God hebbe zijn ziel, wij zijn lichtend voorbeeld

Precies een maand geleden, op 23 januari, hebben we een groot man verloren: Clayton M. Christensen. Groot in lengte, hij was 2,03 meter lang, en vooral groot in de wetenschap. Iedere consultant of bedrijfskundeprofessor die serieus genomen wil worden op het gebied van innovatie(management), noemt en roemt zijn theorie over disruptie, al begrijpt niet iedereen wat zijn theorie behelst.

S. de Beter

Die roem is terecht, zoals ik in de bijlage zal betogen, maar ik ben het meest dankbaar voor zijn lichtend voorbeeld. Hij is een van de weinige sociale wetenschappers die niet meteen in de kramp schoot wanneer iemand kritiek leverde op zijn ideeën of geschriften. Integendeel, hij benutte die kritiek om zijn theorie beter te maken. Ook was hij voortdurend op zoek naar afwijkende gevallen (anomalies), dus situaties die niet door zijn theorie voorspeld of verklaard leken te kunnen worden. Soms kon zijn theorie die afwijkingen toch verklaren, soms moest zij worden aangepast; alleen op die manier krijg je naar mijn mening wetenschappelijke vooruitgang. Zoals  Tad Walch het verwoordde na het overlijden van Christensen: voor hem was belangrijker om “get truth than be right”.

Ook zijn onderzoeksmethode vind ik verfrissend, een verademing vergeleken met de ‘conventional wisdom’ in de sociale wetenschappen. Kwantitatieve onderzoekers hebben tegenwoordig een grote mond omdat de wetenschappelijke bewijsvoering is verschraald tot statistische significantie. Hun recept is simpel: men neme twee of meer theorieën om daaruit enkele hypothesen af te leiden. Deze worden teruggebracht tot een regressievergelijking, met een te verklaren variabele (afhankelijke variabele genoemd) en zoveel mogelijk verklarende (onafhankelijke) variabelen. Verder heb je – liefst kant-en-klaar – een grote dataset nodig want hoe meer data, hoe groter de kans op statistische significantie. Hoewel sommige onderzoekers nog waarschuwen – meestal pro forma, is mijn indruk – dat correlatie (X gaat relatief vaak samen met Y) niet hetzelfde is als causatie (X veroorzaakt Y), blijven de conclusies beperkt tot de vaststelling dat in de statistische analyse de ene theorie beter scoort dan de andere, en ‘dus’ een betere verklaring biedt. Vrijwel nergens waagt men zich aan een zodanige voorspelling of advies dat naderhand kan worden vastgesteld in hoeverre de onderzoekers het gelijk aan hun zijde hadden. What a waste of good brains! In de woorden van Bob Dylan: too much of nothing.

Zo kan het ook

Christensen ging heel anders te werk. Voor zijn promotie-onderzoek verzamelde hij technische en bedrijfseconomische gegevens over alle producten en producenten die in de periode 1976-1992 van betekenis waren (geweest) op de markt van floppy’s en andere opslagmedia voor computers – dus geen steekproef zoals tegenwoordig vaak wordt gebruikt. Op basis van deze data ging hij op zoek naar relevante en bruikbare classificaties, en vervolgens naar patronen. Het meest bekend is zijn onderscheid tussen ‘sustaining’ en ‘disruptive’ innovatie, oftewel tussen incrementele verbeteringen van de bestaande technologie en de opkomst van een volledig nieuwe technologie. Zijn belangrijkste stelling is dat in de eerste categorie de zittende ondernemers (incumbents) het beter doen, terwijl bij disruptieve technologie meestal de nieuwkomers aan de winnende hand zijn. Hij maakte duidelijk dat dit patroon (een correlatie, zouden kwantitatieve onderzoekers zeggen) nog niets zegt over de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen. En vervolgens ging hij op zoek naar mogelijke oorzaken en verklaringen (meer daarover in de bijlage)

Waarom was Christensen zoveel anders dan de gemiddelde sociale wetenschapper? Bij zo’n vraag kun je het beste naar zijn levensloop kijken, om te zien hoe deze afwijkt van wat we de afgelopen decennia als een ‘normale’ of zelfs ‘ideale’ wetenschappelijke carrière beschouwen. Net als bij de bètawetenschappen is het tegenwoordig bij de sociale wetenschappen gebruikelijk dat de betere studenten meteen na hun master aan hun promotie-onderzoek beginnen. Vervolgens worden ze postdoc en tot slot (hoofd)docent en hoogleraar – als ze tenminste voldoende toppublicaties op hun naam hebben staan. En ze blijven tot hun pensioen bij de universiteit, tenzij ze een toppositie kunnen krijgen bij de overheid, een adviesorgaan of – nog zeldzamer – bij het bedrijfsleven.

Bij de bètawetenschappen daarentegen verlaten de meeste gepromoveerden de universiteit. Gaan ze het bedrijfsleven in, dan eerst bij een R&D-afdeling en daarna bij een stafafdeling of in het management. De wetenschappers die echt hun hart hebben verpand aan de wetenschap komen na verloop van tijd weer terug bij de universiteit, om daar hun carrière voort te zetten (en meestal ook te beëindigen). De loopbaan van Christensen lijkt nog het meest op dit bèta-patroon maar net iets anders. Hij studeerde eerst economie bij een plaatselijke universiteit en tussendoor econometrie in Oxford, dankzij een Rhodes-beurs. Na een jaar MBA (Master of Business Administration) ging hij het bedrijfsleven in. Bij de Boston Consulting Group (BCG) en bij een ministerie in Washington, om vervolgens met enkele hoogleraren van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) een hightech onderneming op te richten, waarvan hij directeur werd. Pas toen hij tegen de veertig liep, begon hij op Harvard aan een promotie-onderzoek, en werd daarna hoogleraar aan de Harvard Business School – tot zijn dood.

Praktijk als leerschool

Niet de meest voor de hand liggende route kiezen, dat lijkt de belangrijkste les uit zijn levensloop. Niet meteen een wetenschappelijke loopbaan kiezen maar eerst de praktijk in. Deze praktijkervaringen hebben twee functies. De eerste is om erachter te komen of wetenschappelijke nieuwsgierigheid het wint van alle andere ambities die het leven rijk en zinvol kunnen maken. Hadden maar meer economen en andere sociale wetenschappen zijn pad gevolgd, heb ik vaak verzucht als ik weer een uitgebluste hoogleraar tegenkwam die ieder spoortje van wetenschappelijke nieuwsgierigheid was kwijtgeraakt (en misschien nooit heeft bezeten). Nog triester: het maakte nauwelijks verschil of deze wel of niet een indrukwekkende lijst van toppublicaties op zijn of haar naam had staan. Zonder passie voor de wetenschap kun je blijkbaar ook hoog komen op de academische apenrots.

Een tijdje in de praktijk heeft een tweede voordeel, vooral in gamma-domein: het biedt inspiratie voor wetenschappelijk onderzoek. De praktijk wemelt immers van problemen die om een gefundeerde oplossing vragen. En van ongerijmdheden en paradoxen die een originele verklaring behoeven. Zo constateerde Christensen in zijn ‘praktijkjaren’ dat een gerenommeerde onderneming die over voldoende kapitaal en over de knapste koppen kon beschikken, het uiteindelijk toch vaak verloor van een nieuwe ondernemer die aanvankelijk met een technisch inferieur product op de markt kwam, met wat hij later een disruptieve innovatie zou noemen.

Weg met de impact-factor

Het publicatiepatroon is eveneens opvallend in de professionele levensloop van Christensen. Al geruime tijd is in Nederland het streven om een proefschrift zo snel mogelijk om te zetten in zoveel mogelijk artikelen die in toptijdschriften kunnen worden gepubliceerd. Sterker nog: tegenwoordig zijn promovendi vaak verplicht hun onderzoeksresultaten meteen als artikelen op te schrijven, die in het proefschrift bij elkaar worden ‘geniet’, voorzien van een korte in- en uitleiding. Christensen daarentegen publiceerde zijn eerste artikel pas drie jaar na zijn promotie in 1992. Net als bijna al zijn artikelen – die bijna op één hand te tellen zijn – verscheen het in Harvard Business Review, het ‘huisblad’ van de Harvard Business School (HBS) waar hij hoogleraar was.

Hij stopte zijn energie vooral in het schrijven van boeken, waarvan de eerste in 1997 verscheen, vijf jaar na zijn promotie. Christensen zou dus niet hoog scoren op de impact-factor: die meet hoe vaak je publiceert en hoe vaak je artikelen worden geciteerd. Terwijl hij het afgelopen decennium als een van de meest invloedrijke business thinkers wordt beschouwd.

Dat roept de vraag op of de impact-factor wel zo geschikt is om de wetenschappelijke kwaliteiten van een onderzoeker te ‘beoordelen’, zoals tegenwoordig wordt aangenomen. Het belangrijkste bezwaar lijkt mij dat het een achteraf-maatstaf is, wat trouwens inherent lijkt aan alle kwantitatieve beoordelingscriteria. Denk aan toekomstverkenningen waarin de economische kracht van Nederlandse bedrijfstakken grotendeels wordt afgemeten aan hun aandeel in de wereldhandel. Een hoge score op die maatstaf betekent meestal dat hun hoogtepunt al voorbij is, zoals ik hier betoog.

We hebben juist behoefte aan een voorafbeoordeling: welke kandidaten hebben nu de meeste potentie om later de wetenschappelijke top te bereiken? Laat een paar onderzoekers een korte lezing houden of een kort essay schrijven, een ervaren wetenschapper weet al heel snel wie de meeste academische potentie heeft. Uit eigen ervaring weet ik dat de meeste collega’s feilloos de betere onderzoekers wisten te noemen. Althans, voor zover ze in staat waren hun eigen voorkeuren en belangen even te ‘parkeren’ en niet het gevoel hadden dat hun uitspraken kunnen worden misbruikt. Kortom, een systeem van consultatie waarbij anonimiteit wordt gegarandeerd, is voldoende om de bokken van de schapen te scheiden.

Heb je eenmaal de betere – en gedreven – onderzoekers geselecteerd, dan kun je afzien van financiële prikkels, bijvoorbeeld een hoger salaris als ze hoger op de academische ladder terecht komen. Ook hier geldt: het stimuleren van extrinsieke motivatie (met geld, status of andere voordelen) kan snel ten koste gaan van de intrinsieke motivatie, die zeker in de wetenschap de belangrijkste is – of zou moeten zijn. Het enige wat gedreven onderzoekers nodig hebben om hun wetenschappelijke talenten te kunnen benutten is voldoende tijd en vrije ruimte (door NIAS gepresenteerd als slow science).

Het belang van een tussenjaar

Na zijn middelbare school ging Christensen niet meteen naar de universiteit. Zoals gebruikelijk in de mormonen-gemeenschap waartoe hij behoort, was hij eerst twee jaar een soort missionaris in Zuid-Korea. Wat en waar hij zonder die ervaring zou hebben gestudeerd, is louter speculatie. Maar het is zeker dat hij nu een betere keus heeft gemaakt dan wat aanvankelijk het meest voor de hand lag. Als middelbare scholier had hij namelijk zulke goede studieresultaten dat hij meteen terecht kon bij de elite-universiteiten Yale en Harvard. De omweg is vaak de betere weg, zoals ik menigmaal heb geconstateerd.

Daarom wil ik een pleidooi houden voor twee beleidsmaatregelen. Geef ten eerste iedere middelbare scholier recht op een tussenjaar dat naar eigen inzicht kan worden ingevuld, bijvoorbeeld in de vorm van een Pre-University College (zie hierna), een maatschappelijke dienstplicht, of gewoon werken en/of reizen.

Ten tweede wil ik pleiten voor een systeem van onderwijsvouchers die op elk moment van de loopbaan kunnen worden verzilverd, zodat middelbare scholieren zich niet langer gedwongen voelen om meteen te gaan studeren omdat ze later geen of weinig kansen hebben om (betaald) te studeren. Dit voorstel geeft iedereen de mogelijkheid om op latere leeftijd de opleiding te volgen die dan het beste past en (daarom) het meeste motiveert. Zoals Christensen het verwoordde: “Motivation is the catalyzing ingredient for every successful innovation. The same is true for learning”. Een bijkomend voordeel is dat studenten selectiever omgaan met de aan hen toegekende onderwijsrechten, wat het hoger onderwijs een stuk goedkoper maakt.

Overigens zouden deze twee voorzieningen niet alleen voor middelbare scholieren moeten gelden maar in principe voor iedereen, zoals ik hier voorstel.

Disruptie in het hoger onderwijs

Leer en levensloop van Christensen hebben mij tevens geïnspireerd tot enkele voorstellen voor een andere organisatie van het hoger onderwijs. Na zijn ‘religieuze dienstplicht’ in Korea (zie hieronder een foto uit die tijd) ging Christensen naar een plaatselijke universiteit die wij in Nederland eerder een hogeschool zouden noemen. Vervolgens naar Oxford (econometrie) en Harvard (MBA). Alle drie relatief kleine universiteiten met elk hun eigen onderwijsprofiel – zoals het werken met case studies in de Harvard Business School. Wellicht waren zijn eigen ervaringen de drijvende kracht bij het schrijven van Disrupting Class, dat overigens een van zijn meest controversiële boeken lijkt te zijn (zie hier voor een korte samenvatting, zie hier waarom de voorspelling van Christensen nog niet is uitgekomen).

In Nederland (maar ook elders) hebben we in toenemende mate te maken met overvolle universiteiten gericht op het snel laten doorstromen van steeds meer (buitenlandse) studenten, door onderwijsprocessen zoveel mogelijk te standaardiseren. We hebben hier geen Harvard dat klein kan blijven omdat ze alleen de betere studenten mag selecteren (en mede daardoor ook de betere docenten en onderzoekers aantrekt?). Naast selectie aan de poort – in Nederland nog steeds een taboe – zijn er andere oplossingen om meer kleinere universiteiten te krijgen, waar voldoende speelruimte is voor innovatief onderwijs en onderzoek.

Als eerste maatregel moeten we af van het huidige bekostigingssysteem. Dit bevat een financiële prikkel om zoveel mogelijk studenten aan te nemen (en snel af te leveren), en buitenlandse studenten aan te trekken als vanwege demografische ontwikkelingen de Nederlandse instroom stagneert. De Rijksbijdrage per student (waaruit ook het onderzoek gefinancierd moet worden) is namelijk hoger dan de marginale kosten die een extra student met zich meebrengt. Aangezien bovendien de totale Rijksbijdrage voor alle universiteiten tezamen gelijk blijft, moet iedere universiteit groeien om geen marktaandeel te verliezen. De oplossing is een degressief systeem, zoals ik hier bepleit. Het grootste voordeel is dat er ruimte komt voor nieuwe onderwijsinstellingen, en dat is volgens Christensen de belangrijkste voorwaarde voor (disruptieve) innovatie. Denk aan het probleem-gestuurd onderwijs (pgo) dat pas bredere toepassing kreeg bij de oprichting in 1976 van de Universiteit Maastricht (die sindsdien nauwelijks pogingen doet om andere onderwijsvormen uit te proberen). Ondanks de sterke groei van het aantal studenten zijn er sindsdien in Nederland geen nieuwe universiteiten opgericht!

Een tweede maatregel is om hogescholen voortaan universiteiten te noemen, zoals in de meeste andere landen allang is gebeurd; denk aan de Britse Polytechnics die inmiddels gewoon universiteiten heten. Het probleem is namelijk dat universiteiten een hogere maatschappelijke status hebben dan hogescholen, zodat teveel middelbare scholieren naar de universiteit gaan zonder over de benodigde academische instelling en vaardigheden te beschikken. Overigens moet er bij de huidige hogescholen nog heel wat gebeuren alvorens zij (toegepast) onderzoek op hoog niveau kunnen uitvoeren.

Daarop aansluitend pleit ik voor Pre-University Colleges waar middelbare scholieren 1 jaar de gelegenheid krijgen kennis te maken met diverse vakken op verschillend niveau. Deze onderwijsinnovatie moet ervoor zorgen dat ze daarna de juiste studierichting kiezen en beter weten welke aanpak daarin hun voorkeur heeft: een professionele beroepsopleiding of zich bij een (kleine) onderzoeksuniversiteit bekwamen als wetenschapper-in-de-dop.

Wat betreft het onderzoek moeten we toe naar (of aansluiten bij) het Duitse systeem waar veel onderzoek plaatsvindt in de instituten van het Max Planck Gesellschaft (fundamenteel onderzoek) en Fraunhofer Gesellschaft (meer toegepast onderzoek). Vaak zijn deze instituten op of nabij een universiteitscampus gelegen en is er veel interactie met universitaire wetenschappers, maar de wijze waarop het onderzoek daar is georganiseerd en geprioriteerd is heel anders dan op de universiteiten. Met bijvoorbeeld als gevolg dat het broodnodige interdisciplinaire onderzoek daar veel beter gedijt dan op de universiteit, waar het vooral veel window-dressing is.

BIJLAGE: de disruptie-theorie van Clayton Christensen

De kern van zijn disruptie-theorie is af te lezen uit de volgende figuur. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen producenten en gebruikers (customers) van technologische producten. De gemiddelde gebruiker stelt in de loop der tijd maar weinig extra eisen aan deze producten (zie de langzaam stijgende rode stippellijn). De producenten daarentegen kennen een veel steilere curve voor de technische prestaties (performance) van hun producten, zoals de blauwe en groene lijn laten zien.
De producenten bevat twee categorieën: zittende ondernemers (incumbents) en nieuwe bedrijven die de markt betreden. Toetreders kunnen niet winnen van zittende ondernemers wanneer zij hetzelfde technologische traject bewandelen. Dan gaat het om sustaining technology, om kleine verbeteringen van de huidige technologie, en daarin zijn zittende ondernemers superieur. Zij beschikken immers over voldoende kapitaal en R&D-capaciteit, en over goede contacten met de veeleisende gebruikers (high-end customers) die bij sustaining innovatie o zo nuttig zijn. Een nieuw bedrijf kan alleen met succes de markt betreden wanneer het een nieuwe technologie ontwikkelt of benut. Nieuw is echter niet voldoende, de technologie moet ook goedkopere en simpelere producten opleveren. Want op die manier komen nieuwe marktsegmenten binnen hun bereik. Een daarvan noemt Christensen low-end users: gebruikers die behoefte hebben aan een goedkoop en simpel product, en niet extra willen betalen voor de geavanceerde producten van de gevestigde bedrijven. Non-users vormen een ander nieuw marktsegment: zij worden pas klant als het product simpeler en goedkoper wordt.

Neem de computer-industrie. Begonnen met de mainframes die vanwege prijs en complexiteit alleen waren weggelegd voor grote bedrijven en instellingen. Vrijwel alle ondernemingen die mainframes maakten zijn na verloop van tijd weggevaagd door de fabrikanten van mini-computers (met een groter marktbereik vanwege lagere prijs en meer bedieningsgemak). Deze verloren op hun beurt van de latere PC-producenten, die daarna zelf last kregen van de opkomende fabrikanten van tablets en smartphones (die ervoor hebben gezorgd dat tegenwoordig vrijwel iedereen een multifunctionele ‘computer’ op zak heeft). Het patroon was steeds dat nieuwe bedrijven begonnen met simpele producten van vaak inferieure kwaliteit en na verloop van tijd betere producten gingen maken die ook voor de high-end customers steeds aantrekkelijk werden. Zodat de bestaande bedrijven uiteindelijk het onderspit dolven door de komst van de nieuwe technologie. Een belangrijke factor in dit verdringingsproces is de discrepantie tussen wat de zittende bedrijven aanbieden (technologische hoogstandjes) en wat de meeste gebruikers nodig hebben (bedieningsgemak en een lage prijs)

Toegespitst op universiteiten kun je denken aan de discrepantie tussen het academische aanbod (overwegend een vooropleiding voor een wetenschappelijke loopbaan, zie hier) en de vraag vanuit de studenten die geen wetenschappelijke carrière nastreven, bij gamma-studies de overgrote meerderheid. Zij hebben vooral behoefte aan vaardigheden die ze later in hun professionele beroepspraktijk nodig hebben (daar hoort ‘kritisch leren denken’ trouwens ook bij). De bestaande wet- en regelgeving biedt echter onvoldoende mogelijkheden om deze discrepantie met behulp van disruptieve innovatie aan te pakken.

Van beschrijvende naar voorschrijvende theorie

Tot dusver gaat het nog steeds over beschrijvende theorie, die Christensen onderscheidt van ‘normatieve theorie’. In die tweede fase gaat het om de verklaring van de patronen die in de beschrijvende fase zijn ontdekt. Een verklaring snijdt in zijn ogen pas hout wanneer je daaruit toetsbare voorschriften kunt afleiden: “als je Y wilt bereiken, moet je X doen en niet Z”. Nog beter is dat je met geloofwaardige voorspellingen en prescripties komt. Zo heeft Christensen heel zijn vermogen gestopt in een investeringsfonds, Rose Park Advisors (vernoemd daar de wijk Rose Park waar hij opgroeide in Salt Lake City), dat meer dan 100 miljoen dollar heeft geïnvesteerd in bedrijven die een disruptieve innovatie proberen te realiseren. Wat een contrast met al die economen en bedrijfskundigen die geen enkele (financiële) schade lijden als hun voorspellingen en voorschriften niet blijken te kloppen.

Nadat Christensen zijn beschrijvende theorie had gepubliceerd in zijn eerste boek, The Innovators’s Dilemma, ging hij in gesprek met vertegenwoordigers van hightech bedrijven. Toen werd hem duidelijk dat disruptie vooral te maken heeft met de onverenigbaarheid van het dominante en het benodigde business model. Neem IBM, een van de weinige computerbedrijven die aan disruptie wist te ontsnappen. Door namelijk een nieuwe en vrijwel autonome business unit op te richten die zich niet hoefde te houden aan de spelregels die voor de rest van IBM golden (en daarom ver weg van het hoofdkwartier werd gesitueerd). Ze kreeg alle vrijheid om zich te kwijten van haar enige opdracht: zorg voor een combinatie van technologie en verdienmodel model om opgewassen te zijn tegen de nieuwe toetreders. Mede door de gesprekken met Christensen zou Intel later hetzelfde doen: in Israël een nieuwe vestiging oprichten om goedkope chips voor simpele toepassingen te produceren, met een ander business model dat voor de bestaande activiteiten gold.

De aandacht voor het business model bracht Christensen tot de volgende verklaring voor het patroon dat hij eerder had gevonden. Dat de zittende ondernemers niet inspringen op de nieuwe technologie vindt zijn oorsprong in het vigerende business model. De producenten van mainframes (zoals IBM) hadden relatief weinig klanten die echter een hoge winstmarge opleverden. Zolang deze markt een groei vertoont, is het financieel niet aantrekkelijk om mini-computers te produceren waar de marge veel lager ligt. Dit betekende dat de nieuwe toetreders voldoende ruimte kregen om te groeien en hun mini-computers beter en goedkoper te maken. De enige manier voor de mainframe producenten om te overleven is hetzelfde business model te hanteren als de toetreders, maar dit laat zich moeilijk combineren met het heersende verdienmodel; tenzij een nieuwe en redelijk onafhankelijke business unit wordt opgericht (zoals IBM en later Intel hebben gedaan). Mijn matrix hieronder brengt de vier combinaties van technologie en verdienmodel in beeld.

 

 

Business model

Technologie

Oud

Nieuw

Oud

Sustaining innovatie

Belangrijkste klanten hebben geen belangstelling

Nieuw

Financieel onaantrekkelijk vanwege lagere marges

Disruptieve innovatie

Sprak Christensen aanvankelijk over disruptieve technologie, later vond hij disruptieve innovatie een betere aanduiding, vanwege de combinatie van technologie en business model. Deze verschuiving maakt tevens duidelijk dat we niet iedere nieuwe technologie als disruptief kunnen beschouwen; zonder een passend verdienmodel (bijvoorbeeld vanwege wet- en regelgeving) vormt zij geen bedreiging voor de zittende ondernemingen of instellingen. Dit is waarschijnlijk de belangrijkste reden dat nieuwe toepassingen van informatietechnologie nog niet tot grote verschuivingen in het onderwijslandschap hebben geleid.

Het moge duidelijk zijn dat niet bij elke nieuwe toetreder sprake is van disruptieve innovatie. Zo maakt Tesla gebruik van een technologie die ongeveer een eeuw geleden al werd toegepast maar toen het veld moest ruimen door de hegemonie van de verbrandingsmotor. Het business model van Tesla is eveneens afwijkend: het richt zich niet op de onderkant van de markt – zoals bij disruptieve innovatie gebruikelijk is – maar juist op de bovenkant. Min of meer hetzelfde geldt voor Apple.

Hoe superieur ook, de theorie van Christensen kan niet alles verklaren. Misschien geldt zij vooral voor de informatietechnologie en veel minder voor andere technologieën. Wellicht is zijn theorie minder van toepassing in een tijdperk waarin voor de ‘ bovenste helft’ (de rijken en zij die rijk willen of denken te worden ) veel producten een status-functie hebben, dus juist aantrekkelijker worden naarmate ze duurder en overbodiger zijn. In de nieuwe hoogtijdagen van Conspicious Consumption, zoals ruim een eeuw geleden Thorstein Veblen (evenals Christensen een nazaat van Noorse immigranten) dit verschijnsel noemde, zou disruptie van onderop weleens minder toonaangevend kunnen worden dan Christensen gedacht of gehoopt had.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten