Van Corona naar Green

Nood breekt wet, laat ook de Corona-crisis weer zien. Monetaire financiering van overheidsuitgaven is niet langer taboe. Nu moeten we doorpakken, door geldschepping te gebruiken voor een Green New Deal van onderop.

S. de Beter (28/4/2020)

We zouden het bijna vergeten, er is nog steeds een Klimaatcrisis. Is straks de Corona-virus grotendeels onder controle, dan moeten we misschien geruisloos overstappen op een (intelligente) Green SLOWdown. Zodat we blijvend kunnen profiteren van een van de weinige voordelen van de huidige lockdown: iedereen kan met eigen neus, oren en ogen (de lucht wordt weer ouderwets blauw ) ervaren hoeveel gezonder en prettiger de natuurlijke omgeving is geworden. Er circuleren vermoedens dat dankzij de Corona-crisis de klimaatambities van Parijs toch nog worden gehaald – zelfs door ons land, het slechtste jongetje van de klimaat-klas. Ambities die overigens nog steeds te weinig zijn om de opwarming van de aarde volledig tot stilstand te brengen.

Een Green lockdown is echter een lastig scenario, want sterk is de drang om straks weer met volle teugen van onze vrijheid te genieten. En dan negeren we al snel dat deze economische vrijheid ongelijk verdeeld is en ten koste gaat van een beter klimaat. Hoe kunnen we de huidige situatie benutten voor een beter evenwicht tussen individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid (die uiteindelijk individuele vrijheden mogelijk maakt)?

Lessen leren uit het verleden is een eerste stap, monetaire financiering van een Green New Deal (GND) een tweede.

Lessen uit het verleden

GND slaat twee vliegen in één klap: we schakelen over van fossiele naar duurzame energie en grondstoffen (goed voor het klimaat) en de economie krijgt een bestedingsimpuls, vergelijkbaar met de New Deal van VS-president Roosevelt eind jaren’30 om de economie te bevrijden uit de Grote Depressie.

Zowel de oude als de nieuw New Deal hebben het dubbele probleem dat de uitvoering de overheid meer macht geeft en de burgers uiteindelijk de rekening krijgen, omdat de stijgende overheidsschuld via de belastingen moeten worden terugbetaald. Twee problemen die rechtse politici handig benutten om een New Deal eerst tegen te houden en daarna beperkt te houden. Te beperkt, zo bleek, want de Amerikaanse economie kwam pas enkele jaren later uit het dal toen de Japanse aanval op Pearl Harbour de Amerikanen dwong hun bewapeningsuitgaven flink op te voeren. Nood breekt wet, oorlog breekt weerstand tegen hogere overheidsuitgaven en -schulden.

De financiële crisis deed eveneens enkele heilige huisjes sneuvelen, zij het tijdelijk. Ingrijpen in de financiële sector mocht omdat het moest, om de reële economie niet in gevaar te brengen. Helaas is toen flink geblunderd: bij de bail-out, de reddingsboei die de banken kregen toegeworpen, werd nauwelijks een tegenprestatie geëist. De rekening werd bovendien bij de burger gelegd en niet aan de financiële instellingen die toch de crisis hadden veroorzaakt of toegestaan. Zodat het daarna weer business as usual werd, met minder economische groei (gevolg van de extra bezuinigingen om de bail-out te betalen) en een lagere omval-risico voor de banken (dankzij sterkere financiële buffers).

Bij de Corona-crisis dreigt hetzelfde patroon. Het omval-risico ligt nu bij de bedrijven die hun geld verdienen met globalisering in de vorm van internationaal vervoer en toerisme (zoals KLM en Booking.Com) naast horeca, musea en andere onderdelen van de niet-digitale vermaaksindustrie. Wederom is er een noodoperatie in gang gezet, ook toegankelijk voor bedrijven die nog forse winsten maken en dikke dividenden uitkeren. En opnieuw zonder tegenprestatie die zoden aan de dijk zet, behalve bureaucratische rompslomp die voor grote bedrijven veel minder een probleem is dan voor de gemiddelde zzp-er.

Willen we dit echt: bedrijven overeind houden die hun geld verdienen met activiteiten waarvan we dankzij de huidige lockdown beseffen dat ze grotendeels overbodig zijn – en schadelijk voor het milieu. Willen we echt weer terug naar de situatie dat veel mensen frequent uitstapjes maken naar buitenlandse steden, dankzij veel te goedkope vliegtickets. Waarom is de steunverlening aan de luchtvaart niet gekoppeld aan een fikse vliegtaks voor Europese vluchten? Nu is toch het ideale moment om dit in EU-verband te regelen.

Twee kernvragen

Op één punt lijken we wél geleerd te hebben van voorgaande crisis. Steeds meer economen hebben geen bezwaar tegen monetaire financiering, zodat we niet de hele rekening bij de belastingbetaler hoeven te leggen. Maar voor welke activiteiten gaan we geldschepping inzetten en hoe gaan we de verdeling van dit extra geld organiseren?

De economie behoeden voor de lockdown-gevolgen, dit lijkt momenteel het enige antwoord op de eerste vraag. Maar dit houdt in dat we kiezen voor business as usual en niet voor een stevige aanpak van de klimaatcrisis, die straks weleens erger kan blijken te zijn dan de Corona-crisis. Nogmaals: willen we echt luchtvaart en (internationale) reissector straks weer op volle toeren terwijl deze, direct en indirect, ons klimaat schade berokkenen?

Veel hangt af van het antwoord op de tweede vraag. We zijn inmiddels een klein stapje verder dan vóór de Corona-crisis toen de monetaire politiek louter draaide om ECB en kwantitatieve verruiming. We moeten nu een kwalitatieve verruiming realiseren, door bij de geldschepping een hoofdrol te geven aan de nationale overheden, die elk op hun eigen manier invulling geven aan de GND. En bij voorkeur een combinatie van parlementaire en directe democratie hanteren.

In mijn voorstel krijgt ieder EU-lid een nationale Green Investment Corporation (GIC). De ECB beperkt zich tot het opkopen van GIC-obligaties. De verdeling van dit extra geld is simpelweg gebaseerd op het aantal inwoners. Niet op de hoogte van het BNP, omdat dit in sommige landen (waaronder Nederland en Luxemburg) flink is opgeblazen door de financiële sector, terwijl het bij de GND alleen gaat om de reële economie. Evenmin volg ik de suggestie van Heleen Mees in haar Volkskrant-column van 22 april om geld te scheppen naar rato van de economische schade die ieder land door de Corona-crisis heeft opgelopen. Dat geeft aanleiding door creatief gecijfer, en bovendien richt mijn voorstel zich niet op compensatie van de geleden schade maar op de opbouw van een groene economie.

De Rijksoverheid mag de GIC voor zeg de helft inzetten voor haar eigen Green New Deal, voor projecten die op nationaal niveau liggen. De andere helft wordt gelijkelijk verdeeld over provincies en gemeenten, maar een andere verdeelsleutel mag ook. Veel belangrijker is dat een groot deel van de provinciale en gemeentelijke investeringsfondsen worden gereserveerd voor Groene Projecten die door (combinaties van) individuele bedrijven en burgers worden geïnitieerd én uitgevoerd. De honorering van de diverse projectvoorstellen is niet voorbehouden aan gemeenteraad of Provinciale Staten maar aan diverse jury’s op basis van loting, zodat de samenstelling per definitie een goede afspiegeling is van de plaatselijke bevolking (zie hier een verdere uitwerking)

Worden de gehonoreerde voorstellen (gedeeltelijk) uitgevoerd door mensen met een bijstands- of andere uitkering, dan worden deze niet gekort zoals nu het geval is; ze hoeven slechts over de helft van hun extra inkomen belasting te betalen (flat rate). Ook de Groene Economie heeft financiële prikkels nodig, mits simpel en rechtvaardig. Wordt de GND zo tevens een proeftuin voor democratisering en ontbureaucratisering van de maatschappij?

Gelijktijdig moeten we overstappen op een permanente Green slowdown die in ieders voordeel is. Zoals binnen Europa treinen veel aantrekkelijker maken en vliegen drastisch ontmoedigen. Of iedereen het recht (niet de plicht) geven om minimaal een kwart van de arbeidstijd thuis te besteden, tenzij de werkgever kan bewijzen dat dit een slechte optie is. Twee van de vele kleine stappen om de Corona-crisis creatief te benutten voor onze strijd tegen de klimaatcrisis.

Een kortere versie is op discussieplatform JOOP gepubliceerd. Dit Volkskrant-artikel laat zien EU-voorzitter Von der Leyen in dezelfde richting denkt, zie ook hier

Bijlage: GND kan recente ontsporingen corrigeren

De Green New Deal (GND) pakt twee kernproblemen tegelijk aan. De eerste is de omschakeling van fossiele brandstoffen naar duurzame energie, én materialen. Een belangrijke toevoeging die te weinig aandacht krijgt. Olie en gas leveren naast energie ook allerlei grondstoffen voor de chemische industrie, met name voor de productie van plastics en andere synthetische materialen. Kijk om je heen en probeer spullen te vinden die niet synthethetisch zijn (vergeet de vloerbedekking en het laminaat niet). Bedenk dat synthetische materialen zo goedkoop zijn geworden – en mede daardoor zo wijdverbreid – vanwege de combinatie met fossiele energievoorziening. Wordt deze laatste teruggedrongen door meer wind- en zonne-energie, dan moeten we tevens snel overschakelen op niet-synthetische materialen. Naast het Noodfonds moet er dus een Vernieuwingsfonds komen, ter financiering van de talloze studies en experimenten die deze overstap mogelijk én betaalbaar moeten maken.

Het tweede kernprobleem waarop de Green New Deal zich richt ligt op het terrein van de werkgelegenheid. Politieke leiders slaan zich graag op de borst omdat de werkloosheid zo laag is geworden (tot de Corona-crisis losbarstte). Ze praten liever niet over een veel groter probleem: veel mensen verdienen te weinig om goed rond te komen, zodat beide ouders fulltime moeten werken of singles anderhalve baan nodig hebben. Weer andere mensen verdienen redelijk maar hebben een bullshit-job: een baan die ook de werknemers zelf overbodig vinden, en louter is gecreëerd om de organisatie en hun leidinggevende(n) meer aanzien of bescherming te geven – een verschijnsel dat we zo goed kennen van communistische landen.

De Corona-crisis creert een gigantisch werkloosheidsprobleem, dat op zijn beurt voor een dramatische kettingreactie kan zorgen. Hoe lang kunnen we volstaan met de Corona-regeling dat bedrijven 90% van de loonkosten vergoed krijgen voor de werknemers die ze in dienst houden (ook duurbetaalde bestuurders overigens)? In ieder geval vallen er vele slachtoffers onder werknemers in de flexibele schil (via uitzendbureaus) en onder zzp-ers en zelfstandige winkeliers. Juist voor die groep wordt een tijdelijk basisinkomen aanbevolen. Ook wordt her en der gepleit voor helicoptergeld: een soort eenmalig basisinkomen gefinancierd door geldschepping.

Economische slinger

De belangrijkste kritiek op het helicoptergeld en vergelijkbare vormen van ‘gratis geld’: het biedt onvoldoende oplossing voor twee kernproblemen. De afgelopen weken is in menige organisatie zichtbaar geworden dat veel activiteiten beter geschrapt kunnen worden, of efficiënter dan wel milieuvriendelijker aangepakt – bijvoorbeeld door meer thuis te werken. De bezem door al die bullshit-klussen of zelfs hele -banen, zo zouden we eveneens profijt kunnen trekken van de Corona-crisis (die ons dwingt anders te kijken naar ingesleten werk- en organisatiegewoonten). Een ander probleem van basisinkomen en gratis geld: zij geeft geen stevige slinger aan de economie, om de huidige benedenwaartse spiraal om te buigen in een bovenwaartse. Met banen die voldoende betalen, en zinvol zijn voor zowel de maatschappij en het klimaat als voor de betreffende werknemers of zzp-ers.

Cynici verwachten zo’n slinger alleen van een derde wereldoorlog, zoals de New Deal van Roosevelt pas voldoende voldoende kritische massa kreeg toen de VS aan WO II ging meedoen – vanwege de Japanse aanval op Pearl Harbour.

Even cynisch is een economisch herstel te verwachten van een bewapeningswedloop tussen westerse landen (met Trump als ophitser) en opkomende wereldmachten als China of zelfs Iran – zoals de naoorlogse economie flink (maar verkeerd) is gegroeid onder invloed van de Koude Oorlog.

Eerder realistisch dan cynisch is het wachten op een nieuwe Watersnoodramp, onlangs weer onder de aandacht gebracht door Rutger Bregman. Waarom heeft geen enkele econoom zich nuttig gemaakt met het in kaart brengen van het macro-economische multiplier-effect van de Delta-werken, het antwoord op de Watersnoodramp van 1953? Daaruit zou weleens kunnen blijken dat de indirecte economische baten veel groter waren dan de kosten (in de vorm van een hogere staatsschuld en/of belastingdruk). De expertise die is opgebouwd met de Delta-werken heeft het Nederlandse bedrijfsleven bepaald geen windeieren gelegd. Overal in de wereld waar grootscheepse overstromingen plaatsvinden of dreigen, wordt Nederlandse bedrijven en experts ingeschakeld. Denk aan de Nederlandse (goedbetaalde) hulp aan New Orleans, om te voorkomen dat een Katrina-achtige orkaan wederom de halve stad onder water zet.

Dit voorbeeld wijst erop dat we twee soorten overheidsuitgaven moeten onderscheiden. De eerste is de categorie ‘pappen en nathouden’: daaronder vallen de uitgaven vanuit het Noodfonds, voor een (tijdelijk) ‘basisinkomen’ voor zzp-ers en voor het zwaar subsidiëren van bedrijven, door 90% van de doorbetaalde loonkosten voor overheidsrekening te nemen. Het lijkt mij verstandig dergelijke uitgaven worden betaald uit collectieve inkomsten uit belastingen en sociale premies, en de daarbij opgebouwde reserves.

‘De cost gaet voor de baet uyt’ is een oud-nederlandse uitdrukking die voor de tweede categorie van toepassing is. Net als bij de Delta-werken gaat het om grootscheepse investeringen die pas later goed geld opleveren. Vanwege het voorkómen van nieuwe Waternoodsrampen en doordat de opgebouwde expertise elders en later (door verschillende partijen) ten gelde wordt gemaakt; twee baten die lastig berekend kunnen worden, en daarom vaak buiten beschouwing blijven. Ook het multiplier-effect speelt hier een rol, die veel groter is dan bij de eerste categorie waar een groot gedeelte van de overheidsuitgaven weglekt naar buitenlandse vakanties (vóór de Corona-crisis) of bestellingen bij Amazon en Chinese webshops (in de huidige situatie).

In Noorwegen hebben ze dit onderscheid beter begrepen. De opbrengsten uit de oliewinning voor de Noorse kust zijn in een investeringsfond gestopt, dat nog meer dan nu nog het geval is kan worden ingezet voor een grootscheepse Noorse Green Deal. De Nederlandse regeringen daarentegen hebben de Groningse aardgasbaten vooral besteed aan de eerste categorie, een uitbreiding van ons stelsel van sociale zekerheid – of ter compensatie van de teruggelopen vennootschapsbelastingen.

Reële en financiële economie

Daarnaast moeten we volgens aanhangers van de Moderne Monetaire Theorie (MMT) een onderscheid maken tussen de reële economie en wat Engelstalig bekend staat als de FIRE-sectors: finance, insurance and real estate. Deze sectoren hebben vroeger de reële economie ondersteund – en kunnen dat nog steeds. Banken door kredieten te verstrekken aan productiebedrijven zodat ze investeren wanneer ze te weinig eigen vermogen hebben. Verzekeringsbedrijven door huishoudens en bedrijven te beschermen tegen onverwachtse gebeurtenissen, een vorm van ontzorgen. Vastgoedondernemingen door te bewerkstelligen dat er voldoende woningen en bedrijfsgebouwen worden gebouwd.

De afgelopen decennia hebben de FIRE-sectoren zich echter in de verkeerde richting ontwikkeld. Banken zijn minder in de reële economie gaan investeren omdat het voor hen rendabeler is geworden om hun kapitaal in andere FIRE-bedrijven te steken. Verzekeringsmaatschappijen (en daar horen pensioenfondsen eigenlijk ook bij) gingen samen met banken allerlei ingewikkelde financiële producten ontwikkelen of toepassen. Met als gevolg dat kwetsbare groepen juist méér zorgen kregen toen economische winden anders gingen waaien (bijvoorbeeld inflatie en rentevoet gingen niet stijgen maar dalen terwijl veel verzekeringsproducten van het omgekeerde uitgingen). En de vastgoedsector veroorzaakte stijgende prijzen voor huizen, winkelpanden en ander bedrijfsgebouwen, zodat gezinnen, winkeliers en andere bedrijven harder moesten werken om de hogere huren of hypotheken (afschrijving, niet rente) te kunnen betalen.

FIRE-bedrijven hebben de laatste decennia een dubbel voordeel genoten. Door de deregulering van de financiële markten, zowel internationaal (o.a. Washington Consensus) als nationaal (zeker in Angelsaksische landen) waren zij veel makkelijker in staat om geldstromen over de hele wereld te laten stromen, o.a. om zelf én hun grote klanten in de reële economie minder belasting te laten betalen, althans voor de factor Kapitaal (zie verderop). Vervolgens hebben zij het meest geprofiteerd van het beleid van Quantative Easing (QE) dat na de financiële crisis vrijwel overal door centrale banken werd gevoerd (officieel om de benodigde inflatie aan te jagen, feitelijk om de koersen van aandelen omhoog te stuwen). Wat behoorlijk wrang is omdat de financiële crisis en de daarop volgende recessie juist hun oorsprong vonden in diezelfde FIRE-sectoren.

De reële economie daarentegen is opgezadeld met twee nadelen. Overheden hebben ten eerste allerlei lastenverzwaringen doorgevoerd die direct of indirect ten laste kwamen van de factor Arbeid. Om de bail-out van sommige FIRE-bedrijven te financieren maar tevens ter compensatie van de teruggelopen belastinginkomsten uit de factor Kapitaal. Een tweede nadeel is het taboe op allerlei vormen van publieke geldschepping, Engelstalig vaak aangeduid als People’s QE (PQE), terwijl juist dat beleid in de vorm van een GND de reële economie veel meer profijt kan opleveren De volgende matrix vat het voorgaande kernachtig samen.

sectoren

Financiering door:

Belastingen

Geldschepping

FIRE

Dalend voor de factor Kapitaal

QE

Reële economie

Stijgend voor de factor Arbeid

People’s QE voor GND

Het verschil tussen QE en Peopl’s QE wordt (toegespitst op de Amerikaanse situatie) kernachtig geformuleerd door Michael Hudson

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten