Kinderarmoede verdwijnt niet door het bespreekbaar te maken

Er is veel waarover wij ons in Nederland moeten schamen. De meeste schaamdingen vallen onder de categorie Eigen Schuld, Dikke Bult. Zoals de populariteit van Baudet, de opvolger van Wilders en Fortuyn. Veel ernstiger is de toenemende armoede onder kinderen want hen treft geen blaam en hun ouders meestal evenmin. Is de wijze waarop wij met dit probleem omgaan illustratief voor andere maatschappelijke kwesties?

Ik ben altijd weer verbijsterd als ik verhalen en cijfers lees of hoor over kinderarmoede in ons rijke Nederland. In Groningen bijvoorbeeld leeft één op de vijf kinderen in armoede. Hoe is het mogelijk dat begin 21e eeuw zoveel kinderen met honger naar school gaan, omdat halverwege de maand het huishoudgeld al op is. Of nog erger: hongerig thuis blijven omdat zij zich schamen voor hun armoede. Meestal leven hun ouders van een uitkering, maar ook steeds meer werkenden verdienen tegenwoordig te weinig om met hun kinderen goed rond te komen. Waarom wordt dit probleem eerder groter dan kleiner, ondanks het aantrekken van de economie? En wat doen we eraan om deze schandvlek uit te wissen?

Helaas kwamen deze vragen zeer selectief aan bod op de Publieksacademie Kinderarmoede die op 3 juni in de Groningse Stadsschouwburg plaatsvond. Er waren daar teveel mensen aan het woord, zowel op het podium als in de zaal, die zelf geen armoede kennen, maar over het vraagstuk wel allerlei meningen en oplossingen ventileren. Deze mensen, overwegend werkzaam in de ‘bedrijfstak (kinder)armoedebestrijding’, waren vooral bezig uitvoerig te verkondigen dat ze met een belangrijke missie bezig zijn. Veel peptalk om hun broodwinning nog meer op de politieke agenda te krijgen. Kortom, ik was getuige van een echte ‘bubbel’, van en voor professionals.

Ervaringsdeskundigen?

Mijn argwaan begon toen ik de jongens en meisjes van de Groningse Raad van Kinderen zag en hoorde praten. Ik weet zeker dat zij geen armoede aan eigen lijf hebben ondervonden. Wel zaten ze boordevol ideeën over hoe de kinderarmoede kan worden aangepakt. Ook op jonge leeftijd staan de beste stuurlui blijkbaar aan wal.

Geen kwaad woord over die kinderen want het zijn volwassenen die zo’n Kinderraad uit de grond stampen en de selectie organiseren. En opvallend veel bruine en zwarte kinderen hadden geselecteerd, terwijl Groningen nog steeds een hele witte stad is. Blijkbaar wilden de organisatoren laten zien dat ze culturele diversiteit heel hip vinden – misschien belangrijker dan het bestrijden van kinderarmoede? Ze hadden beter pogingen kunnen ondernemen om kinderen – of hun ouders of leerkrachten – die daadwerkelijk in armoede leven, te motiveren hún verhaal te vertellen, eventueel op video of geluidsband als ze (begrijpelijkerwijs) moeite hebben om voor een groot publiek over hun ellende te vertellen.

Natuurlijk kwam bij dit Publiekscircus een wethouder opdraven, Mattias Gijsbertsen van GroenLinks. Die gloedvol betoogde dat de gemeente zich onder zijn leiding het vuur uit de sloffen rent met allerlei maatregelen. Die ik echter eerder als doekjes voor het bloeden zie. Terwijl je resolute oplossingen nodig hebt als je wilt dat Groningen geen kinderarmoede meer kent in 2030. “Dan ben jij allang weg als wethouder”, dacht ik met stijgende verontwaardiging.

Na de pauze was er ruime aandacht voor twee mensen die hun geld verdienen met het onderzoeken van de problematiek van kinderarmoede. Zoals we van de meeste sociaal-wetenschappers gewend zijn, komen ze straks met bevindingen en aanbevelingen die ervaringsdeskundigen allang weten en eerder hebben voorgesteld. Dat onderzoeksgeld kunnen ze dus beter benutten om extra ervaringsdeskundigen in te schakelen.

Mijn ergernis betrof ook de presentator, die blijkbaar was vergeten dat het publieksavond was. Zij had het voortdurend over de professionals in de zaal en hanteerde een modieus taalgebruik dat niet bepaald representatief is voor de doorsnee Stadjer. Zij was zeer bedreven in het afkappen van opmerkingen uit het publiek die niet in haar kraam passen. Zij was vooral gecharmeerd van het ‘bespreekbaar maken’ van de problematiek, blijkbaar haar vakgebied. Ook was zij een groot voorstander van ‘bewustwording’, alsof daarmee kinderarmoede als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Gelukkig waren er enkele sprekers die de problematiek van haver tot gort kennen, en niet alleen vanachter hun bureau. Zoals Kinderombudsman Margrite Kalverboer. En Joël Darius die zelf in armoede was opgegroeid, en met jeugdzorg te maken heeft gehad omdat zijn moeder niet goed voor hem zou kunnen zorgen. Iemand die met vallen en opstaan de weg omhoog heeft gevonden en nu zijn ervaringen doorgeeft aan jeugdigen die nu in financiële en andere problemen zitten. Ook heb ik in de zaal en tijdens de pauze met mensen gesproken die het hart op de goede plaats hebben en op uiteenlopende manieren met (kinder)armoede te maken hebben, niet alleen beroepsmatig.

Ik heb dus geen spijt dat ik ben geweest maar halverwege de tweede helft kreeg mijn frustratie zwaar de overhand. Dan is het beter om naar huis te gaan en na te denken over maatregelen die meer zoden aan de dijk zetten en Nederland weer een beschaafd land maken – althans op dit terrein.

Het kan beter

De gemeente Groningen wil dat in 2030 niemand, in ieder geval ouders met kinderen, meer onder de armoedegrens zit, die zij definieert als 110% van het minimuminkomen. Bij zo’n definitie zitten dus momenteel heel veel mensen onder de armoedegrens. Niet alleen de bijstandgerechtigden maar ook de talloze mensen die een minimumloon verdienen en een lage werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Die helpt je echt niet met extra ambtenaren en hulpverleners die werken aan ‘bewustwording’ en ‘bespreekbaar maken’. Hoe dan wel?

De snelste en simpelste oplossing is een verhoging van het minimumloon en allerlei uitkeringen. Zoiets ligt echter op nationaal en niet op gemeentelijk niveau. Wel kan de gemeente alle inwoners uit die categorie een toelage geven zodat ze meer te besteden hebben. Als de gemeente bang is dat dit extra geld verkeerd wordt besteed en niet aan kinderen ten goede komen, dan zou ze de Stadjerspas op een creatieve manier kunnen inzetten. Zoals ik die avond in de wandelgangen heb gehoord: om het stigma van deze Armoedepas op te heffen, moet de gemeente iedereen een Stadjerspas geven maar de kortingen die je daarmee kunt krijgen zijn afhankelijk van je inkomen. Dus boven de armoedegrens heb je heel weinig kortingen en dat loopt op naarmate je verder onder de armoedegrens zit.

Hoe je het ook organiseert, met of zonder Stadjerspas Nieuwe Stijl, dit voorstel gaat de gemeente veel geld kosten. Geld dat de gemeente niet heeft doordat politici zich te vaak verliezen in overmoedige megaprojecten. De zes miljoen euro die wethouder Gijsbertsen vorig jaar verloor met het mislukte aardwarmte-project, is maar een schijntje als je denkt aan geldverslinders als het Groninger Forum en de Zuidelijke Ringweg.

Als we de bezuinigingen moeten zoeken binnen het Sociale Budget, laat de gemeente beginnen met het ontslaan van minimaal de helft van de professionals. Die bij de Sociale Dienst bezig zijn om mensen met een uitkering te helpen – en vaak te dwingen – te solliciteren op banen die er niet zijn. Er wordt momenteel veel te veel geld verspild met een soort stoelendans: doordat er minder geschikte banen zijn dan werkzoekenden, leidt iedere gelukte sollicitatie ertoe dat er minder stoelen overblijven voor de rest. Het is het een of het ander: of je besteedt als gemeente minder geld aan de stoelendans, dus aan professionals; of je creëer meer banen voor de inwoners die nu nog langs de kant staan. Meer professionals zonder extra (geschikte) banen, is weggegooid geld.

Natuurlijk betekent mijn voorstel werkloosheid voor de medewerkers bij de Sociale Dienst en andere organisaties die met ‘armoedebestrijding’ hun geld verdienen. De gemiddelde professional in deze bedrijfstak is echter niet afhankelijk van een sociale huurwoning en kan dus makkelijker verhuizen naar gemeenten waar ze wel werk kunnen vinden. Ik heb tevens een oplossing voor een ander probleem die deze maatregel oproept: welke medewerkers van de Sociale Dienst mogen blijven en welke moeten vertrekken? Geef voorrang aan ervaringsdeskundigen, dus aan medewerkers die zelf ooit in de bijstand hebben gezeten of op een andere manier aan de lijve hebben ondervonden wat het betekent om in armoede te leven en in een benedenwaartse spiraal terecht te komen. Kortom, selecteer professionals meer op ervaringsdeskundigheid, en minder op diploma’s en boekenwijsheid.

Mensen die in het ravijn van de armoede zijn gevallen, of het nu de bijstand is of de schulden zijn, moeten – mijn derde voorstel – met slechts één ambtenaar te maken krijgen voor alle problemen die zij ondervinden om uit de armoede te komen. Die ene ambtenaar is eindverantwoordelijk voor het totale pakket en moet zelf bij zijn collega’s voor elkaar krijgen dat de benodigde oplossingen – binnen een afgesproken tijd – worden gecreëerd. Hij krijgt daarvoor een eigen budget, dat ook extern besteed mag worden als de klus niet binnen het bestaande circuit kan worden geklaard.

Een groot verschil met de huidige situatie waar mensen die in de problemen komen steeds met een andere ambtenaar of hulpverlener te maken krijgen. Zodat zij een soort balboekje moeten bijhouden om te weten bij wie ze voor welk probleem moeten zijn. En als ze kinderen hebben wordt dit ‘netwerk’ nog veel groter en verwarrender.

Laat tot slot de Sociale Dienst eindelijk een klanttevredenheidsonderzoek organiseren (maar wel met betere enquêtes dan waarmee andere dienstverlenende organisaties ons lastig vallen). Op die manier komt beter boven tafel wat daar wel en niet goed gaat, en welke verbeteringsvoorstellen zijn cliënten zélf naar voren brengen.

S. de Beter (12 juni 2019)

Een verkorte versie is op 13 juni gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden

 

PS. Een van de lezer maakte mij erop attent dat de bijstandsuitkering steeds verder uit de pas  loopt met zowel de AOW als de algemene loonontwikkeling. Althans, volgens hoogleraar sociale zekerheid Olaf van Vliet in een oratie die hij vrijdag 6 juni uitsprak in Leiden. De verhouding tussen loonontwikkeling, bijstand en AOW werd voor het laatst berekend in 2009. Toen was het netto bijstandsniveau nog maar driekwart van de AOW, terwijl die 15 jaar eerder nog op hetzelfde niveau lagen. Van Vliet: ‘Volgens mijn berekeningen is dat verschil sindsdien alleen maar groter geworden.’Opvallend is dat dit soort berekeningen niet door het CPB worden uitgevoerd. Terwijl zijn modellen vermoedelijk wel allerlei veronderstellingen bevatten over het gedrag van bijstandsontvangers in termen van consumptie en participatie op de arbeidsmarkt.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten