Selectie op goede gronden

De overheid staat de laatste decennia vaak in een kwaad daglicht. Zelfs linkse mensen die herhaaldelijk roepen dat de overheid moet ingrijpen als zich weer een maatschappelijke ramp voltrekt, lijken in de praktijk niet zoveel vertrouwen te hebben in ambtenaren, overheidsbestuurders en politici. Dat was na de Tweede Wereldoorlog wel anders. Tijd voor een herwaardering.

De crisis van de jaren ‘30 hadden ons geleerd dat zonder overheidsingrijpen er geen einde komt aan een diepe depressie. Het aanvankelijke succes van communistische staten vormde bovendien een lichtend voorbeeld (voor links) of een serieuze bedreiging (voor rechts), zodat alle partijen opteerden voor een grotere rol van de overheid in het economisch leven.

Sinds het echec van het communisme heerst in Oost en West weer ‘het recht van de rijken’. Die overigens niet vies zijn van overheidsingrijpen, maar dan om nóg rijker te worden, bijvoorbeeld met behulp van belastingmaatregelen – onder het mom van trickle down (de extra rijkdom die de rijken genereren zou na verloop van tijd doorsijpelen naar de rest van de samenleving).

Twee vragen zijn van belang als we dit tij willen keren, als de overheid weer het algemeen belang moet dienen; bijvoorbeeld om de klimaatcrisis aan te pakken. Op welke terreinen moet zij een (dominante) rol spelen, en waar moet zij de belangrijkste beslissingen overlaten aan andere verdelingsmechanismen – en dat is niet alleen de vrije markt. Nog belangrijker is de tweede vraag: hóe moet zij die rol spelen, bijvoorbeeld permanent of tijdelijk, aan de leiband van het parlement of juist op afstand? Want de kritiek op de overheid, en de kansen die de neoliberalen daardoor krijgen, heeft meestal betrekking op de manier waarop, en veel minder op de noodzaak tot overheidsingrijpen als zodanig.

Neem de landbouw. Onder het motto “Nooit meer honger” ontwerpt Sicco Mansholt – eerst voor Nederland en daarna voor de hele EEG (de voorloper van de huidige EU) – een soort agrarische planeconomie. Die een tijdlang zeer succesvol is want we worden voor onze voedselvoorziening steeds minder afhankelijk van de VS en andere landbouwgebieden. Maar na verloop van jaren gaat de politiek van Mansholt aan haar eigen succes ten onder: we krijgen de beruchte boterberg (en andere overschotten) en een toenemende subsidieverslaving bij boeren en verwerkende industrie. Dit roept vanuit neoliberale hoek natuurlijk een tegenreactie op. Zoals de afschaffing van het melkquotum, een van de stomste agro-maatregelen ooit (zoals ik hier betoog). Een beslissing die de overheid geenzins overbodig heeft gemaakt, want daarvoor in de plaats is (in Nederland) een ingewikkelde mestwetgeving gekomen.

Selectiecriteria

Een vergelijkbare ontwikkeling – maar veel minder bekend – zien we bij de uitbreiding van het Nederlandse landbouwareaal. Ik doel op de rol van de overheid bij de inpoldering van de Wieringermeer en een groot gedeelte van het IJsselmeer. Vooral de Noordoostpolder, de oudste van de drie IJsselmeerpolders, is een toonbeeld van planmatig overheidsingrijpen. Welke boeren daar een bedrijf mogen beginnen, wordt overgelaten aan de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. De beoordelaars, onder aanvoering van Bram Lindenbergh, kijken niet naar het banksaldo van de kandidaten want zowel het land als de boerderij worden gepacht. In het begin is evenmin een voorwaarde dat de gegadigden een eigen boerderij op ‘het oude land’ hebben. Lindenbergh c.s. letten uitsluitend op de benodigde agrarische vaardigheden, en die kun je in hun ogen ook hebben opgedaan als bedrijfsleider of boerenknecht. Al vrij snel wordt gemeenschapszin een aanvullend criterium: alleen kandidaten die actief zijn (geweest) in het verenigingsleven komen door de eerste selectie. Er moet in de polder immers een nieuwe samenleving worden opgebouwd, en dan kun je geen boeren gebruiken die uitsluitend aan het eigen bedrijf en gezin denken.

Het parlement stelt slechts één randvoorwaarde: de uitverkorenen moeten gelijkelijk zijn verdeeld over katholieken, gereformeerden en vrijzinnigen. Zoals dat voor de oorlog in de Wieringermeer was gebeurd. Daar heeft de oorlog niets aan veranderd: Nederland was en blijft een verzuilde samenleving.

Later proberen politici nog een extra eis door te drukken: bij de selectie moet voorrang worden gegeven aan boeren die ‘op het oude land’ weg moeten (of willen) vanwege stadsuitbreiding, ruilverkaveling of natuurontwikkeling, door de Rijksdienst aangeduid als ‘gedupeerden’. Een politieke wens die bij de inrichting van de NO-polder pas bij de laatste kavels wordt gehonoreerd. Wordt in Oostelijk Flevoland maximaal 75 procent aan de ‘gedupeerden’ toebedeeld, in Zuidelijk Flevoland gaat al bijna 85 procent van de bedrijven naar deze categorie.

Parallel aan deze nieuwe beleidslijn – en misschien als gevolg van – worden later toch meer financiële eisen gesteld aan de kandidaten – en komen rijkere boeren dus eerder door de selectie. Want vanaf eind jaren ‘80 wordt, vooral in Zuidelijk Flevoland, erfpacht verplicht gesteld. Dit betekent dat de nieuwe boer zelf het woonhuis en de boerderij bouwt en bezit, en alleen de kavels van de Rijksdienst pacht. Bovendien krijgt schaalvergroting steeds meer gewicht. “Er (werden) meer eisen gesteld aan het ondernemerschap naarmate we verder kwamen, omdat de bedrijven groter werden. In het begin ging het nog vooral om vakbekwaamheid, later gingen de sollicitatiegesprekken steeds meer over de financiën, en de besteding van de financiën”.

Aldus Lindenbergh, geciteerd op pagina 168 in het boek van Eva Vriend: “Het Nieuwe Land” (2016). Waarin zij uitgebreid beschrijft hoe het selectieproces in de beginperiode, dus bij de NO-polder, verliep. En welke gevolgen dit heeft gehad, voor degenen die in de prijzen vielen (zoals haar opa) én voor de boeren die keer op keer werden afgewezen.

Steeds meer veehouders

De economische effecten van het gevoerde selectiebeleid komen in haar boek veel minder aan bod. Net als in de Wieringermeer wordt de vruchtbare landbouwgrond aanvankelijk bijna volledig bestemd voor akkerbouw, afgezien van enkele zandruggen die alleen voor veeteelt en veevoer geschikt zijn. In 1981 is het aandeel van de akkerbouw al gezakt naar 81% voor heel Flevoland. In 2017 ligt het zelfs op nog maar 70 procent. Deze cijfers, genoemd in het boek van Vriend, worden bevestigd door een recent rapport van de Universiteit Wageningen. Een steeds groter deel van de nieuwe landbouwgrond wordt dus voor veeteelt gebruikt, wat gezien de bodemkwaliteit niet bepaald optimaal is. 

De opmars van de veehouders in de IJsselmeerpolders lijkt een rechtstreeks gevolg van het regeringsbeleid dat vanaf de jaren ‘80 wordt gevoerd: minder inhoudelijke selectie door de Rijksdienst en meer ruimte voor de ‘vrije economische krachten’ en gevestigde politieke belangen (die twee gaan vaak samen). Het zijn blijkbaar overwegend veehouders die op het oude land te maken hebben met ruilverkaveling en stadsuitbreiding, en daarom voorrang krijgen in de nieuwe IJsselmeerpolders. En het zijn vooral de melkveehouders die de afgelopen decennia op grotere schaal zijn gaan produceren, uit noodzaak (loslaten melkquotum) en vanwege technische mogelijkheden (melkrobots). Het gevolg is een verdringingsproces, van akkerbouwers door melkveehouders. Een ontwikkeling die we overigens niet alleen in de nieuwe polders zien. Ook in de provincie Groningen heeft de akkerbouw in belangrijke mate plaats gemaakt voor veeteelt, door de toestroom van veehouders die veel geld hebben ontvangen van projectontwikkelaars en andere partijen die de agrarische kavels graag wilden omzetten in kavels voor woningbouw, infrastructuur en bedrijfsterreinen. (Om deze agrarische migranten die zich in Groningen en de IJsselmeerpolders hebben gevestigd, als ‘gedupeerden’ te betitelen, zoals de Rijksdienst deed, is daarom nogal vreemd).

Heeft de selectie door de Rijksdienst, onder aanvoering van Lindenbergh, betere boeren opgeleverd? Om deze vraag in bedrijfseconomische termen te beantwoorden, orienteert Vriend zich vooral op “de alom geprezen dissertatie Boer en Bedrijfsresultaat” (1974) van Vinus Zachariasse, opgegroeid als Zeeuwse boerenzoon in de Noordoostpolder en later directeur van het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Daarnaast heeft zij hem geinterviewd als hij al met pensioen is. Zijn eerste conclusie: “ondanks de gelijke uitgangswaarden blijken de inkomens van de agrariërs in de Noordoostpolder sterk uiteen te lopen” (p. 281). In tegenstelling tot Vriend vind ik dit geen verrassende conclusie. Heeft iedereen in het begin dezelfde uitgangspositie, na verloop van tijd vind je altijd deelnemers die boven of juist onder het gemiddelde uitkomen. Dit geldt voor sport, voor muziek, eigenlijk voor alles, dus ook voor economische bedrijfstakken. Het zou eerder verrassend zijn als de boeren in de Noordoostpolder in de loop der tijd géén (grote) verschillen laten zien, zelfs als je rekening houdt met de variëteit in gewassen die de akkerbouw kent. 

Zijn andere conclusie behoeft eveneens enige relativering: “Tot in de jaren tachtig zijn de gemiddelde prestaties van de Flevolandse agrariërs zo hoog dat ze er landelijk boven uitsteken. Daarna zakt de kopgroep af.” Zachariasse geeft als verklaring dat in de jaren tachtig “de eerste generatie geselecteerden met pensioen (gaat). De invloed van Lindenbergh begint dan af te nemen.” Een te gemakkelijke conclusie, lijkt mij. Aangezien zijn proefschrift in 1974 is gepubliceerd kan hij op basis van eigen onderzoek alleen iets zeggen over de beginperiode. Over de tijd daarna beperkt hij zich noodgedwongen tot anekdotische informatie. Zo verwijst hij naar de geringe deelname van Flevolandse boeren aan onderzoeksgroepen over gps – alsof je niet op een andere manier aan gps-kennis kunt komen (bovendien hebben veehouders minder behoefte aan gps dan akkerbouwers).

Een betere verklaring is dat Oostelijk en vooral Zuidelijk Flevoland relatief veel boeren telt die in het ‘oude land’ zijn uitgekocht, de zogeheten gedupeerden. Dat hoeven niet de beste boeren te zijn, met als gevolg dat de gemiddelde prestaties dalen.

Daarnaast geldt de wet van de remmende voorsprong. Zoals te zien is in de sport en op andere terreinen waar concurrentie hoogtij viert, wordt op den duur iedere koppositie ondermijnd, ongeacht de wijze waarop die koppositie tot stand is gekomen. Door het simpele feit dat de ‘achterlopers’ leren van de ‘voorlopers’ en op die manier de achterstand verkleinen (een van de weinige uitzonderingen op deze regel is het internet waar vaker “the winner takes it all”). Toegespitst op de landbouw: de boeren op ‘het oude land’ hebben geleerd van hun vooruitstrevende collega’s (overwegend in de NO-polder gevestigd) en daardoor een inhaalslag gemaakt.

Blijvend op kop?

Als je wilt onderzoeken of de selectiemethode van Lindenbergh c.s. betere boeren heeft opgeleverd, ook bij de nieuwe generaties, moet je eerder kijken naar de mate waarin zij overschakelen op gewassen en teeltmethoden die meer toekomstperspectief bieden. Bijvoorbeeld de overstap naar de biologische landbouw, die inmiddels meer kansen biedt dan de gangbare landbouw (zoals ik hier betoog). In dit opzicht is Flevoland duidelijk een stuk verder dan de rest van Nederland. Volgens het CBS werd daar in 2018 12% van het landoppervlak gebruikt door biologische boeren en tuinders, aanmerkelijk hoger dan de nummer twee (Noord-Holland met 5,9%) en drie (Utrecht met 5,4%).

Kijken we naar het aandeel van het aantal biologische bedrijven, dan zit Flevoland eveneens ruim boven het Nederlandse gemiddelde, zoals de volgende figuur laat zien. Dat geldt voor de akkerbouw sterker dan voor de melkveehouderij (de sector die vermoedelijk vrij veel ‘gedupeerden’ telt), en het sterkst voor de vollegrondstuinbouw (een sector die in de figuur onder ‘totaal Flevoland’ valt). De groep van 87 bedrijven die sinds 2005 zijn overgestapt op de biologische productiemethode, telt 11 melkveehouders, 35 akkerbouwbedrijven en 41 tuinders (bron: WUR 2019, p. 47)

bron: WUR 2019, p. 48

Kunnen we de hoge score voor Flevoland, en naar het lijkt voor de Noordoostpolder in het bijzonder, toeschrijven aan de selectiemethode van Lindenbergh, die volgens Vriend vooral ondernemingsgezinde en eigengereide doorzetters in de nieuwe polders wilde hebben? En werkt zijn methode ook in latere generaties door? Het zou mij niet verbazen. Een van de nieuwe biologische boeren is Annemiek Vlaming uit Nagele die na studie en werk in de culturele maatschappelijke vorming in 2017 toch koos voor het agrarisch ondernemerschap. Net als Lizelore Vos, biodynamisch akkerbouwer in Kraggenburg. Opgeleid en werkzaam als veearts, besloot zij het ouderlijk bedrijf van 70 hectare over te nemen. Haar motivatie is kort maar krachtig: “Als ik op het land ben, voel ik me het gelukkigst.” En vervolgens moet je zo eigengereid en ondernemend zijn om die motivatie in daden om te zetten.

Of kijk naar de gebroeders Poppe die laten zien dat biologisch boeren ook grootschalig kan, op ongeveer 200 hectare. En naar de maatschappelijke acceptatie van de windmolenparken die de NO-polder zijn gevestigd, dankzij twee clubs van boeren. Hierin kunnen alle burgers uit de regio participeren. Hadden ze in de Veenkoloniën (en elders) naar dit voorbeeld gekeken, dan hadden ze daar veel minder weerstand en vertraging opgelopen. Heeft de selectiemethode van Lindenbergh c.s. ook in dit opzicht betere boeren opgeleverd?

Het zou interessant zijn te onderzoeken of de Noordoostpolder relatief veel ondernemers heeft voortgebracht, en hoe succesvol deze zijn (geweest). Bijvoorbeeld in vergelijking met de rest van Flevoland, waar Lindenbergh c.s. steeds meer rekening moesten houden met de politieke druk om ‘gedupeerden’ toe te laten. Dat onderzoek moet zich niet beperken tot agrarische ondernemers, want vele boerenzonen en dochters hebben hun capaciteiten elders tot ontplooiing gebracht. Zoals Bob Crébas, die Marktplaats.nl groot heeft gemaakt.

Plussen en minnen

Dát er een selectie heeft plaatsgevonden onder de talloze gegadigden die graag een boerderij in de IJsselmeerpolders wilden hebben, lijkt mij achteraf een goede zaak. Tevens dat bij deze selectie niet zozeer is gekeken naar het banksaldo van de kandidaten (althans aanvankelijk) maar primair naar de benodigde kennis en vaardigheden. Veruit te verkiezen boven het gemakzuchtige en onrechtvaardige principe van ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’, zoals de overheid tegenwoordig vaak hanteert bij subsidies. Eveneens te prefereren boven de methode die veel economen enthousiast maakt (zeker nadat William Vickry in 1996 de Nobelprijs voor de Economie kreeg voor zijn werk over veilingen) en onder meer is gebruikt na de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder halverwege de negentiende eeuw: de overheid verkoopt het land aan de hoogste bieder, zodat louter rijke lieden in aanmerking komen. De rampzalige gevolgen van dit overheidsbeleid zijn kort beschreven door Eva Vriend (p. 53) en uitgebreider in de dissertatie van Ter Veen De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied (1925).

Deze drie opties laten al zien dat de hamvraag niet is óf de overheid moet ingrijpen in economische processen (zoals economen denken met hun fixatie op marktfalen) maar op welke wijze zij gestalte kan of moet geven aan haar dirigistische of regulerende taken. Het belang daarvan blijkt vooral als we de selectiemethode die in de NO-polder werd gehanteerd, vergelijken met de gang van zaken in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Ook boeren die op het oude land werden uitgekocht vanwege andere bestemmingen van hun land, werden daar steeds meer toegelaten.

“Maar deze ‘gedupeerden’ hadden toch ook recht op een plekje in de nieuwe polders!” zult u wellicht tegenwerpen. Zeker, maar de prijs was hoog: vruchtbare grond, bij uitstek geschikt voor akkerbouw en opengrondstuinbouw, kwam voor een (te) groot deel terecht bij landhongerige melkveehouders die ook op andere gronden goed kunnen boeren. Bovendien waren er alternatieve oplossingen. Zoals de gedupeerden uitsluitend laten voorsorteren geven bij gronden die vrijkomen op het ‘oude land’, bijvoorbeeld het land van de boeren die door Lindenbergh c.s. zijn geselecteerd voor een boerderij in de nieuwe polders. Of akkerbouwers en vollegrondstuinders voorrang geven bij een vorm van loting, waarover straks meer.

In dit verband lijkt mij een positieve zaak dat de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (aanvankelijk) redelijk autonoom kon functioneren, binnen de ruime kaders die vanuit de Rijksoverheid werden opgelegd en door het parlement zijn bekrachtigd. En dat zij die autonomie voortdurend heeft verdedigd zodra datzelfde parlement probeerde de wensen van specifieke belangenorganisaties gerealiseerd te krijgen. Ik doel hier op het populaire misverstand om de rol van de overheid gelijk te stellen aan de besluitvorming in het parlement. De parlementaire democratie werkt het beste wanneer parlementariërs zich beperken tot strategische beslissingen, tot regievorming op hoofdlijnen. Overschrijden zij die grens (wat heel gauw gebeurt, onder druk van gelobby en media), door zich in detail bezig te houden met wat diverse overheidsorganen moeten doen of laten, dan bezorgen zij ‘de overheid’ meestal een slechte dienst (Lees de recente publicatie Groter Denken, Kleiner Doen van Tjeenk Willink, de oud vicepresident van de Raad van State, die het allemaal veel beter kan verwoorden). Anders gezegd: overheidsingrijpen in het economisch proces werkt het beste als het verantwoordelijke bestuursorgaan voldoende autonomie heeft om zijn taak naar behoren uit te voeren. Zoals aanvankelijk het geval was bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Daarna heeft ‘de politiek’ deze autonomie steeds meer ondermijnd, met als gevolg een suboptimale bestemming van de vruchtbare landbouwgrond en voorrang voor bestaande boeren (die vrijwel altijd op de oude leest verder gaan) boven ‘nieuwe boeren’ (die eerder nieuwe wegen inslaan, zoals ik heb laten zien bij de bio-opmars in de NO-polder)

Minder positief ben ik over de manier waarop de Rijksdienst het selectieproces heeft georganiseerd. Eva Vriend beschrijft uitgebreid wat de gevolgen zijn als ambtenaren en overheidsinstanties ‘op de stoel van God gaan zitten’. Welke kandidaten werden uitverkoren en welke afgewezen, dat was volledig afhankelijk van de beslissingen van Lindenbergh c.s. Als ik afga op de gesprekken die Vriend heeft gevoerd, is daardoor een (weinig uitgesproken) tweedeling in de NO-polder ontstaan. Tussen enerzijds boeren die met succes door de selectie zijn gekomen, anderzijds de kandidaten die keer op keer werden afgewezen – zonder enige argumentatie. Waarbij bedacht moet worden dat velen uit de tweede groep (en weinigen uit de eerste groep?) jarenlang hun steentje hebben bijgedragen aan de inpoldering of bij de Rijksdienst hebben gewerkt, en blijkbaar steeds in de veronderstelling hebben geleefd dat zij ooit in aanmerking zouden komen voor een eigen boerderij.

In zo’n situatie ontstaat algauw de zogeheten ‘self-serving bias‘, onderdeel van de klassieke attributietheorie: succes schrijven mensen meestal toe aan hun eigen capaciteiten of talenten (interne attributie), terwijl zij hun falen vooral wijten aan de omstandigheden of fouten van anderen (externe attributie). In de Noordoostpolder voelden de uitverkoren boeren zich (heimelijk) ver verheven boven de kandidaten die geen boerderij kregen toegewezen, die zich op hun beurt onrechtvaardig behandeld voelden. Aangezien vrijwel alle gesprekspartners ervan zijn overtuigd dat Lindenbergh en zijn medewerkers de selectie naar eer en geweten hebben uitgevoerd, kunnen we spreken van een onbedoeld effect – dat echter wel de nodige consequenties heeft gehad.

Het was beter geweest wanneer de volgende procedure was gehanteerd: de Rijksdienst beoordeelt of de kandidaten over de gewenste capaciteiten beschikken, en vervolgens bepaalt het lot welke kandidaten in de prijzen vallen. Zij hebben dan gewoon ‘geluk’ gehad, terwijl de anderen kunnen zeggen dat het lot hen niet gunstig is gezind. En dat ze hopen op meer geluk in de volgende ronden.

Een nieuwe uitdaging

De ervaringen in de IJsselmeerpolders lijken mij uiterst relevant voor een nieuwe uitdaging: hoe krijgen we voor elkaar dat de Nederlandse landbouw serieus de stap maakt van een bedrijfstak die de rest van de samenleving vaak tot last is (milieuvervuiling, saaie landschappen, stankoverlast e.d.) naar een sector die weer opnieuw een bijdrage levert aan een betere wereld (veelzijdige en robuuste natuur, gezond en gevarieerd voedsel, participatie van mensen die niet meer kunnen of willen meedoen aan de huidige ratrace). Een transitie die in ieder geval baat heeft bij meer biologische landbouw, al is dit zeker niet de enige weg naar het nieuwe Rome.

Een van de grootste knelpunten: er zijn te weinig fondsen voor de aankoop van de benodigde landbouwgrond, ook vanwege de stijgende grondprijzen. De laatste jaren hebben nogal wat biologische boeren van het eerste uur de leeftijd bereikt dat ze willen of moeten stoppen; de potentiële opvolgers hebben dan de grootste moeite om de benodigde financiën bij elkaar te schrapen. Een andere kwestie is dat biologische boeren het beste in de naaste omgeving van natuur- of woongebieden gesitueerd kunnen worden, want dan ontstaan de meeste mogelijkheden voor synergie en circulariteit. Beide kwesties kunnen worden aangepakt door nieuwe vormen van ruilverkaveling en financiering te creëren. Ten behoeve van boeren én burgers die hun energie en kwaliteiten aan de biologische en andere duurzame landbouw willen wijden.

Naast een Investeringsbank voor de Circulaire Landbouw (ICL) die de aankoop van de benodigde percelen financiert (zodat de nieuwe boeren geen dikke portemonnee hoeven te hebben) zouden er twee of meer Rijksdiensten moeten komen die de geschikte kandidaten selecteren en hen vervolgens ondersteunen bij financieringsaanvragen en andere rompslomp. Dat lijkt mij beter dan alles in één hand, zoals bij de Rijksdienst van de IJsselmeerpolders het geval was. We moeten af van monopolies, zowel particuliere als publieke, zoals ik hier toelicht voor NWO.

Ook de selectiecriteria en -processen zijn aan herziening toe. Zo is agrarische kennis een stuk minder belangrijk, omdat boeren in het huidige en toekomstige Nederland  – zeker in de biologische en multifunctionele landbouw – primair een organisator en inspirator moeten zijn, die creatief gebruik maken van natuurlijke en maatschappelijke netwerken. Die bij wijze van spreken meer van mensen dan van machines houden, en eerder een spin in het web dan een nijvere mier.

De tijd lijkt rijp voor deze nieuwe uitdaging, nu zelfs het Financieele Dagblad voorstelt het Groene Hart op te kopen, als eerste suggestie voor de nieuwe investeringsagenda van Nederland. Sterker nog – zoals ik hier betoog – de stikstofcrisis dwingt ons om een nieuwe stip aan de horizon te zetten. Een nieuw plan-Mansholt, waarin het oude motto ‘Nooit meer honger’ wordt vervangen door ‘Samen met de Natuur (en de burger)’.

S. de Beter (28 augustus 2019)

Aangepast op 8 november 2019, vooral op basis van commentaar van WUR-medewerker Bert Smit. 

Naast mijn reguliere groep van intimi die mij altijd ongezouten kritiek geven op eerdere versies, ben ik bij dit artikel veel dank verschuldigd aan Eva Vriend en Bob Crébas, beiden van boerenkomaf en geboren&getogen in de Noordoostpolder. Zij hebben aanvullende informatie verschaft en mij hebben behoed voor onjuiste interpretaties en conclusies. De eventuele onvolkomenheden die nog resteren, zijn geheel voor mijn rekening.

Dit artikel maakt deel uit van de serie Picking Losers, over de dynamiek in de Nederlandse agrosector.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten