Verdwenen?

Waar is Thomas Piketty gebleven? Vanaf 2014 en enige tijd daarna was hij hot. Zijn boek Le Capital au XXIè Siècle baarde veel opzien bij wetenschappers, politici, pers, maar ook bij een breder publiek.

De omvang van het boek is kloek en de inhoud zeer informatief: het boek geeft veel data over de verdeling van de rijkdom in de wereld. Piketty stelt dat het intellectuele en politieke debat hierover vaak gevoerd wordt op basis van veel vooroordelen en weinig feiten; dat moet anders, vindt hij.

De reacties op zijn boek waren fel en vaak slecht gefundeerd. Politici putten zich uit in het zeggen dat het boek belangrijke maatschappelijke thema’s behandelt, maar gingen daarna zo snel mogelijk weer over tot de orde van de dag. Wetenschappers toonden respect voor het werkstuk, maar velen waren kwiek in hun oordeel dat het conceptuele raamwerk rammelt. De pers herkende in hem al snel een soort Marxist met soms de flauwe verwijzing naar de titel van zijn boek. Interviewers bleken arrogant en bevooroordeeld; in discussiefora werd slecht geluisterd. Je kunt beter naar zijn colleges kijken (YouTube is geduldig): zijn presentatie van data over de zich vergrotende ongelijkheid wereldwijd maakt veel indruk.

Na 2015 werd het geleidelijk aan stiller. Schijn bedriegt echter: Piketty is nu een van de drijvende krachten achter het World Inequality Lab , dat onderzoek doet naar de dynamiek van ongelijkheid in de wereld en zich ten doel stelt de database op dit terrein te onderhouden en uit te bouwen. Eind 2017 publiceerde het Lab voor het eerst het World Inequality Report 2018: een uniek rapport, omdat een met politieke taboes omgeven thema als ongelijkheid en niet armoede of welvaart het centrale onderwerp vormt. Dit rapport bepleit een wereldwijd debat over ongelijkheid en wijst expliciet op het risico van sociale catastrofes en verlies van democratische besluitvorming door een te grote ongelijkheid. Het Lab is uiterst grondig en inventief in het verzamelen van goede data over de ongelijkseffecten van nationalisatie en privatisering, kapitaalaccumulatie en de ontwikkeling van de nationale schuld, alsmede over individuele inkomsten, belastingen en uitkeringen, persoonlijke rijkdom en -schulden. Het Lab put uit nationaal inkomen- en vermogensdata over huishoudinkomens, of uit fiscale data over persoonlijke inkomens, vermogens en vererving.

Een dergelijke blik op ongelijkheid vind je niet terug in de publicaties van de Wereldbank: daar gaat het meer over extreme armoede, gebaseerd op standaardmetingen op het niveau van huishoudens. In hun presentaties vind je zelden gegevens over de rijkdom van personen aan de top van de sociale ladder. In 2016 verschijnt het Wereldbankrapport Taking on Inequality, waarin inkomensongelijkheid wel centraal in de aandacht staat. Dit rapport is geconcentreerd op de positieve samenhang tussen ongelijkheid en economische groei: ongelijkheid zou een goede conditie zijn voor economische groei, terwijl economische groei ongelijkheid niet zou vergroten en in ieder geval extreme armoede zou doen verminderen. Daarbij moet men volgens de Wereldbank voorzichtig zijn met al te drieste ingrepen op het herverdelingsvlak: verbeterde concurrentie alsook economische efficiency en het verminderen van ongelijkheden liggen in elkaars verlengde. Aanpalende voorwaarden hiervoor zijn onderwijs, gezondheidszorg, early child development, geldoverdrachten specifiek voor medicijnen of onderwijs, investeringen in rurale infrastructuur (wegen, elektrificatie) en belastingheffing. Per saldo maakt het rapport niet duidelijk of een dergelijke benadering de inkomensongelijkheid vermindert of juist vergroot. Het rapport stelt alleen dat deze ongelijkheid op wereldschaal over de periode 1988-2013 afneemt. Weliswaar neemt de ongelijkheid binnen landen enigszins toe, maar aangezien de ongelijkheid tussen landen afneemt, wordt op wereldschaal de inkomensongelijkheid per saldo kleiner; althans wanneer men de Gini-index als maatstaf neemt.

Die index is echter geen geschikte indicator voor ongelijkheid geeft Piketty aan in zijn boek Le Capital au XXIè Siècle. Ongelijkheid heeft betrekking op de inkomens- en vermogensaandelen van verschillende sociale geledingen binnen een land. Deze kunnen niet worden gevat in één simpele index. Hij bepleit daarom het gebruik van verdelingstabellen: deze geven aan welk aandeel van het totaal van de verdiende inkomens door elk van die sociale groepen wordt geabsorbeerd. Voor de vermogensverdeling staat hij een soortgelijke presentatie voor.

Volgens die tabellen neemt de inkomensongelijkheid binnen landen, maar juist toe. Hij maakt zich in zijn boek en het Inequality Lab later in andere presentaties (artikelen, interviews, colleges) grote zorgen over de snel toenemende ongelijkheid in inkomen wereldwijd. De VS-Canada, India, en Rusland blijken bijvoorbeeld volgens het World Inequality Report 2018 kampioenen: de eerste 10% van de topinkomens in die landen trekt meer dan 40% van het nationaal inkomen naar zich toe in 2015, terwijl dat in 1980 nog zo’n 30-33% bedroeg. De ongelijkheid tussen landen neemt nauwelijks af: op wereldniveau absorbeerden de 50% minst verdienenden in de wereld in 1980 8% van het wereldinkomen en de top 1% 16%. Voor 2015 bedragen deze percentages respectievelijk 10% en 20%.

Dat verklaart waarom Piketty radicale maatregelen voorstaat. Hij bepleit in zijn boek een sterke progressie in de belastingen op inkomen/rijkdom en overerving, en daarbij ook een internationale toepassing van die progressieve tarieven. Zijn zorg om de zich vergrotende ongelijkheid is niet alleen gebaseerd op de huidige geconstateerde scheefgroei, maar ook op de prognose van de toekomstige ontwikkeling ervan. Hij verwacht op basis van historische data over de groei van alle inkomens, het niveau van besparingen en kapitaaldata dat het rendement op het wereldvermogen op de lange termijn hoger is dan de groei van de wereldproductie: het geschatte rendement op vermogen heeft zich vanaf onze jaartelling bewogen tussen 4 en 5%, terwijl de groei van de wereldproductie wel varieerde, maar altijd lager bleef (0-4%). Vermogensbezitters zullen dus structureel een hogere inkomensgroei hebben dan wat de niet-vermogensbezitters kunnen realiseren. Dit heeft een direct effect op de bestaande inkomensverdeling en naast dat op de scheefgroeiende verdeling van het vermogen zelf.

Er is Piketty verweten zich schuldig te maken aan een Marxistisch aandoend determinisme; ook zouden zijn voorgestelde beleidsmaatregelen ondubbelzinnig antikapitalistisch zijn. Dit laatste bestrijdt hij keer op keer, door het belang van ondernemerschap, concurrentie of efficiencystreven te onderschrijven.

Intussen blijft de Wereldbank nieuwe rapporten produceren die een schat aan data geven. In de missie van de organisaties neemt armoedebestrijding een centrale plaats in: per 2030 mag volgens Sustainable Development Goal 1 (SDG 1) niemand meer in extreme armoede leven (rondkomen met minder dan 1,90 US-dollar per dag). Het rapport Piecing Together the Poverty Puzzle stelt met voldoening vast dat de extreme armoede is afgenomen gedurende de periode 1990-2015 door de groei van de wereldeconomie en de toenemende rijkdom van veel landen in ontwikkeling. Bij uitstek gaat het om de meest bevolkte regio’s van Oost-Azië/Pacific en Zuid Azië. De realisatie van de Bank’s taakstelling om de extreme armoede tot minder dan 3% van de wereldbevolking te reduceren per 2030, is dus dichterbij gekomen. Maar in 2015 leven nog steeds 736 miljoen mensen in extreme armoede; de helft daarvan leven slechts in 5 landen: India, Bangladesh, Democratische Republiek Congo, Ethiopië en Nigeria. De regio Sub-Sahara Afrika komt er duidelijk het slechtste af: het aantal mensen levend in extreme armoede nam daar toe van 278 miljoen in 1990 naar 413 miljoen in 2015. Van de 28 armste landen in de wereld maken 27 deel uit van deze regio en hebben allen een armoederatio (aantal mensen levend beneden de grens van extreme armoede als percentage van de totale bevolking) van boven 30% en meestal stukken hoger.

Het rapport bepleit dan ook speciale aandacht voor Sub-Sahara Afrika en spreekt van noodzakelijke transformational changes. Het klinkt diepzinnig en fundamenteel, maar wat dat precies inhoudt is niet helder; de ideologie of het mandaat van de bank staan ook niet toe daar concreter over te zijn. Datzelfde geldt tevens voor de aanbeveling een veelvoud van beleidsdialogen te starten op basis van de gepresenteerde feiten en inzichten. Ook bepleit het rapport het verzamelen van meer data op het terrein van armoede en wat de Wereldbank gedeelde vooruitgang (shared prosperity) noemt. Het gaat hierbij om de groei in consumptie of inkomens van de laagste 40% van de bevolking in een land. Het heeft er de schijn van dat de bank het liever over gedeelde vooruitgang heeft en niet graag spreekt over ongelijkheid en de oorzaken ervan. Waarom moet je anders spreken over de bottom 40% van de inkomenspiramide, terwijl er binnen die statistische categorie een wereld van inkomensverschillen schuilgaat.

Ook de Wereldbank is, in navolging van de Multidimensional Poverty Indexarmoede inmiddels als een multidimensionaal concept gaan opvatten. Naast het inkomens/consumptieniveau als monetaire dimensie voor armoede worden hierbij onderwijs, sociale/infrastructurele diensten, gezondheid en veiligheid als niet-monetaire dimensies van armoede opgevoerd. Ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is in 2014 eenzelfde kant opgegaan in haar omvangrijk onderzoek over de ontwikkeling van de welvaart vanaf 1820. In deze belangwekkende historische en comparatieve studie wordt gesteld dat de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product per hoofd niet als enige maatstaf kan gelden, maar dat welzijn (well-being) ook andere dimensies kent, zoals levensverwachting, onderwijs, persoonlijke veiligheid of ongelijkheid.

Aan het verzamelen en analyseren van gedetailleerde en concrete sociaaleconomische historische data over armoede en de spreiding van inkomens lijkt er dus geen gebrek te zijn. Ook Nederlandse wetenschappelijke instituten leveren belangrijke bijdragen: het Groningen Growth and Development Centre van de Rijksuniversiteit Groningen en het Center for Global Economic History van de Universiteit Utrecht.

Hoe je de data over ongelijkheid ordent en presenteert is blijft aandacht vragen. De wetenschappers van het World Inequality Lab komen mij als het scherpst voor in hun zoeken naar de veelvormige ontwikkelingen van ongelijkheid. Of het Lab-platform zich inhoudelijk geheel baseert op Piketty’s boek, is vooralsnog niet duidelijk. Het boek lijkt echter wel een duidelijker inspiratiebron voor het platform te zijn dan voor de genoemde instituten of multilaterale organisaties. Piketty en zijn Lab-collega’s lijken de taaie strijd met de genoemde instituties en zeker ook met vele wetenschappers en politici te zijn aangegaan. Piketty disparu?

Niks niet verdwenen dus!

Eric Kamphuis  (08/02/2019)

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten