landbouwgewassen. Maar de stikstof slaat ook neer in de natuur, waardoor er planten- en diersoorten verdwijnen. Het in 2015 begonnen Programma Aanpak Stikstof (PAS) doet daar te weinig aan, reden dat de organisatie Mobilisation for the Environment een proces aanspande. In mei 2019 oordeelde de Raad van State dat het Nederlandse beleid Europese regels voor natuurbehoud overtreedt. Het kabinet tekende beroep aan bij de Hoge Raad, stelde in juli 2019 een Adviescollege Stikstofproblematiek (de commissie-Remkes) aan, en deed in afwachting van een uitspraak verder niets. Kostbare tijd ging verloren.

Het Adviescollege kwam in september 2019 met een serie aanbevelingen voor de korte termijn onder de titel Niet alles kan. In december werd de uitspraak van de Raad van State door de Hoge Raad bevestigd. Er ontstond een noodsituatie, omdat vergunningen voor wegen- en huizenbouw, waarbij veel stikstof vrijkomt, niet meer afgegeven mochten worden. De ergste knelpunten werden opgelost door een snelheidsbeperking van het wegverkeer tot honderd kilometer per uur. Met echte maatregelen wachtte het kabinet tot het eindrapport van de commissie-Remkes met langetermijnvoorstellen.

Dat rapport, Niet alles kan overal, verscheen in juni 2020. Het was snoeihard. Het kabinet was na een jaar nog steeds niet doordrongen van de omvang van de stikstofcrisis, die Remkes zag als het resultaat van decennia van verkeerd landbouw- en milieubeleid. Het antwoord was nu pappen en nathouden; er was tijd verspeeld door met het zwakke PAS-beleid door te modderen. Net als bij de Duitse auto-industrie kon ook op het gebied van stikstofbeleid het effect van de coronacrisis twee kanten op. Commissievoorzitter Remkes wees er in juni 2020 op dat het juist nu, meer dan in 2019, belangrijk was de stikstofbeperkingen op economische activiteit te verruimen door snel op emissiearme landbouw over te stappen. ‘Er zijn heel binnenkort grote investeringen nodig’, zei hij, ‘om de recessie die eraan komt te bestrijden. Die moeten dan niet door de rechter stilgelegd worden vanwege stikstofgrenzen.’ Maar het kabinet en de coalitie leken de coronacrisis aan te grijpen om de andere kant op te gaan: minder, niet meer urgentie. Werden eerdere rapporten van het Adviescollege Stikstofproblematiek gebruikt als breekijzer om actie af te dwingen, nu werd het rapport lauw ontvangen. Concrete plannen bleven uit.

—————

Het kan twee kanten op. Er zijn kosten maar ook kansen bij de afbouw van het kleine-bufferkapitalisme. De stillegging van de economie na maart 2020 betekent minder financiële ruimte voor innovatie en verandering, maar tegelijk meer noodzaak. Zonder subsidie voor elektrische auto’s worden misschien de dieselauto’s in de uitverkoop gegooid, terwijl er alvast nieuwe bijgemaakt worden. Met subsidie komen er grotere investeringen in batterij- en waterstofauto’s. Die bieden dan meer perspectief – financieel voor het bedrijf en ecologisch voor iedereen. Op zo’n kantelpunt kan een kleine subsidie grote gevolgen hebben. De Duitse overheid begreep dat.

Ook andere keuzes van de overheid – investeringen, regelgeving, belastingen – zullen de komende jaren richtinggevend zijn. Ze kunnen wederzijdse versterking creëren tussen economische groei aan de ene kant en de ecologische, sociale en financiële duurzaamheid van de economie aan de andere kant. De economie kan zich dan ontwikkelen zonder haar eigen duurzaamheid te ondermijnen.

Een lager schuldniveau en minder schuldgroei zal bedrijven en landen wendbaarder maken, zodat ze kunnen inspelen op de mogelijkheden die de komende decennia gaan bieden. De schijnbaar ijzeren verbinding in het kleine-bufferkapitalisme tussen economische expansie en schuldgroei is dan doorbroken, juist omdat er een schuldencrisis dreigde. Het lijkt een paradox, het is logisch. En het geldt op meer gebieden. De grootste bedreiging in de komende recessie is de misplaatste gedachte dat we nu even geen tijd hebben voor loongroei, investeren in circulaire landbouw, of definancialisering van de vastgoedmarkt.

Het is er júist de tijd voor, en dat niet vanwege zweverig idealisme: het zal tot tastbaar betere economische uitkomsten leiden. Gelukkig heeft corona er ook de aanzetten al toe gegeven. Want het moet vaak eerst slechter worden voordat het beter wordt. Dat eerste is gelukt – eigenlijk al een paar decennia, maar versneld sinds maart 2020. Het tweede gebeurt alleen als de kansen voor verbetering ook echt gepakt worden.

Dirk Bezemer

overgenomen uit De Groene Amsterdammer van 19 augustus 2020

Dit is een bewerkte voorpublicatie uit Dirk Bezemers boek Een land van kleine buffers: Er is genoeg geld, maar we gebruiken het verkeerd, dat komende week verschijnt bij Uitgeverij Pluim

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten