Nieuwe grondpolitiek kan agrarische sector weer toekomstperspectief geven

Afgelopen dinsdag werd Aalt Dijkhuizen, voorzitter van de Topsector Agri&Food en voormalig WUR-voorzitter, officieel benoemd tot voorzitter van het Landbouwcollectief, waarin alle boerenbelangenbehartigers zich hebben gebundeld in het stikstofdossier. Gaat hij het beter doen dan Pieter van Geel? Die als regisseur van de Task Force Ammoniak dezelfde partijen wilden verenigen op een alternatief stikstofplan. Wat inmiddels jammerlijk is mislukt. Tijd om het over een heel andere boeg te gooien en een nieuwe punt aan de horizon te zetten,

Volstrekt begrijpelijk dat de boeren boos werden toen D66-Kamerlid Tjeerd de Groot voorstelde de veestapel te halveren. Hun stikstofuitstoot hebben ze al behoorlijk verminderd. Bovendien lijken zij als enigen te moeten inleveren. Grote bedrijven zoals Shell en Schiphol blijven vooralsnog buiten schot. En waar blijft de rekening voor de consument, in de vorm van een SUV- of vliegtaks en een permanente vermindering van de maximumsnelheid? Toch moeten de boeren het D66-voorstel als een godsgeschenk beschouwen. Maar wel in combinatie van een nieuw plan-Mansholt, waarin het oude motto ‘Nooit meer honger’ wordt vervangen door ‘Samen met de Natuur (en de burger)’.

Vooral melkveehouders en varkensboeren worden de afgelopen twee jaar geplaagd door dalende afzetprijzen en door stijgende veevoerprijzen, mede vanwege de droogte. Deze boeren worden dus dubbel gepakt door de klimaatcrisis, door de droogte en door de stikstofmaatregelen. Inmiddels heeft meer dan de helft van de veeboeren een inkomen onder de 25.000 euro.

Dat gaat voorlopig echt niet anders worden want zij zitten economisch helemaal klem. Hun verdienmodel is meer-van-hetzelfde. Vandaar hun boosheid toen provinciale bestuurders hun groeiruimte wilden afpakken; hoe moeten ze nu hun investeringen terugverdienen (lees: de bank terugbetalen)? Akkerbouwers en tuinders kunnen tenminste nog overschakelen op andere gewassen als sommige prijzen beginnen te dalen.

Een drastische reductie van de veestapel is de enige oplossing, voor minder ammoniakuitstoot én voor hogere opbrengstprijzen. Dan zijn er slechts twee smaken: een koude of een warme sanering. De eerste betekent in de praktijk dat de ‘stoppers’ hun land en mestrechten verkopen aan de ‘blijvers’, zodat per saldo de veestapel en de stikstofuitstoot nauwelijks dalen. Een gebed zonder end waarbij een klein aantal superboeren overblijven, die door de rest van bevolking steeds vijandiger worden bejegend.

Het D66-voorstel biedt mogelijkheden voor een warme sanering. Zeker in combinatie met een Ruilverkaveling Groene Stijl. Land rondom natuurgebieden moet primair beschikbaar komen voor biologische en andere circulaire veeboeren. Maar ook voor akkerbouwers en (opengrond)tuinders die immers eerder stikstof opnemen dan uitstoten. De afgelopen decennia zijn akkerbouwers juist verdrongen door melkveehouders, die steeds meer land nodig hebben voor hun groeimodel. In de periode 1981-2017 is in een typische akkerbouwprovincie als Flevoland hun aandeel gestegen van 19 naar 30 procent. Ook in Noord-Nederland heeft de akkerbouw deels plaats gemaakt voor veeteelt, door de toestroom van Randstedelijke veehouders die zijn uitgekocht voor oprukkende woningbouw, infrastructuur en bedrijfsterreinen.

Geordende sanering moet tevens plaatsvinden rond woongebieden, die vooral behoefte hebben aan multifunctionele landbouwers. Naast voedselproductie verdienen zij hun geld met natuurontwikkeling en -behoud, agrotoerisme, zorglandbouw of maneges. Activiteiten die boeren goedkoper en soms zelfs beter doen dan professionals, mede omdat zij beter in staat zijn burgers bij hun werk te betrekken die niet willen of kunnen participeren in de neoliberale rat race. Afgaande op het leerlingenbestand van agrarische scholen is er bij de jeugd voldoende belangstelling voor allerlei vormen van multifunctionele landbouw. Veel leerlingen zijn echter tegenwoordig niet van boeren komaf, en hebben dus geen ouderlijke boerderij en land om hun toekomstdromen te realiseren. Bovendien is het land rond woongebieden grotendeels in handen van projectontwikkelaars die grof geld verdienen met grondspeculaties.

Nederland is te klein, natuur én landbouw te kwetsbaar om de exploitatie van onze kostbare grond over te laten aan ‘de vrije markt’. Hoogste tijd voor een speciale Rijksdienst, vergelijkbaar met Rijkswaterstaat en de vroegere Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Die land rond woon- en natuurgebieden opkoopt en beschikbaar stelt aan innovatieve agrarische ondernemers die niet over (voldoende) land beschikken om hun plannen te realiseren. De inpoldering van de Noordoostpolder laat zien hoe een redelijk onafhankelijke overheidsdienst – zonder inmenging van ministers en parlementariers – uiterst succesvol kan zijn1. Toen om de voedselproductie te verhogen, nu om agrarische diensten tot ontwikkeling te brengen die beter recht doen aan de behoeften van de huidige en toekomstige samenleving.

En waarheen met de moderne boeren die de Nederlandse landbouw in het buitenland zo beroemd hebben gemaakt? Voor hen komt er een Agrarische Hoofdstructuur, waar zij – zonder detailregels maar ook zonder subsidies – mogen bewijzen dat hun manier van produceren evenmin stikstofproblemen geeft.

S. de Beter (6 november 2019)

Een iets kortere versie is op 7 november tevens gepubliceerd in NRC-Next, NRC-Handelsblad en de NRC-site

1 Het ‘Noordoostpolder-experiment’ laat zien dat ook op lange termijn veel innovatie wordt gegenereerd wanneer een onafhankelijke Rijksdienst de ‘beste boeren van Nederland’ de gelegenheid geeft een nieuwe start te maken, zonder zware kapitaalslasten. Agrarische vaardigheden waren toen belangrijk maar ook gemeenschapszin; bij de opbouw van een samenleving in nieuwe polders kun je immers geen boeren gebruiken die uitsluitend aan het eigen bedrijf en gezin denken. Eigenreide en ondernemingsgezinde boeren kregen voorrang boven ‘makke schapen’.

De effecten zijn nog steeds zichtbaar. Stijgt het aandeel biologische bedrijven in Nederland nog heel langzaam (van 1,5 naar 3,1 procent in de periode 2005-2017), in Flevoland – vooral in de Noordoostpolder – gaat het veel harder: van 5 naar 12 procent. Aanmerkelijk hoger dan de nummer twee (Noord-Holland met 5,9%) en drie (Utrecht met 5,4%). Veelzeggend is tevens dat in de NO-polder relatief veel akkerbouwers vollegrondsgroenten zijn gaan verbouwen, wat hogere eisen stelt aan vakmanschap en een hogere marge biedt. Opmerkelijk is verder dat de windmolenparken in de Noordoostpolder nauwelijks weerstand hebben opgeleverd, omdat twee clubs van boeren ervoor hebben gezorgd dat ook burgers uit de regio kunnen participeren.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten