Over de dunne lijn tussen wetenschap en commercie (3)

Brievenbusfirma’s (vooral gebruikt voor belastingontwijking) zijn goed voor de Nederlandse economie. Dat is de belangrijkste conclusie van een SEO-rapport uit 2013.

Ondanks de stevige kritiek op dit rapport geeft het Ministerie van Financiën in 2018 dit Amsterdamse onderzoeksbureau wederom opdracht deze sector te onderzoeken. Wordt in het (para-)universitaire onderzoek gebrek aan kwaliteit niet afgestraft? Hoef je alleen de opdrachtgever tevreden te stellen?

Door S. de Beter (12 december 2019)

Een bijzonder hoogleraar Zuivelkunde, tevens directeur van melkfabrikant Campina, laat de Universiteit Wageningen in 2008 een persbericht versturen met als titel “Melk is inderdaad goed voor elk”.

“Wij van Dentaid adviseren Dentaid” kopte de NRC in 2013 bij een artikel over twee Groningse hoogleraren die positief hadden geadviseerd over een mondspoelmiddel waarmee hun eigen bedrijf financiële banden had.

Twee voorbeelden van belangenverstrengeling uit het artikel dat in 2014 in De Groene Amsterdammer verschijnt onder de titel Ondernemende Professoren. Economiehoogleraren komen in dat stuk niet voor. Gebruiken economische onderzoekers andere wegen om (extra) brood op de plank te krijgen? Zit hun ‘meerwaarde’ primair in het legitimeren van bestaande belangen? Wij gaan eens kijken naar een van de vele SEO-rapporten die onder leiding van Barbara Baarsma zijn uitgebracht; een oud rapport (uit 2013) maar er lijkt sindsdien weinig veranderd. Eerst over het belang dat aan economische opinies en rapporten wordt gehecht.

Zijn sommige economen blij met de  financiële crisis?

De volgende grafieken komen uit het mooie artikel van Rutger Bregman in De Correspondent (2015). Economen worden sinds 1970 veruit het vaakst vermeld in Kamerstukken maar hun aandeel loopt aanvankelijk snel terug. Na de val van de Muur – volgens neoliberale economen het definitieve bewijs dat het ‘reëel bestaande socialisme’ heeft gefaald – beginnen de economen echter aan een stevige opmars, de andere ‘influencers’ ver achter zich latend (zie bovenste grafiek).

In de landelijke dagbladen daarentegen (onderste grafiek, met een andere tijdsbalk) breken de economen pas door in 2007, als de financiële crisis losbarst. Hoewel bijna iedereen vindt dat deze door economen voorspeld – of nog beter: voorkomen – had moeten worden, heeft deze financiële crisis de media-economen juist nog belangrijker gemaakt dan ze al waren. Vergeleken met andere sociale wetenschappers hebben ze namelijk een dubbel concurrentievoordeel: ze kunnen recepten aandragen om uit de crisis te komen – overigens zonder de garantie te geven dat deze niet tot een nieuwe crisis zullen leiden – én ze mogen uitleggen waarom de crisis onvoorspelbaar was, ook voor economen.

De invloed van wetenschappers gaat overigens verder dan Kamerstukken, couranten of andere media. Zoals Baarsma het verwoordt: “Achter de deuren gebeurt veel meer dan je leest in de krant”. Wie er achter de deuren veel invloed heeft, kunnen we aflezen uit de Top-200 van invloedrijkste Nederlanders die de Volkskrant jaarlijks publiceert. Deze ranglijst kijkt naar de activiteiten in besturen, raden en commissies; en wordt daarom ook wel aangeduid als de ‘schaduwmacht van notabelen’. In de 2019-editie staat Baarsma op plek 31 (opgeklommen van nr. 45 in 2018), naar het lijkt met de hoogste notering voor onbezoldigde hoogleraren, hoger dan Jan Peter Balkenende (35). En hoger dan Geert ten Dam (47), voorzitter CvB-UvA.

Geen Keynes

Naast haar activiteiten ‘achter de deuren’ doet Baarsma ook graag mee aan het publieke debat over de financiële crisis. In haar openhartige interview mei 2013 (na mijn eerdere artikel over haar niet meer op internet beschikbaar– toeval?) zegt zij daarover het volgende. “De economie mag dan als wetenschap hebben gefaald in het voorspellen van de crisis maar daar zijn we niet de enigen in. Iedereen heeft daar deel aan: toezichthouders, politici en zelfs consumenten die maar op de pof bleven kopen en te hoge hypotheken afsloten.” Dan vergeet zij voor het gemak dat economen pretenderen het beter te weten dan leken. Dat het hun vak is – of zou moeten zijn – om vroegtijdig aan te geven wanneer het verkeerd gaat, en hoe het beter kan. Zeker als ze hoogleraar zijn, worden ze daarvoor bovendien goed betaald, ook qua maatschappelijke status en carrièreperspectief.

Volgens de Utrechtse hoogleraar Brigitte Unger zijn de economen zelfs medeschuldig: “Zij hebben immers de economische beleidsmakers verkeerd geadviseerd, deels omdat zij lobbyisten voor de financiële markt zijn en door dezelfde markt worden betaald, deels omdat zij hun adviezen de afgelopen dertig jaar op volledig verkeerde modellen hebben gebaseerd”, zo lezen we op pagina 79 van haar essay in de lezenswaardige WODC-bundel over de kredietcrisis.

Omdat Baarsma een van de weinig vrouwelijke economie-professoren is en er bovendien niet onaantrekkelijk uitziet, is zij vaak te gast bij Jinek, Pauw en De Wereld Draait Door (DWDD). Wat haar in de mainstream media extra gewild maakt, lijkt vooral het ontbreken van enige vorm van twijfel en nuance te zijn. Zij lijkt in de verste verte niet op John Maynard Keynes over wie Winston Churchill ooit zei: “Nodig je twee economen uit, dan krijg je twee verschillende meningen; behalve als een van die twee Keynes heet, dan krijg je er drie”. Bij Baarsma geen enerzijds, anderzijds. En weinig mitsen en maren. Zij heeft een uitgesproken mening die ze goed kan verwoorden. In deze onzekere tijden stelt de gemiddelde TV-kijker dit zeer op prijs, zo denken de presentatoren en omroepbazen. Zoals een journalist haar populariteit verklaarde: “De wereld snakt naar een frisse econoom die de raadsels van, en het politieke spel rond, het geld klip en klaar kan duiden.”

Een duidelijk oordeel wordt zeker op prijs gesteld bij contractresearch – onderzoek in opdracht van overheden en bedrijven. Als ze voldoende geld hebben – anders gaan ze maar naar de grotendeels verdwenen Wetenschapswinkels waar het onderzoek min of meer gratis is – kunnen ze daarvoor goed terecht bij SEO. “Een van de universiteit (van Amsterdam, SdB) onafhankelijke stichting, al blijven de banden met de wetenschap nauw”, zoals ze het zelf formuleren. Baarsma was hier vanaf 1998 werkzaam, per 2008 als directeur, tot zij in 2016 directeur Kennisontwikkeling werd bij de Rabo.

In de modder

Bij SEO sta ik zogezegd met mijn poten in de modder”. Het is ‘hard werk’, ook omdat ze geen subsidie ontvangen en het optimale uit de markt moeten halen”. Baarsma klinkt hier stoerder dan de werkelijkheid gebiedt. SEO – en menig ander para-universitair onderzoeksinstituut – eet namelijk graag van twee walletjes. Enerzijds presenteert zij zich als een commerciële club die haar eigen broek moet ophouden – anders gaan de concurrenten klagen over een ongelijk speelveld. Anderzijds wil SEO haar onderzoeksresultaten een wetenschappelijk tintje geven, dus is zij gevestigd op het universiteitsterrein en is de directeur tevens (bijzonder of onbezoldigd) hoogleraar. Dit zorgt voor een schemerzone waarin SEO op allerlei manieren creatief gebruik kan maken van het universitaire imago en de facultaire overhead.

Op een andere manier heeft Baarsma wel degelijk in de modder gestaan. In juni 2013 presenteert zij een rapport over brievenbusfirma’s, die door multinationals vooral worden benut om belasting te ontwijken. De opdracht komt van de reeds enkele maanden eerder opgeheven lobbygroep Holland Financial Centre (HFC), met Sjoerd van Keulen van SNS Reaal als voorzitter. De leden van de SEO-klankbordgroep komen vrijwel uitsluitend uit de betrokken financiële dienstverlening (p. 31). Dat geeft niet bepaald een waarborg voor objectief en onafhankelijk onderzoek, dat Baarsma zo belangrijk zegt te vinden.

Baarsma c.s. spreken over een positieve impact van de 12.000 brievenbusmaatschappijen die Nederland – lees Amsterdam-Zuidas – toen rijk was. Zij dragen in 2010 ruim drie miljard euro bij aan de Nederlandse economie in de vorm van belastingen, loonkosten en diensten die zij inkopen. Bovendien verschaffen zij – direct en indirect – werkgelegenheid aan ongeveer negenduizend tot dertienduizend voltijdbanen. Toenmalig staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD) is zeer in zijn nopjes: “Ik kan de banen niet missen, ik kan de inkomsten niet missen”.

SEO geeft toe dat er voor ontwikkelingslanden wèl nadelen zijn, want zij lopen volgens het rapport 145 miljoen euro aan belastinginkomsten mis door de Nederlandse route. Volgens SOMO-onderzoekers gaat het echter om een veel groter bedrag. De 28 ontwikkelingslanden die zij in 2013 hebben onderzocht verliezen jaarlijks € 771 miljoen aan inkomsten, omdat het geld verdwijnt via Nederlandse brievenbussen. Het gaat om een conservatieve schatting omdat alleen verliezen op dividend- en rentestromen zijn meegerekend.

SEO lijkt er bovendien vanuit te gaan dat in Nederland alleen buitenlandse bedrijven brievenbusfirma’s gebruiken om belasting te ontwijken, en dus hun overheden benadelen. Maar multinationals van eigen bodem doen daar net zo hard aan mee, en benadelen daarmee de Nederlandse belastingbetalers. Dit blijkt uit mijn verkennend onderzoek, dat zich uitstrekt over de periode 2008-2014 (wat meer informatie oplevert dan de momentopname van SEO). Multinationals van Nederlandse signatuur hadden in 2014 bij gemiddeld 25 procent van hun bedrijfseenheden meer dan 6 werknemers in dienst, wat ik als indicator voor een productieve bedrijfseenheid beschouw. Het aandeel van de fiscale eenheden (met nul of één werknemer) steeg van 58 naar 60 procent in de periode 2008-2014. De tussencategorie — met twee tot vijf werknemers — bleef onveranderd op 14%. In dit opzicht mogen we ons land als een Angelsaksisch land beschouwen want bij Amerikaanse en Britse ondernemingen die in Nederland gevestigd zijn, ligt het aandeel fiscale eenheden op respectievelijk 63 en 69 procent, veel hoger dan bij Japanse en Duitse ondernemingen met respectievelijk 50 en 41 procent.i

Ook op andere punten heeft het SEO-rapport veel kritiek gekregen. Publiekelijk reageert SEO-directeur en mede-auteur Baarsma alleen op de kritiek van haar collega-hoogleraren Sweder van Wijnbergen en Arnoud Boot, die spreken van een ‘stupide’ onderzoek en een ‘pijnlijke blunder’. Zij zegt dat er een andere rekenmethode is gehanteerd dan in het rapport staat omschreven. “Dat is onduidelijk”. Maar ze blijft bij haar standpunt dat de discussie nu eindelijk “op basis van de juiste cijfers” gevoerd kan worden: “Wij blijven achter de inschatting van het aantal fte staan”. Ondanks alle kritiek staat het rapport nog steeds ongewijzigd op de SEO-website, zonder enige verwijzing naar de vele negatieve commentaren die na publicatie zijn verschenen.

U vraagt, wij draaien

Misschien getuigt haar houding van een manische koppigheid maar er zit ook een ijzeren commerciële logica achter. Op deze manier wordt duidelijk gemaakt dat de opdrachtgever altijd krijgt waarvoor is betaald; dat het ingehuurde onderzoeksinstituut pal achter de uitkomsten blijft staan. Een vorm van commitment die het goed doet op de markt voor contractresearch. En wordt beloond: SEO krijgt in 2018 opnieuw opdracht de brievenbusfirma’s te onderzoeken, dit keer van het Ministerie van Financiën (zie hier voor het onderzoeksverslag)

Opdrachtgevers worden zelden gedreven door intellectuele nieuwsgierigheid; zij willen graag door anderen (liefst hoogleraren) bevestigd zien wat zij al wisten en wilden. Op deze markt moet je dus vaak vuile handen – of modderige poten – maken om overeind te blijven. Ga je niet mee in het stramien van ‘U vraagt, wij draaien’, dan betaal je een hoge prijs. Zoals het Tilburgse onderzoeksinstituut IVA moest ervaren. Na ruim een halve eeuw sloot dit para-universitaire instituut in november 2012 de deuren, waardoor 35 mensen hun baan verloren. Vooral de recessie is daar debet aan, maar is niet de enige oorzaak, aldus IVA-directeur Marc Vermeulen. “We kregen steeds vaker het verzoek onze vraagstelling en conclusies richting het ingezet beleid te sturen. Maar wij weigerden dat.”

SEO daarentegen is met circa 40 wetenschappers nog steeds springlevend. Voegt dit Amsterdamse onderzoeksinstituut zich dan wél geruisloos naar de wensen van de opdrachtgever? Geen sprake van, zegt Baarsma in 2014. “De onafhankelijkheid van het SEO-onderzoek houdt in dat het wordt uitgevoerd zonder vooringenomenheid, politieke kleuring of persoonlijk belang. Dat gaat volgens afspraak met de opdrachtgever, maar zonder dat deze medebepalend is voor de onderzoeksresultaten en zonder dat de resultaten van het onderzoek afhankelijk zijn van een financieel belang. SEO heeft een gedragscode die deze principes verder uitwerkt. Om de onafhankelijkheid en de wetenschappelijke kwaliteit te waarborgen zijn SEO-rapporten als regel openbaar. Publicatie maakt wetenschappelijke toetsing door vakgenoten mogelijk en stelt iedereen in staat onze onafhankelijkheid te beoordelen”. Klinkt mooi maar in de praktijk zijn het loze woorden.

Met een gedragscode zit je altijd goed

Beginnen we met die gedragscode van SEO, wat stelt deze nu eigenlijk voor? Gedragscodes zijn in het huidige Nederland een soort Haarlemmerolie: wordt een organisatie of sector geplaagd door schandalen of vermoedens van gedrag dat niet door de beugel kan, dan wordt een gedragscode als de ultieme oplossing gezien. Zo heeft de bankensector na de onverkwikkelijkheden die in de loop van de financiële crisis aan het licht kwamen, de gemoederen gesust met een bankierseed. Vanaf 1 april 2016 – geen grap – moest iedere bankemployee (van koffiejuffrouw tot CEO) beloven “dat ik een zorgvuldige afweging maak tussen de belangen van alle partijen die bij de onderneming zijn betrokken, te weten die van de klanten, de aandeelhouders, de werknemers en de samenleving waarin de onderneming opereert [en] dat ik in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen” (hier meer over de bankierseed).

Ook de accountants, die de nodige kritiek ontvingen in de nasleep van de financiële crisis, hebben hun toevlucht genomen tot de gedragscode. Vanaf 1 mei 2017 moesten alle ingeschreven actieve accountants een eed hebben afgelegd, “die bij moet dragen aan herstel van vertrouwen in het accountantsberoep”.

SEO kon natuurlijk niet achterblijven in de vloedgolf van gedragscodes die Nederland sinds de financiële crisis heeft overspoeld. Zij hebben zich wijselijk beperkt tot het ongevaarlijke thema ‘belangenverstrengeling’. Iedere medewerker mag vanaf maart 2017 niet werken aan een onderzoeksopdracht wanneer zij/hij een commerciële of andersoortige relatie heeft met de opdrachtgever, of op een andere manier baat heeft bij een bepaalde uitkomst van het onderzoek. Volstrekt loze praat want in dat geval zet je officieel toch gewoon een andere SEO-er op de betreffende klus – die je om zo’n niemendalletje natuurlijk nooit moet laten lopen.

Openbaarheid van de onderzoeksrapporten, een ander argument van Baarsma, is bij contract-research niet genoeg. Niemand neemt de moeite om ze uitgebreid te bestuderen, temeer omdat de meeste slecht geschreven zijn en bij lezing meer vragen dan antwoorden opleveren. Het enige dat bij contract-research zoden aan de dijk zet: pas de richtlijnen toe die inmiddels steeds meer voor het andere academische onderzoek gelden. Een daarvan is het beschikbaar stellen van de databestanden die bij het onderzoek zijn gebruikt; bij het SEO-rapport (2013) gaat het om de gegevens van de 12.000 brievenbusmaatschappijen waarop hun conclusies zijn gebaseerd. Alleen in dat geval zijn andere onderzoekers (en onderzoeksjournalisten) in staat kritiek te leveren op de uitkomsten van het onderzoek, eventueel op last van de opdrachtgever die een second opinion wil.

Repliceerbaarheid is het algemene principe waar het hier om gaat. Dat de laatste jaren eindelijk de aandacht krijgt die het verdient (ook bij NWO, zij het op een halfslachtige manier). Iets wat verder gaat dan het beschikbaar stellen van databestanden en ander onderzoeksmateriaal. Een studie is pas repliceerbaar wanneer andere onderzoekers precies weten hoe ze het onderzoek moeten herhalen om de oorspronkelijke uitkomsten te controleren. In dit opzicht schiet het SEO-rapport schromelijk tekort.

Tegengeworpen kan worden repliceerbaarheid alleen belangrijk is voor academisch onderzoek dat in vaktijdschriften wordt gepubliceerd. Maar waarom zou dit principe alleen dáár moeten gelden? Sterker nog, zeker in de gamma-wetenschappen zijn veel wetenschappelijke artikelen nauwelijks relevant buiten de kleine groep wetenschappers die zich op hetzelfde onderwerp hebben gestort. Het zal de rest van de samenleving worst zijn of de ene dan wel de andere theoretische stroming het gelijk aan haar zijde heeft – niemand heeft er voor- of nadeel van, behalve de belastingbetaler die deze academische hobby’s financiert.

Contractresearch daarentegen wordt overwegend ingezet om bestaand of nieuw beleid te legitimeren, wat vaak voor grote delen van de bevolking ernstige gevolgen heeft. We moeten niet te licht denken over de invloed die rapporten van SEO en andere onderzoeksinstituten uitoefenen op de politieke besluitvorming. In toenemende mate is legitimering daar de drijvende kracht. Om het een beetje te overdrijven: alles is toegestaan, zolang je het beleid of de maatregel kunt legitimeren – door te verwijzen naar een bekend(e) wetenschapper of onderzoeksbureau. Deels gebeurt dit achter gesloten deuren, deels via de publieke discussie – waar (zie de grafieken) economen een steeds grotere stem hebben gekregen.

Momenteel zijn het voornamelijk onderzoeksjournalisten die (tijdelijk) wat tegenwicht kunnen bieden. Waarom is er geen instituut waar ze kritisch kijken naar onderzoeksrapporten in opdracht van (semi)overheid en (georganiseerd) bedrijfsleven – of grote bedrijven, een taak die heel wat verder gaat dan wat de Algemene Rekenkamer nu doet (namelijk bekijken of organisaties zich aan hun eigen procedures en richtlijnen houden, zonder een inhoudelijke toetsing.

Zo’n waakhond, hard nodig om countervailing powers te voeden, moet zich trouwens niet alleen richten op officiële onderzoeksinstituten zoals SEO en IVA. Individuele hoogleraren schnabbelen ook graag bij, door een rapportje in opdracht te schrijven. Sommigen vinden dan de wens van de opdrachtgever belangrijker dan waarheidsvinding.

Zou het helpen om bepaalde gedragscodes te hanteren, om uitwassen te voorkomen? Zoals ik in de vorige blog beschrijf: officieel moeten hoogleraren hun nevenfuncties melden aan hun werkgever, maar als je dat niet doet, wordt je als hoogleraar heus niet ontslagen. De werkgever (dus de faculteit of universiteit) heeft vaak zelf ook veel belang bij sommige nevenfuncties, en weinig belang bij openbaarheid daarover. Bovendien: moet je incidentele schnabbels als nevenwerkzaamheden beschouwen, waar het meestal gaat om een (middel)lange-termijn relatie?

De universitaire branchevereniging VSNU heeft het afgelopen halfjaar een consultatieronde gehouden over een nieuwe Code Goed Bestuur die per 1 januari 2020 van kracht is (en binnenkort wordt gepubliceerd). De huidige code ​dateert uit 2006 en is sindsdien marginaal aangepast (voor het laatst in 2017). Daarin wordt gesproken over ‘marktactiviteiten’, die “niet uit de publieke middelen (de rijksbijdrage) bekostigd worden”. In de nieuwe versie daarentegen wordt in het geheel niet gesproken over deze marktactiviteiten als aparte categorie (die een aparte verantwoording vereisen). Wel heeft de VSNU inmiddels richtlijnen – wat is daarvan de juridische status? – vastgesteld over publiek-private samenwerking.

Met deze Code en richtlijnen kun je echter niet voorkomen dat hoogleraren zich tegen betaling inzetten voor een ieder die hun reputatie goed kan gebruiken. Een notoir voorbeeld uit de VS is F. S. Mishkin, hoogleraar aan de Columbia University en tussen 2006 en 2008 lid van de Raad van Bestuur van de Amerikaanse Centrale Bank. In 2006 schrijft hij mee aan een rapport onder de titel Financial Stability in Iceland, in opdracht van de IJslandse KvK, waarmee hij 124.000 dollar verdient. Twee-en-een-half jaar later spat de financiële luchtbel in IJsland uiteen. Volgens de documentaire Inside Job, heeft hij toen op zijn cv de titel van zijn rapport veranderd in Financial Instability in Iceland (inmiddels weer teruggedraaid). Hoewel tot begin 2014 benoemd, heeft hij in mei 2008 ontslag genomen bij de Centrale Bank, officieel om aan zijn leerboek te werken en zijn onderwijsverplichtingen na te komen. Waar we ook niet gelukkig mee moeten zijn, want volgens Anat R. Admati c.s. (sectie 3.3.) bevatten zijn leerboeken een aantal ernstige gebreken en fouten.

Is Volberda de Nederlandse Mishkin?

Menige Nederlander denkt dan: dat is het superkapitalistische Amerika, zoiets komt in ons land niet voor. Ten onrechte, ook in dit opzicht worden we steeds meer Angelsaksisch. Denk aan hoogleraar Henk Volberda die we vooral kennen als de jarenlange promotor van ‘sociale innovatie’ – en daar valt bijna alles onder. Wat er vermoedelijk niet onder valt is afschaffing van de dividendbelasting, maar ook voor dit onderwerp wil Volberda blijkbaar graag zijn expertise inzetten.

In 2009 schrijft hij met Rotterdamse collega’s over het vestigingsbeleid voor hoofdkantoren van multinationals, een rapport dat later opduikt in de politieke discussie over de afschaffing van de dividendbelasting. Het rapport heeft het zelf – met opzet? – alleen in algemene termen over fiscale maatregelen. Volberda en kompanen gaan niet protesteren wanneer hun rapport als enige wetenschappelijke studie wordt gebruikt ter legitimering van het regeringsvoorstel. Hij hanteert een eeuwenoud opportunistisch argument: wij hebben alleen de feiten aangedragen, het is aan de politiek om deze al of niet te benutten in de politieke discussie, of om een beleidsvoorstel een wetenschappelijke fundering te geven.  Mensen zoals hij (en daar horen de meeste economen bij, ook Baarsma) raad ik het mooie artikel van Anat R. Admati aan, met een titel die er niet om liegt: “There is  No Economics without Politics“.

Hun rapport is voornamelijk gebaseerd op gesprekken met topmanagers bij Nederlandse en buitenlandse multinationals. Dat de ‘feiten’ dus eigenlijk hun percepties zijn, ziet Volberda niet als een probleem. Want, zo zegt hij, mensen handelen op basis van hun perceptie van de werkelijkheid. Een oude sociaal-wetenschappelijke waarheid, die echter altijd moet worden gecombineerd met een andere waarheid: soms hebben mensen er belang bij om hun ‘percepties’ even flink op te kloppen. Vooral als ze weten dat de weergave van hun percepties kan worden benut voor een wetenschappelijke legitimering van beleid dat zij graag willen zien of behouden.

Ook op een ander front is er van alles mis met het rapport van Volberda, zoals Follow the Money omstandig laat zien. Zo laat het onderzoeksrapport onvermeld dat (naast VNO-NCW) Unilever, DSM, Philips. Akzo Nobel en Shell tot de opdrachtgevers en financiers behoren. Iets wat Volberda glashard ontkent, terwijl de onderzoeksopdracht op Shell-briefpapier is gedrukt.. Daarom is in november 2017 bij de Erasmus-Universiteit een aanklacht tegen hem ingediend wegens vermeende strijdigheid met de wetenschappelijke integriteit (voor de achterliggende motivatie, zie hier).

De uitslag van deze juridische procedure is officieel nog niet bekend als hij in januari 2019 als hoogleraar wordt benoemd bij de UvA-Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB). Wilde Han van Dissel, decaan van de FEB, zijn vroegere collega uit Rotterdam graag een helpende hand bieden? Zoals hij ook graag mensen helpt die hoog in de boom zitten bij grote bedrijven en bij (semi-)overheid, door een onbezoldigde hoogleraarsstoel ter beschikking te stellen (zie mijn vorige blog).

In Nederland helpen wij elkaar, vooral ‘ons soort mensen’. Een geruststellende kerstgedachte, helaas niet voor iedereen.

Dit is de derde en (voorlopig) laatste aflevering van de mini-serie ‘Over de dunne lijn tussen wetenschap en commercie’. De voorgaande afleveringen vindt u hier en hier.

Met dank aan Pieter Geenen voor het beschikbaar stellen van zijn strip die op 20 mei  2016 in Trouw verscheen.

i Dat betrekkelijk veel Nederlandse ondernemingen hun productieve activiteiten in het buitenland hebben ondergebracht en de Nederlandse onderdelen alleen gebruiken voor financiële en fiscale transacties, blijkt ook uit de volgende cijfers. Bijna een kwart van de Nederlandse concerns heeft in Nederland uitsluitend fiscale eenheden in bezit, bij hun buitenlandse collega’s is dat slechts13%. Ook bij het aandeel van ondernemingen die in Nederland louter productieve bedrijven onder hun hoede hebben, zien we een groot verschil tussen Nederlandse en buitenlandse concerns: 6 tegenover 18 procent.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten