Kan diftar bij het restafval?

Afval is slecht voor het milieu. Dus ieder voorstel om de afvalberg te doen slinken is welkom. Maar zoals bij alles: je hebt goede en minder goede oplossingen.

S. de Beter (20/1/2020)

Een goede maatregel is het plaatsen van bakken voor of het ophalen van oud papier en karton. Vrijwel iedereen doet mee en het percentage gerecycled papier is hoog. Hetzelfde verhaal voor glas, mede door het statiegeldsysteem. En voor blik, plastic en ander recyclebaar materiaal wanneer deze gescheiden opgehaald of gedeponeerd kunnen worden (wat lang niet overal het geval is).

Let wel, behalve bij statiegeld speelt financiële beloning hier geen enkele rol in het gedrag van de burger. De meeste burgers scheiden afval simpelweg omdat zij vinden dat afvalscheiding een goede zaak is. Voorzover ik weet kent deze aanpak geen negatieve bijeffecten. Financiële prikkels daarentegen hebben vaak wél averechtse effecten (en worden dan door wetenschappers pervers genoemd). Dit inzicht hebben we vooral te danken aan een Israelisch experiment in 1998. Bij zeven van de elf onderzochte kinderdagverblijven moesten ouders na enkele maanden een boete betalen als ze hun kind(eren) te laat ophaalden. Deze oplossing leek rechtvaardig en effectief. Rechtvaardig omdat alleen ouders die te laat komen een vergoeding betalen voor de extra kosten (vooral overuren voor het personeel). Effectief in de verwachting dat ouders liever op tijd zijn dan een boete betalen.

De oplossing bleek een perverse prikkel: juist méér ouders kwamen hun kroost te laat ophalen, en een beetje-te-laat werd bij sommigen veel-later. Konden voorheen het personeel de ouders bestraffend toespreken dat ze alwéér te laat waren, nu werden ze bijna uitgelachen: “ik betaal er toch voor!”. Bovendien bleek het proces onomkeerbaar: toen de boete weer werd afgeschaft, bleven dezelfde ouders nog steeds (veel) te laat komen.

In de discussie over het diftar-systeem kunnen we veel leren van deze Israëlische studie, waarvan de uitkomsten door menig onderzoek zijn bevestigd. Tot ruim 20 jaar geleden hanteerden vrijwel alle gemeenten het solidariteitsprincipe: ieder huishouden betaalde evenveel afvalstoffenheffing, soms gecorrigeerd door het aantal leden per huishouding. Dus hetzelfde principe als bij de aanvang van het Israëlische experiment. Diftar staat voor differentiatie in de tarieven: je betaalt meer heffing naarmate je meer restafval aan de weg zet of in een speciale container deponeert; vergelijkbaar met een boete wanneer ouders hun kind te laat ophalen.

In 2000 woonde bijna tien procent van de Nederlanders in een diftargemeente. In 2006 was dit ruim 14 procent, en in 2017 al ruim 33%. Voor sommigen is deze opmars al voldoende reden om diftar ook in de eigen gemeente in te voeren. Niet echt een sterk argument. “Als iedereen in een stinkende moddersloot springt, waarom zou jij dan hetzelfde doen?” placht mijn vader te reageren als ik mijn gedrag verdedigde met “de anderen doen het ook”.

Ook populair is het verwijzen naar academisch onderzoek, o.a. van Rijksuniversiteit Groningen (2009) en het CPB (2019). Maar ieder onderzoek staat of valt met meetbare, relevante en consistente definities; en op dat punt schieten deze studies ernstig tekort. Neem zwerfafval, dat volgens sommige studies wel, volgens andere niet zou toenemen bij invoering van de diftar. Stuur twee mensen apart door hetzelfde gebied en de een ziet veel meer zwerfafval dan de ander. Vergelijkingen tussen de situatie voor en na de invoering van diftar zijn daarom een hachelijke zaak, zeker als verschillende gemeenten met elkaar worden vergeleken.

Een vergelijkbaar probleem speelt bij een ander kernbegrip: restafafval. Dat is de totale afval minus ……?? En dan beginnen de definitie- en meetproblemen. Degene die braaf zijn papier, glas e.d. wegbrengt, heeft minder restafval dan iemand die al zijn afval bij elkaar flikkert, en zal dus anders op diftar reageren. Als je die twee categorieën op één hoop gooit, ben je algauw appels met peren aan het vergelijken.

Bovendien moet je altijd een vergelijking maken met andere maatregelen die hetzelfde effect zouden kunnen realiseren. Zoals het vaker ophalen van de groene of de grijze container, of meer papier- en glasbakken beschikbaar stellen. Zoals het gescheiden ophalen van blik, plastic of andere recyclebare spullen (of aparte bakken in de nabije omgeving). Of betere afvalscheidingsmachines. Zolang je niet weet welke effecten deze alternatieven kunnen realiseren (onder bepaalde omstandigheden), kan iedere inschatting van de diftar-gevolgen bij het oud papier – of bij het restafval. Die prognose betreft niet alleen beoogde effecten (dan krijg je bijna altijd gelijk) maar vooral onbedoelde effecten – zoals het Israëlisch experiment toont.

Dom is de achterliggende redenering om invoering van de diftar te bepleiten. Voorstanders spreken over burgers die “afval produceren”, alsof zij in hun woning over een machine beschikken die meer of minder afval kan uitspugen. Wat een onzin! Burgers zijn voornamelijk doorgeefluik van het verpakkingsmateriaal (karton, glas, blik, plastic) dat fabrieken en winkels gebruiken om hun spullen bij de consument te krijgen. De consument/burger heeft nauwelijks invloed op deze afvalstroom, met uitzondering van voedsel dat wel wordt gekocht maar niet opgegeten. Het principe ‘de vervuiler betaalt’ – waarmee diftar wordt gerechtvaardigd – moet daarom eerder gelden voor de bedrijven die verpakkingsmateriaal gebruiken (of produceren), dan voor de consument die dit materiaal noodgedwongen moet accepteren. De hoeveelheid restafval bij consumenten lijkt eerder afhankelijk van de mogelijkheden die burgers hebben om de hen opgedrongen verpakking weer gemakkelijk gescheiden kwijt te raken, zoals het succes van de papier- en glasbakken laat zien.

Deze mogelijkheden zijn sterk afhankelijk van de woonomgeving. Als bewoner in het Groningse stadscentrum kan ik mijn afval alleen kwijt bij de papier- en glasbak en bij de ondergrondse container, waar ik de rest moet deponeren. Krijg ik minder restafval wanneer diftar wordt ingevoerd? Natuurlijk niet want zolang er geen aparte bakken voor reclyclebare spullen bijkomen, zou ik niet weten waar ik mijn afval dan wél kwijt kan. Zou ik financieel in de knel zitten, dan kan ik het makkelijkst op afvalstoffenheffing besparen door mijn restafval doodleuk in de glas- en papierbak te deponeren; niemand die het ziet en wordt het wel gezien, dan zal in de stad niemand er iets van zeggen (eerder denken: “ook voor mij een optie?”). Plattelandsbewoners kunnen op andere manieren op restafval besparen. Groente- en plantenafval kan in de achtertuin, veel kan in de allesbrander of open haard , en de rest gaat eventueel in een oude sloot. Dit uitwijkgedrag is desastreus voor het milieu maar de diftar-voorstanders kunnen juichend melden dat diftar de aangeboden restafval drastisch heeft verminderd. Hoe dom kun je zijn.

Komende weken wil de gemeenteraad van Groningen beslissen over invoering van diftar. Een oplossing die in 2017 nog werd verworpen maar vanwege de gemeentelijke herindeling weer op de politieke agenda gezet. Haren, een van de ‘oude’ gemeenten, hanteert namelijk nog steeds een diftar-model en nu moet de rest van de nieuwe gemeente er ook aan geloven, vindt het overwegend linkse bestuurscollege.

Allereerst is het vreemd dat de hele gemeente hetzelfde systeem moet hanteren. Vooral ter linkerzijde wil iedereen zoveel mogelijk diversiteit maar blijkbaar alleen bij natuur en cultuur; niet bij de uitvoering van overheidsbeleid. Terwijl het werken met verschillende modellen als voordeel heeft dat de onderlinge verschillen (positief en negatief) beter zichtbaar worden en nuttige leerprocessen mogelijk zijn. Extra argument: de ‘oude’ gemeenten Ten Boer en Haren zijn platteland en hun bewoners zullen dus anders met afval omgaan dan hoogbouwstedelingen.

Zoals tegenwoordig standaard in beleidsmatig Nederland, heeft de gemeente een heuse enquête laten uitvoeren over het draagvlak onder de bevolking. Weggegooid geld, zoals bij de meeste enquêtes, want zolang de ondervraagden niet hetzelfde verstaan onder de gebruikte begrippen (en de enquête hypothetisch is), is iedere uitkomst op drijfzand gebaseerd. Dat geldt nog sterker voor de onvermijdelijke koffiedikkijkerij: volgens het college leidt diftar tot 70 procent afvalscheiding en gemiddeld 85 kilo restafval – wat dit ook moge betekenen. Wordt er iemand de laan uitgestuurd – zonder vertrekbonus! – als deze slag in de lucht weer eens niet blijkt te kloppen?

Wat mij het meest verbaast: Groen Links is de meest fanatieke diftar-voorstander – en niet alleen in Groningen. Hun partijleider, Jesse Klaver, schreef in 2015 “De mythe van het economisme”. Het boek is oppervlakkig maar de term economisme is treffend. Het “houdt in dat alle maatschappelijke kwesties worden gereduceerd tot financiële of economische problemen’, zo zegt de GL-website. Blijkbaar hebben ze zelf niet in de gaten dat diftar bij uitstek van economisme getuigt. De kernveronderstelling is namelijk dat consumenten hun ‘afvalgedrag’ in de beoogde richting gaan aanpassen als minder restafval wordt beloond met een lagere afvalstoffenheffing. Is er dan werkelijk niemand binnen de partij die de tegenspraak ziet, en aan de orde durft te stellen?

Dit artikel is in verkorte vorm ook te vinden in Dagblad van het Noorden (21/12/20), JOOP en Argus. Mijn repliek op enkele commentaren op dit artikel vindt u hier.

Appendix: is goedheid een schaars goed?

Een verre voorloper van het Israëlische experiment door Gneezy en Rustichini (2000) – en van de nieuwe stroming Gedragseconomie die helaas de verkeerde afslag heeft genomen – is de studie van socioloog en autodidact Richard Titmuss (1970). Deze onderzocht hoe de ‘aanvoer’ van bloed was georganiseerd in GB en VS. De Britten hebben hetzelfde systeem als wij: bloed geven doe je uit goedheid, deftig aangeduid als altruïsme. Je doneert bloed omdat je de minder fortuinlijke medemens wilt helpen die vanwege ziekte of ongeval bloed of plasma hard nodig heeft. In de VS kan men eveneens zijn of haar bloed doneren maar een gedeelte van de bloedaanvoer is afkomstig van arme mensen die hun financiële nood lenigen door bloed te verkopen.

Volgens zijn onderzoek leidt het Amerikaanse systeem tot chronische tekorten, verspilling van bloed, hogere kosten en grotere kans op besmet bloed. Bovendien wordt een groot gedeelte van het beschikbare bloed “geleverd door armen, ongeschoolden, werklozen, zwarten en andere groepen met een laag inkomen”. Het bloed wordt dus overgedragen van de armen naar de rijken. Verder beweert hij dat “commercialisering van bloed en winstbejag de vrijwillige donor grotendeels hebben weggejaagd”. Want als bloed in een commercieel artikel verandert, voelen mensen zich minder verplicht bloed te doneren. Anders gezegd: wanneer de extrinsieke motivatie (wanneer anderen een bepaald gedrag gaan belonen, niet alleen in de vorm van geld) wordt gestimuleerd, gaat dit ten koste van de intrinsieke motivatie.

Dit laatste standpunt kreeg veel kritiek van een van de meest bekende economen in die jaren, Kenneth Arrow die in 1972 samen met John Hicks de Nobelprijs voor de Economie in ontvangst mocht nemen. “Als iemand aan het geven van bloed voldoening ontleent, kan hij daar gewoon mee doorgaan; dat recht wordt nergens door ondergraven”. De extra mogelijkheid van bloedverkoop is positief want het individu krijgt nu een ruimere keus aan alternatieven, zo stelt Arrow. Een typische economenredenering, die echter strijdig is met de werkelijkheid. Want volgens Titmuss liep het aantal bloeddonors terug nadat commercialisering haar intrede deed. Denk ook aan het Israëlische experiment: het instellen van een boete bij te-laat-de-kinderen-ophalen leidde ertoe dat veel ouders zich niet langer moreel verplicht voelden om op tijd te komen. Het aantal te-laat-komers steeg, terwijl zij gelijk zou moeten blijven als we de redenering van Arrow volgen.

Een andere kritiek van Arrow is gebaseerd op de gedachte dat altruïsme een schaars goed is. De vrije markt, waar eigenbelang de norm is, behoedt ons ervoor dat we die beperkte hoeveelheid deugdzaamheid uitputten, zodat zij niet langer beschikbaar is voor andere sociale en liefdadige doelen waar de markt geen rol kan spelen. Weer zo’n typische economengedachte die een normaal mens niet snapt. Want stel dat een liefdespaar bespaart op die eindige hoeveelheid Liefde die hen ter beschikking staat, door elkaar in het begin weinig liefde te geven zodat ze veel overhouden voor de momenten dat ze die wederzijdse liefde hard nodig hebben, bij voorbeeld bij ziekte of andere tegenslagen. Een normaal mens weet dat er tussen mensen juist méér liefde komt als je elkaar vanaf het begin overvloedige liefde geeft. Zoals Aristoteles al schreef in zijn Ethica Nicomachea: “we worden rechtvaardig door rechtvaardig te handelen, gematigd door gematigd te handelen, dapper door dapper te handelen”.

De weergave van het boek van Titmuss en de kritiek van Arrow, inclusief de citaten, is grotendeels afkomstig uit het boek van Michael J. Sandel (2012), Niet alles is te koop, pp. 120-128.

Share

4 Reacties.

  1. Helemaal met u eens, nu al in Heerenveen restafval 0,35 €/kg heffing. Gemeente met uitbestede ( zgn in de markt geplaatst ) hebben totaal geen keus!

  2.  

    Hans Groningen

    Ik heb in een gemeente gewoond waar men al jaren het Diftar systeem heeft en ik zou zeggen niet doen .
    Waarom niet ;
    Afvalbakken bij snelweg parkeerplaatsen worden vol gegooid met vuilnis van Diftar gemeentes .
    Huisvuil toerisme naar gemeentes waar geen Diftar is .
    En dumping in buitengebieden / bossen
    Ik heb het zelf meegemaakt in het dorp waar ik 33 jaar heb gewoond en overal vond men restafval in zakken .
    Dus gemeente Groningen , overweeg of u Diftar in gaat voeren

    en dan nog een opmerking als de Diftar er toch moet komen , zorg er voor dat er ondergrondse containers geplaatst worden voor gratis storten van blik, plastic en incontinentie materialen. O ja , zoals u waarschijnlijk wel op de TV heeft gezien , waar men kleding containers heeft staan word ook restafval in gedumpt .

  3. Ik heb nog even gedacht over een van de reacties “waarom produceert een arm gezin meer afval”. Nou, een van de minder bekende redenen is dat ze veel spullen zonder restwaarde hebben. Niet alleen van de goedkope ketens maar ook veel gekregen en kringloop. Dat spul heeft geen kringloopwaarde meer en is na gebruik afval. De betere buurten verkopen door, geven weg of bieden aan de kringloop aan. De arme buurten hebben geen auto en geen bedrijfscontainer. Ze zitten vast met hun rommel. Voor een grotere stad met studenten, arme wijken en jongeren is diftar een ramp. Enschede blijft liegen over hun diftar maar de bewoners weten beter.

    Dit even ter aanvulling.

  4. Ik zou u gewoon willen bedanken voor uw artikel.

    Bij ons in de gemeente is zopas beslist om vanaf januari 2021 het Diftar-systeem in te voeren en momenteel beraden we ons met een aantal mensen over de vraag of we hier verzet tegen moeten organiseren en hoe we dat dan best doen.

    Elke tekst die ons helpt om een betere en bredere kijk op de kwestie te krijgen, is dus meer dan welkom.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten