De stille opmars van de gratis professor

Wie wil dat niet, hoogleraar zijn? Deuren gaan voor je open, journalisten vragen je mening, je staat op de hoogste trede van de academische ladder. En die toga en muts die je af en toe mag dragen doen je herinneren aan de verkleedpartijtjes uit je jeugd.

Hoogleraar worden daarentegen is wat minder relaxed i. Om dit vermoeiende, onzekere en soms vernederende pad naar boven te vermijden, leek tot dusver de bijzondere leerstoel het enige alternatief. Er is ook een andere optie maar niet voor iedereen en met enkele negatieve bijeffecten voor de academische bedrijfstak.

S. de Beter (9/12/2019)

Als Barbara Baarsma in 2009 wordt benoemd als directeur van het Amsterdamse onderzoeksinstituut SEO, krijgt zij – net als haar voorgangers – automatisch een bijzondere leerstoel bij de economische faculteit van de UvA. In 2014 zou zij normaliter een tweede termijn krijgen, van weer vijf jaar. Blijkbaar geeft deze verlenging problemen want pas anderhalve maand na het verstrijken van de eerste termijn wordt Baarsma opnieuw benoemd, nu echter als ‘onbezoldigd gewoon hoogleraar’. En dat blijft zij wanneer zij in 2016 overstapt naar de Rabobank, tot op de dag van vandaag. Haar opvolger bij SEO, Bas ter Weel, wordt eveneens onbezoldigd hoogleraar.

Gaat het hier om een uitzonderlijke situatie, specifiek voor Baarsma of SEO, of moeten we spreken van een nieuwe trend? Is die trend beperkt tot het Roeterseiland, waar de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB) is gevestigd, of geldt zij voor de hele UvA? En maakt het eigenlijk iets uit of een hoogleraar onbezoldigd is of een bijzondere leerstoel bekleedt?

Op het eerste gezicht niet, want in beide gevallen komt de financiering van buiten, en niet van onze belastingcenten. Er is echter een belangrijk verschil. Op hun persoonlijke universiteitswebsite noemen bijzondere hoogleraren vrijwel altijd de stichting die hun leerstoel financiert. Onbezoldigde hoogleraren daarentegen vermelden niet eens dát ze onbezoldigd zijn – als hoogleraar dan. Alsof niemand dit mag weten. Vanwaar deze geheimzinnigheid? En om hoeveel gratis professoren gaat het eigenlijk?

Drie soorten professoren

Voor de UvA kunnen we deze laatste vraag globaal beantwoorden dankzij het Album Academicum, een databestand dat deze universiteit bij haar 375-jarig bestaan in 2007 heeft gepubliceerd. De drie belangrijkste categorieën professoren zijn: gewone, bijzondere en onbezoldigde gewone hoogleraren. i

De gewone professoren, de grootste categorie, worden normaliter ‘voor het leven benoemd’. Anders gezegd: als ze niet zélf naar elders verkassen, komt de universiteit nooit meer van ze af, tenzij er sprake is van fraude (Stapel) of een MeToo-gevalletje (Beltzer).

Bijzondere hoogleraren krijgen een aanstelling voor vier of vijf jaar, die iedere keer opnieuw verlengd kan worden. Zij zijn bij de UvA erg populair geworden: hun aantal is gegroeid van 37 in 1980 naar 254 in 2019. In procenten van het totaal aantal leerstoelen steeg hun aandeel van 9 naar 29 procent. Hun leerstoel, meestal 1 dag in de week, wordt gefinancierd door een aparte stichting. Vaak gaat het om maatschappelijke organisaties die een relatie met de universiteit willen onderhouden, variërend van “instituten zoals het Koninklijk Instituut voor de Tropen, tot Stichting Nationaal Popinstituut, tot Wiardi Beckman Stichting en het Nederlands Kankerinstituut. Strikt genomen heeft een bijzonder hoogleraar dus geen benoeming aan de universiteit”, aldus Album Academicum.

Dit laatste geldt wel voor de derde categorie, de onbezoldigd gewoon hoogleraar (OGH), die we gemakshalve een gratis professor kunnen noemen. Ze worden niet betaald, maar “net als voor gewoon hoogleraren [wordt] een officieel aanstellingsbesluit opgesteld”. Bij de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB) is deze categorie erg populair geworden. Was zij in 1990 nog een onbekend verschijnsel, inmiddels zijn er volgens dit databestand al 16 onbetaalde professoren – terwijl het aantal bijzondere leerstoelen na 2010 weer afnam, van 11 naar 7.

Officieel onbezoldigd

Deze derde categorie kent twee groepen. “Ten eerste zijn er hoogleraren die met emeritaat zijn, maar nog voor een bepaalde tijd onbezoldigd promovendi begeleiden, onderzoek doen of af en toe een college geven. Daarnaast zijn er gewoon hoogleraren die een officiële onbezoldigde aanstelling hebben”. Om de indruk weg te nemen dat het levenslange erebaantjes betreft, wordt toegevoegd dat het “hier meestal om een tijdelijke aanstelling (gaat), vaak in deeltijd, omdat de betreffende hoogleraar elders een hoofdbetrekking heeft”.

Maar bij FEB zit geen enkele onbetaalde professor in de eerste categorie en moet die tijdelijkheid van de tweede categorie met een flinke korrel zout worden genomen. Frans van Schaik is al vanaf 2004 onbezoldigd, Hans Strikwerda zelfs al sinds 1999; volgens eigen zeggen ging het bij Strikwerda om een “nul-aanstelling van 1 dag in de week”, een constructie die je vooral bij uitzendkrachten aantreft. Voor deze hoogleraren is – net als voor Baarsma (Rabo) – hun werk in het bedrijfsleven geen nevenfunctie maar hoofdactiviteit. Van Schaik is partner bij Deloitte en Strikwerda heeft een eigen consultancybureau. Juist het hoogleraarschap is voor hen een nevenfunctie, zeer aantrekkelijk voor hun baas of opdrachtgever die met een hoogleraar kan pronken en voor hun persoonlijke carrière. Opvallend is dat Strikwerda op zijn universitaire profielpagina niet vermeldt dat hij consultant is maar op de website van zijn consultancy bureau wél dat hij UvA-hoogleraar is. Zouden zijn ideeën over multidimensionaal organiseren en Shared Service Centers (voor een kritiek, zie hier en hier) even populair zijn geworden zonder hoogleraarstitel? Ook de economische faculteit heeft kennelijk voordeel van een gratis leerstoel – gezien het warme onthaal bij decaan Han van Dissel. Er lijkt kortom sprake van een win-win-win-situatie.

Voor sommigen heeft de onbezoldigde leerstoel inderdaad een tijdelijke karakter. Voordat Marc Francke en Frank Kleibergen als gewoon hoogleraar worden aangesteld in resp. 2011 en 2015, zijn ze eerst een paar jaar onbezoldigd (allebei vanaf 2009). Hebben ze deze overbruggingstijd benut om decaan en collega’s warm te krijgen voor hun ‘echte’ hoogleraarschap? Er zijn trouwens ook bijzondere hoogleraren die daarna gewoon hoogleraar zijn geworden iii

Overigens worden de gratis professoren niet alleen bij het bedrijfsleven ‘geworven’. Zo is Klaas Knot, directeur van De Nederlandse Bank, als OGH verbonden aan de FEB alsmede aan de Rijksuniversiteit Groningen (daar wordt hij ‘honorair hoogleraar’ genoemd). Jeroen Hinloopen is een ander voorbeeld. Hij was gewoon hoogleraar bij de UvA alvorens in 2015 over te stappen naar de Universiteit Utrecht. Toen hij bij het CPB onderdirecteur werd, kreeg hij al gauw een onbetaalde leerstoel op Roeterseiland.

Bij de andere UvA-faculteiten lijkt deze categorie evenzeer populair. Voor de universiteit als geheel is het aantal onbezoldigde hoogleraren gestegen van 13 in 1980 naar 83 in 2019. Ik heb niet geteld hoeveel daarvan emeritus-hoogleraar zijn, dus behoren tot de eerste groep die het Album Academicum onderscheidt en waar niemand problemen mee zal hebben. Zoals gezegd is universiteitsbreed het aantal bijzondere leerstoelen eveneens toegenomen, terwijl er bij de FEB er eerder sprake is van substitutie.

Hoe zit het bij de andere universiteiten? “NARCIS is dé nationale portal voor wie informatie zoekt over wetenschappers en hun werk”, zo meldt de website vol trots. Zoeken op ‘onbezoldigd hoogleraar’ levert 91 treffers op. Een actueel en volledig overzicht is echter niet gegarandeerd, omdat bij NARCIS academici zélf hun gegevens kunnen aanpassen en actualiseren. Zo bekleedt Baarsma volgens NARCIS nog steeds de bijzondere leerstoel van SEO, terwijl haar publicaties wél zijn geactualiseerd. Bij de UvA hebben slechts acht hoogleraren (waarvan de helft met emeritaat) zelf opgegeven dat zij onbezoldigd zijn; heel wat minder dus dan de 83 hoogleraren die Album Academicum noemt.

Wat is het probleem?

Wat is nu eigenlijk het probleem, zullen sommige lezers denken. De universiteit krijgt gratis onderwijs- en onderzoekscapaciteit! Wat is daar mis mee?

Zo eenvoudig ligt het niet. Om te beginnen: als het voor iedereen voordelen biedt, waarom dan die geheimzinnigheid? Bovendien leveren die onbezoldigde hoogleraren in de praktijk nauwelijks een substantiële bijdrage aan onderwijs of onderzoek. Juist het feit dat ze onbezoldigd zijn, biedt hen een excuus om zich te onttrekken aan onwelgevallige verplichtingen, en zich te beperken tot activiteiten die alleen voor henzelf of voor hun werkgever zinvol zijn. De meesten nemen niet eens de moeite om hun ‘nevenfuncties’ te vermelden.

De OGH-constructie zorgt ervoor dat er nog meer mannelijke hoogleraren komen. De onbezoldigde hoogleraren op Roeterseiland hebben namelijk allemaal een toppositie in het bedrijfsleven of (semi)overheid, wat nog steeds vooral voor (witte) mannen is weggelegd. Daarom vond Van Dissel het vermoedelijk erg fijn dat Barbara toch nog kon blijven als hoogleraar – beter voor het gender-profiel van de faculteit.

Bij de UvA als geheel is slechts 5 procent van de onbetaalde hoogleraren vrouw, en dat is sinds 2000 niet veranderd. Bij de UvA-professoren met een bijzondere leerstoel daarentegen ligt het aandeel vrouwen inmiddels boven de 25 procent. Heel wat beter dus voor het inclusiviteits- en diversiteitsbeleid dat universiteiten zeggen te voeren.

Academische onderonsjes

Naast deze gender-bias is er een ander belangrijk verschil tussen bijzondere en onbetaalde leerstoelen. Bij een bijzondere leerstoel zou er in ieder geval een stichtingsbestuur behoren te zijn om de juiste kandidaat te selecteren en toe te zien op de naleving van de afspraken die bij de benoeming zijn gemaakt. Bovendien moet de aanstelling iedere vier of vijf jaar worden verlengd, en dus zou een bijzondere hoogleraar op z’n minst periodiek een deugdelijke terug- en vooruitblik moeten laten zien. De aanstelling van een onbetaalde hoogleraar lijkt daarentegen bij uitstek tot stand te komen in een onderonsje met de decaan, die hoogstens wat weerstand bij de ‘echte’ hoogleraren moet wegmasseren. Zoals vermoedelijk het geval was bij de herbenoeming van Baarsma in 2014. Twee UvA-hoogleraren, Sweder van Wijnbergen en Arnoud Boot, hebben in 2013 vernietigende kritiek geleverd op haar SEO-rapport over brievenbusfirma’s. Zij hebben het over een ‘stupide’ onderzoek en een ‘pijnlijke blunder’ wat betreft de rekenmethode die door SEO is gehanteerd.

Is dit de reden dat volgens het Album Academicum Baarsma pas op 14 april 2014 wordt benoemd terwijl de ambtsaanvaarding op 1 maart (dus zes weken eerder) staat geregistreerd? Dat is vreemd, want normaal gesproken moet iemand eerst worden benoemd, voordat deze de benoeming kan aanvaarden.

Is dit tevens de reden dat de aanstelling van Baarsma verandert van bijzonder naar onbezoldigd hoogleraar? Of voorziet zij dan al de problemen bij een eventuele nieuwe baan. Begin 2016 stapt zij over naar de Rabo. Had zij toen nog een bijzondere leerstoel, dan zou deze alleen gecontinueerd kunnen worden als SEO of Rabo deze leerstoel voortaan ging betalen. In beide gevallen zou dit vragen oproepen. En daarmee komen we op een belangrijk voordeel van het onbezoldigde hoogleraarschap: er is geen haan die ernaar kraait want niemand hoeft de portemonnee te trekken. Baarsma hoeft alleen haar nieuwe werkgever om toestemming te vragen haar hoogleraarschap voort te zetten. Die natuurlijk geen Nee zegt, want de mening van Rabo-bestuurders wordt een stuk meer waard als deze is ontsproten aan het brein van een ‘echte hoogleraar’. Afgezien van een incidenteel gastcollege, zijn er nauwelijks verplichtingen verbonden aan de onbezoldigde leerstoel – zoals structureel tijd besteden aan onderwijs en (academisch) onderzoek.

Het fenomeen onbezoldigde hoogleraar en daarbij benodigde onderonsjes – toch al veel te dominant op de Nederlandse universiteit – heeft daarnaast allerlei ongewenste neveneffecten. Wie je kent wordt dan nog belangrijker dan wat je kunt. Bovendien heeft de wetenschap (zeker de economische) toch al aan imago ingeboet en dat wordt er niet beter op wanneer je zo makkelijk hoogleraar kunt worden – als je maar bij de juiste organisatie werkt. Daarnaast krijgen grote bedrijven via ‘hun’ onbetaalde hoogleraar eerder toegang tot de academische wereld – zodat ze hun handelen makkelijker kunnen legitimeren.

Dit leidt uiteindelijk tot wat ik de morele versie van ‘trickle down’ wil noemen: als mensen aan de top (met veel politieke of financiële invloed) makkelijker aan een vooraanstaande positie zoals een hoogleraarschap kunnen komen, dan moeten we niet verbaasd zijn dat vriendjespolitiek en nepotisme geleidelijk de hele maatschappij doordrenken. Deze morele trickle down die een hoger realiteitsgehalte heeft dan de economische versie, vooral verkondigd door de veelverdieners aan de top – wordt flink gevoed door het gebrek aan transparantie. Afgezien van Knot, vermeldt geen van de huidige onbetaalde UvA-FEB-professoren dat zij een onbezoldigde leerstoel bekleden. Het officiële aanstellingsbesluit, de benoemingsprocedure en gemaakte afspraken blijven eveneens in nevelen gehuld.

Daarmee vormen zij geen extreme uitzondering in de academische wereld. Minder dan de helft van alle hoogleraarsbenoemingen komt via een openbare vacature en een officiële sollicitatiecommissie tot stand, zo constateerde de Nijmeegse hoogleraar Marieke van den Brink ; de rest vindt dus in de schemerzone plaats. In 2014 publiceerde een groep onderzoeksjournalisten (de Onderzoeksredactie) in De Groene Amsterdammer een alarmerende artikel over de vele nevenwerkzaamheden (gemiddeld 3,7 per hoogleraar) en vooral over het gebrek aan informatie daarover. De toenmalige minister Bussemaker vond alleen het tweede een probleem: “Het bestaan van nauwe banden tussen universiteiten met commerciële en niet-commerciële maatschappelijke partijen juich ik toe, mits hierover transparantie bestaat”.

Kijk je alleen naar de universitaire cao, dan lijkt het allemaal goed geregeld: “Geen toestemming wordt verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden […] waarbij (de schijn van) belangenverstrengeling met universiteitswerkzaamheden aanwezig is”. Maar volgens de Onderzoeksredactie wordt een derde van alle bijbanen van hoogleraren niet vermeld; die kun je dus ook niet controleren op “(de schijn van) belangenverstrengeling”. Een cao regelt bovendien alleen afspraken tussen werkgever en werknemer, niet wat de werkgever – dus de universiteit – moet doen jegens de overheid of de samenleving.

Anders gezegd: de hoogleraar moet wél zijn of haar nevenactiviteiten aan de universiteit melden, maar deze kan vervolgens ongestraft besluiten om de informatie niet publiekelijk te maken. En zij kan evenmin haar hoogleraren verplichten een volledig en actueel overzicht te verstrekken op hun profielpagina.

100% transparant

De oplossing is radicaal maar simpel: 100% open kaart. Voor alle categorieën hoogleraren, en misschien zelfs voor het hele wetenschappelijke personeel iii. Iedereen krijgt een persoonlijke website waarop de universiteit – en dus niet de werknemer – de volgende gegevens moet vermelden. Ten eerste welke organisatie de leerstoel financiert en de salarisschaal die van toepassing is. Dat is een snelle manier om te zien wie gewoon, onbezoldigd (salarisschaal nul) of bijzonder hoogleraar is. Tevens wordt zo duidelijk welke enorme inkomensverschillen er bij de universiteit bestaan. Daaraan gekoppeld moet ook de arbeidsrechtelijke status van het ‘dienstverband’ worden vermeld: gaat het om een aanstelling ‘voor het leven’ of om een tijdelijk dienstverband? Ik wed dat de grootverdieners ook de meeste zekerheden blijken te hebben.

Daarnaast moet informatie worden verschaft over hoeveel uur in de week of per jaar de persoon in kwestie is ‘verbonden’ aan de universiteit, maar ook aan andere organisaties. Het eerste maakt duidelijk of iemand zich alleen voor de titel hoogleraar mag noemen, dan wel tegenprestaties kan of moet leveren. Informatie over aanstelling bij andere organisaties laat zien of de persoon in kwestie twee of meer heren dient (en zich dienovereenkomstig laat uitbetalen). Het zou mij niet verbazen als sommigen meer dan 16 uur per dag blijken te werken, althans op papier. Mensen die een eigen bedrijf hebben, zoals Strikwerda, moeten gewoon hun belastbaar inkomen opgeven – zoals in Scandinavische landen voor iedereen heel normaal is geworden.

Laat ten derde iedereen openbaar maken wat (boven een bepaalde minimumgrens) de inkomsten zijn uit nevenactiviteiten, die immers zonder de academische status heel wat minder geld zouden opleveren. Neem de vroeger Denker des Vaderlands, René ten Bos. Naar eigen zeggen verdiende hij in 2014 (toen nog geen Denker) per maand 2.500 euro netto met lezingen, naast 3.300 euro netto als hoogleraar (0,8 fte) bij de Radboud Universiteit. Vooral inkomsten uit contractresearch (inclusief de opdrachtgever en het eindrapport) moeten worden gemeld, ook wanneer het geld naar de vakgroep gaat; want formeel of informeel kan de hoogleraar daaraan rechten ontlenen. Onbetaalde nevenactiviteiten moeten eveneens worden gemeld want gratis advieswerk met een professorenstrikje er omheen is voor sommige hoogleraren een rendabele investering in hun toekomst.

Wat niet op de persoonlijke website hoeft te komen maar wel openbaar zou moeten zijn, is informatie over de mensen die bij een hoogleraarsbenoeming betrokken zijn geweest. Bij een officiële vacature zijn dat de mensen van de sollicitatiecommissie, bij een gesloten vacature de experts die een positief of juist een negatief oordeel hebben gegeven. Door deze informatie openbaar te maken, wordt snel zichtbaar welke benoemingen in een onderonsje met de decaan en het CvB zijn geregeld.

Deze vorm van transparantie heeft nog een ander voordeel. Wanneer een hoogleraar, een decaan of andere bestuurder slecht functioneert, wordt deze op een zijpad geplaatst, vaak met een forse oprotpremie. Alle mensen die hem of haar hebben benoemd, of daaraan een bijdrage hebben geleverd blijven echter buiten schot. Ik wil niet zover gaan om hen verantwoordelijk te stellen voor het falen van de door hen aanbevolen of geselecteerde kandidaat. Naming and shaming is vaak al voldoende om iedereen te laten beseffen dat hun beslissingen of adviezen niet vrijblijvend zijn. Dat ze daarop aangesproken kunnen worden.

Ongetwijfeld zullen universiteiten en hogescholen gaan klagen over de bureaucratie die dit voorstel met zich meebrengt. Bullshit oftewel kletskoek! Vrijwel alle benodigde gegevens worden al jarenlang door de onderwijsinstellingen zelf verzameld, bijvoorbeeld vanwege de cao. Laat ze deze gegevens gewoon in een publiek toegankelijk register zetten. Dat zou een verplichting voor de afzonderlijke universiteiten kunnen worden, of landelijk geregeld via NARCIS. Nu is deze database soms nog een lachertje. Dat wordt echter anders wanneer niet de hoogleraar, maar de onderwijsinstelling wettelijk wordt verplicht volledige en actuele informatie te verschaffen. Plus natuurlijk een hoge boete wanneer zij in gebreke blijft; anders lappen zij deze verplichtingen gewoon aan hun laars.

Welke politieke partij durft het aan bij de komende verkiezingen het volgende programmapunt op te voeren: de bezuinigingen op het hoger onderwijs worden pas ongedaan gemaakt als iedere universiteit volledige openheid van zaken geeft, ook over hun onbetaalde professoren.

Dit artikel is in een iets kortere vorm tevens gepubliceerd in het faculteitsblad Rostra (Engelstalig), in ARGUS (alleen verkrijgbaar bij de betere boekhandel) en op JOOP!

Het is een vervolg op een eerdere aflevering van de mini-serie over ‘de dunne lijn tussen wetenschap en commercie’. De volgende en (voorlopig) laatste aflevering vindt u hier.

Bijlage: Geraadpleegde bronnen.

De data in dit artikel zijn afkomstig van of berekend met behulp van twee databestanden, NARCIS en Album Academicum.

Het eerste, van KNAW en NWO, wordt gevoed door jaarlijks een enquête (voor het updaten van hoogleraren en uhd’s) naar alle faculteiten van de Nederlandse universiteiten te sturen; de response – kwantitatief en kwalitatief – op deze enquêtes is mij niet bekend. Ook worden persberichten van universiteiten bijgehouden. Tevens kunnen hoogleraren zelf inloggen om hun gegevens te (laten) invoeren en aan te passen. 

NARCIS streeft naar actualiteit en volledigheid, maar het eerdere voorbeeld van Baarsma laat zien dat dit streven geen garanties biedt. Bij bijzondere hoogleraren valt op dat niet altijd de stichting staat vermeld die de leerstoel heeft gefinancierd. Ander nadeel is dat het gaat om een momentopname, die dus van dag tot dag kan veranderen.

Om een overzicht te krijgen: klik op de homepage www.narcis.nl op de tab ‘personen’. Vervolgens linksonder bij aanstellingen op de ‘+’ achter ‘alle aanstellingen’, en daarna op ‘onbezoldigd hoogleraar’. Bedenk dat bij sommige universiteiten (zoals Universiteit Maastricht) veel onbetaalde hoogleraren zich ‘honorair’ noemen – riekt dit minder naar stille tegenprestaties? – terwijl elders (zoals OU en RuG) de aanduiding ‘onbezoldigd’ vaker wordt gebruikt.

Het Album Academicum is een initiatief van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam en werd gelanceerd in 2007, naar aanleiding van het 375-jarig bestaan van het Athenaeum Illustre en de Universiteit van Amsterdam. [……..] Vanaf 2008 is de Afdeling Documentaire Informatievoorziening verantwoordelijk voor de aanvulling van de gegevens over hoogleraren.” Dit betekent dat hoogleraren gegevens over hun aanstelling niet zélf kunnen aanpassen. Voorzover ik kon nagaan, staat bij elke bijzondere hoogleraar de stichting die de leerstoel heeft gevestigd (aangeduid als ‘vestiger’). Ander voordeel is dat het mogelijk is een vergelijking in de tijd te maken, door het jaartal te variëren. Hieronder staat de manier waarop ik de onbezoldigde hoogleraren bij de FEB in 2019 heb geïdentificeerd.

De output die op deze manier wordt gegenereerd, laat zien dat het databestand niet in alle opzichten actueel is. Zo zitten daar ook hoogleraren bij die inmiddels naar elders zijn vertrokken of al dood zijn. Een woordvoerder van Allard Pierson Museum, waar het Album Academicum wordt beheerd, laat weten dat dit databestand op dit moment door omstandigheden enkele jaren achterloopt.

Aangezien dergelijke slordigheden redelijk a-select zullen zijn, verwacht ik geen grote invloed op het patroon dat uit de cijfers naar voren komt (natuurlijk wel op de absolute getallen, die dus met een korreltje zout genomen moeten worden).

EINDNOTEN

i Om hoogleraar te worden moet je eerst promoveren, wat tegenwoordig meestal betekent dat je enkele artikelen in wetenschappelijke tijdschriften moet publiceren, die dan samen met een in- en uitleiding tot een proefschrift worden geniet. Je hebt dan niet alleen te maken met (co)promotoren – die je als medeauteur moet opvoeren – maar tevens met de eisen van tijdschriftredacteuren en reviewers.

Die academische mores moet je eveneens ondergaan bij de volgende trede op de academische ladder: de postdoc-aanstelling, vrijwel altijd in tijdelijk dienstverband. Naast het produceren van toppublicaties moet je vaak tevens zonder morren onderwijsklussen overnemen van enkele uitgebluste hoogleraren die liever besturen of publicerende promovendi begeleiden.

De laatste hoepel waar je tegenwoordig doorheen moet springen heet tenure-track: je wordt pas echt hoogleraar wanneer je volgens faculteitsbestuurders op alle fronten hebt bewezen dat je aan hun eisen en soms grillen voldoet.

ii Een woordvoerder van Allard Pierson Museum, waar het Album Academicum wordt beheerd, laat weten dat dit databestand is opgezet als historisch overzicht van alle hoogleraren die bij de universiteit een aanstelling hebben (gehad). Het is niet bedoeld als overzicht van zittende hoogleraren en loopt sowieso altijd een jaar achter, op dit moment door omstandigheden enkele jaren. Momenteel vindt een inhaalslag plaats.
Bij de opzet van het Album is er, uit praktische overwegingen, voor gekozen om de benoeming/aanstelling op te nemen, maar niet de omvang hiervan. Hetzelfde geldt voor de benoemingstermijn van hoogleraren, waarbij de volgende categorieën worden onderscheiden.
1.       Gewoon: deze werden vroeger meestal voor onbepaalde termijn benoemd, maar tegenwoordig vaker voor een periode van 3 of 5 jaar. 
2.       Bijzonder: deze worden meestal benoemd voor een periode van 5 jaar.
3.       Onbezoldigd: hieronder vallen alle hoogleraren (m.u.v. de bijzonder hoogleraren) die niet door de UvA worden betaald, dus ook de nul aanstellingen.
4.       Universiteitshoogleraren.
5.       Buitengewone hoogleraren (historische categorie), deeltijd hoogleraar.
Voor de categorieën 1, 3 en 4 geldt dat deze door het College van Bestuur worden benoemd. Voor categorie 2 stemt het College van Bestuur in met de benoeming. De gegevens in het Album worden o.a. ontleend aan de voordracht en de benoemings- c.q. aanstellingsbesluiten.

iii De voormalige Denker des Vaderlands René ten Bos bekleedt vanaf 2000 bij de eenheid Bedrijfswetenschappen van de Radboud-Universiteit een bijzondere leerstoel, gefinancierd door zijn toenmalige werkgever, adviesbureau Schouten&Nelissen. Iemand, misschien hijzelf, moet vervolgens hebben gesuggereerd dat Bedrijfswetenschappen beter af is als zij niet langer het filosofie-onderwijs zou laten verzorgen door de interfaculteit Wijsbegeerte (zoals Radboud-breed werd gedaan) maar vanuit een eigen leerstoel. Hoe dan ook: na twee jaar, in 2002, is hij al gewoon hoogleraar.

Om een indicatie te krijgen hoe vaak de combinatie van bijzonder hoogleraar met gewoon hoogleraar voorkomt, heb ik Album Academicum geraadpleegd. Daaruit blijkt dat bij de UvA meer dan 22 procent van de bijzondere hoogleraren tevens gewoon hoogleraar is (geweest).

iv De volledige transparantie die ik bepleit heeft als extra voordeel dat er een einde komt aan de tegenstrijdige en onvolledige informatie die ik in mijn onderzoekje tegenkwam. Het Album Academicum vermeldt soms een andere status dan NARCIS of de persoonlijke profielpagina. De gegevens die in deze databestanden staan vermeld, worden soms tegengesproken door de betrokken hoogleraren. Zo is Edo Roos Lindgreen, tot 2017 partner bij KPMG, volgens de UvA-database gewoon hoogleraar van 2002 tot 2012 en onbezoldigd vanaf april 2017, wat hij volgens NARCIS – dat hoogleraren zelf kunnen aanpassen – nog steeds is. Zelf zegt hij bij navraag dat er klaarblijkelijk een fout is gemaakt toen hij vanaf april 2017 één dag in de week ging werken. Vanaf januari 2018 is hij hoogleraar voor vier dagen in de week, inmiddels  voor 38 uur per week. 

Share

2 Reacties.

  1. Het gaat er niet om of hoogleraren al of niet gratis zijn, waar het om gaat is of de academische vrijheid, respectievelijk de academische onafhankelijkheid (tegenover de overheid, markt en NGOs) gewaarborgd blijft. Immers, een van de taken van de universiteit is er voor te zorgen dat al dat gezegd kan worden dat in het belang van een goede samenleving gezegd moet worden. Dat betekent dat stil moet worden gestaan bij de vraag of iemand die technology officer is bij een tech firm, tegelijk dan ook hoogleraar machine learning/ AI aan de universiteit kan zijn, gegeven het politieke karakter van van AI.
    Door de opkomst van de kennis-economie en daarmee de endogene economie (Aghion & Howitt) wat betekent dat sterker dan door R&D-activiteiten, nieuwe kennis in het productieproces, in de professionele dienstverlening wordt ontwikkeld ontstaat er een andere verhouding tussen markt en universiteit, de universiteit verliest aan positie waar het gaat om de ontwikkeling van nieuwe kennis. Dus in die zin is het begrijpelijk dat de universiteit kijkt naar kenniswerkers uit het markt als binnenbrengers van nieuwe kennis. Maar het gaat niet alleen om kennis, het gaat bij de universiteit nog mer om die kennis kritisch te onderzoeken op de gevolgen daarvan, het gebruik daarvan, in de context van een democratische rechtsstaat, ofwel Poppers open society. Maar in he vlak van accountancy, audit, control, zien we praktijkhoogleraren die meer bezig zijn de opvattingen van de beroepsgroep de universiteit binnen te kruien dan hun academische positie te gebruiken voor het kritisch onderzoeken van de beroepspraktijk. We zijn dat bij accountants, waar vanuit de economische theorie duidelijk wordt dat de grondslag van assurance als gevolg van de dominantie van immateriële activa niet meer kan berusten op de jaarrekening, maar in plaats van die slag te maken bijten ze vast in niet-deugdelijke concepten als COSO, three lines of defense en erger nog, ‘gedrag en cultuur’. Bij dat laatste gruwen de hoogleraren organizational behavior, omdat onder de vlag ‘gedrag en cultuur’ dingen gezegd worden die gewoon fout zijn. In een multi-etnische samenleving met innovatieve business modellen en geen life-time employment werkt het traditionele model voor organisatiecultuur niet meer, het is vervangen door de fieldtheory, maar dat wil in Nederland niet gezien worden.
    Nu moet eerlijkheidshalve hierbij gezegd worden dat bijvoorbeeld binnen de bedrijfskunde er aan de academisch kant ook wel eens wat fout gaat. Veel academici, zeker ook in Duitsland, verfoeien de Balanced Scorecard, maar doorzien niet de Amerikaanse context daarvan, die inderdaad primair politiek is, de BSc was bedoeld begin jaren negentig om de hegemonie van de Amerikaanse economie te herstellen, maar die BSc is wel gedegen gebaseerd op de moderne economie zoals geformuleerd door economen als Arrow en Stiglitz, academici moeten dat achterhalen en blootleggen (volgens Kaplan is dat not done in de USA, wat natuurlijk fout is). Wat we ook zien is dat beroepsgroepen invloed uitoefenen op de inhoud van in het bijzonder executive courses voor accountants, auditors en controllers, daarbij moet de vraag gesteld worden of zich dat wel verhoudt met het respecteren van de academische vrijheid. Er is niet alleen kennisuitwisseling nodig tussen het bedrijfsleven en de universiteiten, die kennis moet vooral vrij en onafhankelijk onderzocht en bekritiseerd worden om het kaf van het koren te scheiden en verborgen ideologieën (zoals bijvoorbeeld in de complexiteitstheorie, in het transhumanisme en daarmee in artificial intelligence) bloot te leggen en onderwerp van discussie te maken.
    In die zin raakt het artikel van De Beter niet de kern, wat slapjes dus.

     

  2. Hartelijk dank voor uw reactie, heer Strikwerda.

    U heeft helemaal gelijk dat ik hier niet de volledige kern raak van wat er mis is in het hedendaagse hoger onderwijs. Ik behandel steeds deelaspecten van de huidige malaise, zoals de jacht op steeds meer studenten, het onvermogen om hen kritisch denken bij te brengen, de veelvuldige onzin rondom methodologie en de te dunne lijn tussen wetenschap en commercie.
    Bij dit laatste thema is de rol van de gratis hoogleraar slechts één van de aspecten, en als zodanig niet een van de meest urgente. Waarom ik mij dan toch op dit fenomeen heb gestort? Het leek mij het meest geschikt om een veel groter probleem aan de kaak te stellen: het chronische gebrek aan transparantie op de universiteit.

    Volledige transparantie lijkt mij de belangrijkste voorwaarde om de academische onafhankelijkheid niet alleen te waarborgen (vooral belangrijk voor academici) maar ook te controleren (ook relevant voor de rest van de maatschappij). Anders gezegd: academische vrijheid is niet voldoende om “er voor te zorgen dat al dat gezegd kan worden dat in het belang van een goede samenleving gezegd moet worden”.

    U heeft helemaal gelijk dat we stil moeten staan “bij de vraag of iemand die technology officer is bij een tech firm, tegelijk dan ook hoogleraar machine learning/ AI aan de universiteit kan zijn, gegeven het politieke karakter van AI”. Vergelijkbaar is mijn (impliciete) vraag of iemand als Baarsma tegelijkertijd hoog in de boom bij de Rabobank en hoogleraar economie kan zijn, gegeven het sterk politieke karakter van monetair en financieel beleid?
    We kunnen echter dit soort vragen pas stellen en beantwoorden wanneer we eerst voldoende informatie hebben over aard en omvang van dergelijke ‘dubbelfuncties’. En dit is dan ook de belangrijkste stelling van mijn artikel: er zijn teveel academische onderonsjes, zodat alleen de ‘hogere ingewijden’ weten wat er gaande is – en er vervolgens over zwijgen.

    Ik ben zelfs geen principiële tegenstander van gratis leerstoelen op de universiteit. Misschien moeten er zelfs méér komen. Maar dan niet alleen als ‘voorrecht’ voor het grote bedrijfsleven en semi-overheid. Waarom kunnen ngo’s en andere non-profit organisaties géén gratis hoogleraren leveren? Waarom moeten zij wél de moeizame weg van de bijzondere leerstoel bewandelen?

    De rest van uw reactie klinkt interessant maar warrig. Ik kan er in ieder geval geen chocola van maken, en zie evenmin het verband met mijn betoog. Ik nodig u van harte uit om een van de vele onderwerpen die u aansnijdt, uit te werken tot een blogbericht, die dan eventueel op mijn blog kan worden geplaatst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten