Laat honderd University Colleges bloeien!

We werken al heel lang met het marktdenken uit de jaren tachtig. Input/output criteria, rendement. Dat is zo langzamerhand uitgewerkt”. Fragment uit een interview met Jouke de Vries, sinds oktober 2018 de nieuwe bestuursvoorzitter van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).

Hij wekt de indruk dat Nederlandse universiteiten de komende jaren een omslag gaan maken – althans wanneer de politiek wil meewerken én nieuwe bestuurders en organisatievormen een kans krijgen. De Vries, en daarmee de RuG, lijkt bij uitstek geschikt om een voorloper te kunnen worden, want hij was eerst de decaan van de inmiddels zeer succesvolle Haagse vestiging van de Rijksuniversiteit Leiden en daarna van het University College Fryslân van de RuG.

Hieronder de (voorlopig) laatste aflevering van de serie “Studeren in de 21e eeuw”. Grotendeels een samenvatting van de eerdere afleveringen, plus een advies aan studentenbonden wanneer zij eveneens een nieuwe koers willen uitstippelen. Maar dan moeten ze wel eerst ervoor open staan dat een elitair schooltje de inspiratiebron kan zijn voor beter hoger onderwijs.

Terug van lang weggeweest: demonstraties in Den Haag tegen het onderwijsbeleid. Op 24 november demonstreerden 250 jongeren tegen het ‘sociale leenstelsel’. Terwijl er ongeveer duizend waren verwacht door de organisatoren: de studentenbond LSVb, de scholierenbond LAKS, alsmede FNV Jong en ROOD (de jongerenafdeling van de SP). De tweede demonstratie, op 14 december tegen bezuinigingen op het hoger onderwijs, trok ongeveer twee duizend mensen. Mede dankzij de universitaire bestuurders. De UvA gaf die dag zelfs ‘onderwijsvrij’ en regelde gratis bussen.

Tweeduizend lijkt veel maar dit is nog geen 7% van het aantal UvA-studenten. Bovendien was het niet louter een UvA-actie: andere universiteitsbestuurders lieten zich evenmin onbetuigd in hun steun aan de demonstratie van WOinActie. Wel wat anders dan vroeger, toen studenten geen bestuurders nodig hadden om de regering onder druk zetten, met bezettingen en grote demonstraties. Moeten we dit dominante actiemodel uit de jaren zestig inmiddels als sleets betitelen?

Zullen we het eens over een heel andere boeg gooien? Door te kijken naar wat studentenactivisten van toen het meest verfoeiden: een elitair College naar Amerikaans voorbeeld, met strenge selectie en wonen op een brave campus? Ik doel op de University Colleges, inmiddels tien stuks in Nederland. Waar ruim 1500 studenten kleinschalig onderwijs genieten met een breed pallet aan vakken. Allemaal met een veel hogere score in de Keuzegids Universiteiten dan de overige academische opleidingen.

Financiële prikkels

De malaise in het hoger onderwijs moeten we vooral wijten aan de financiële prikkels die universiteiten en hogescholen kregen opgelegd vanuit de politiek. De hoogte van hun Rijksbijdrage is grotendeels gebaseerd op het aantal studenten die zijn ingeschreven voor de officiële studieduur: meestal drie jaar voor de bachelors en één jaar voor de masters. Bovendien worden ze beloond naar “het aantal voltooide bachelors en masters, waarvoor een diploma is verleend”, zeker om te vermijden dat luie of domme studenten zonder diploma de universiteit verlaten. Er is dus een dubbele prikkel om zoveel mogelijk studenten aan te trekken en vervolgens zo snel mogelijk naar de eindstreep te brengen.

Met dit bekostigingssysteem is het niet verwonderlijk dat universiteiten de aandacht verlegden naar buitenlandse studenten, toen ongeveer tien jaar geleden de instroom van eigen bodem begon te stagneren. Krimp staat immers gelijk aan financiële zelfmoord, want de vaste voet in de Rijksbijdrage is bij lange na niet voldoende om de vaste kosten te dekken. En het variabele deel is dermate hoog dat iedere extra student veel meer oplevert dan hij kost: het is immers voornamelijk een kwestie van aanschuiven bij de overige studenten. In economentaal: de marginale opbrengst is aanzienlijk hoger dan de marginale kosten, wat een prikkel geeft om de ‘productie’ uit te breiden en het onderwijs te verengelsen. Wat goed is voor de universiteitskas, maar slecht uitpakt voor de werkdruk bij docenten en studenten.

Willen we daar vanaf, dan moet de dubbele prikkel worden vervangen door een degressief tarief. Wat betekent dat de Rijksbijdrage per student lager wordt naarmate een onderwijsinstelling meer studenten telt, per faculteit of andere organisatie-eenheid. Dit maakt het aantrekkelijk om nieuwe kleine universiteiten op te richten. Of honderd University Colleges.

Dure klonenfabriek

Wat de gevolgen zijn van de financiële drang om studenten er snel doorheen te jagen, zie je het duidelijkst aan de eindscriptie. Voor de meeste studenten het grootste struikelblok, zodat er al te vaak een ‘genade-zesje’ uitgedeeld moet worden om hen toch te laten afstuderen (en het geld te innen). Om dit probleem te ondervangen krijgen studenten tegenwoordig een uitgebreid voorbereidingstraject waarin ze door diverse methodologische hoepels moeten springen, die de wetenschappelijke creativiteit eerder afremmen dan stimuleren. Kenmerkend is verder dat studenten hun scriptieonderwerp meestal moeten kiezen uit een lijst met onderzoeksthema’s van de wetenschappelijke staf. Bovendien kent de scriptie een standaardindeling, namelijk het format dat je tot vervelens toe in wetenschappelijke tijdschriften aantreft. Studenten krijgen zo de receptuur opgelegd die de universitaire medewerkers moeten hanteren om hun onderzoek gepubliceerd te krijgen. De universiteit als klonenfabriek.

Bij economie en bedrijfskunde gaat echter slechts drie procent van de afgestudeerden verder in het wetenschappelijk onderzoek, zo is vastgesteld door Rethinking Economics, een groep van kritische economen (in opleiding). De rest wordt dus afgerekend op capaciteiten die ze later helemaal niet nodig hebben. Wat een verspilling van menselijk kapitaal! Ik vermoed dat het bij andere opleidingen niet veel anders gaat, zeker bij de sociale wetenschappen.

Voorbereiding op de beroepspraktijk?

Wat vrijwel alle studenten in hun latere beroepspraktijk wél moeten doen is het beoordelen en interpreteren van allerlei onderzoeksrapporten die anderen hebben geschreven. Maar dat leren ze juist weer niet op universiteit of hogeschool. Daar vinden ze dat je eerst zelf onderzoek moet hebben gedaan – op hun hoogste niveau – alvorens andermans onderzoek te kunnen beoordelen.

Ik geloof er niets van. Als het afstudeerproject helemaal wordt voorgeprogrammeerd, wat blijft er dan nog over van een onafhankelijke houding? En zeker de economie-opleidingen vertonen alle kenmerken van een monocultuur. Dat is niet bevorderlijk voor de intellectuele diversiteit die je als beleidsmaker of consultant hard nodig hebt om een kwestie vanuit verschillende hoeken te bekijken.

Om onderzoeksresultaten (van anderen) te kunnen beoordelen moet je niet alleen letten op het wetenschappelijke gehalte – overigens niet bepaald eenduidig in de sociale wetenschappen. Veel belangrijker zijn vragen als: zijn de resultaten eigenlijk relevant voor de (multidisciplinaire) beleidsproblematiek die we willen analyseren of aanpakken; welk eisen moeten we stellen aan nieuw beleidsonderzoek; en waar vinden we de meest capabele onderzoekers? Meestal niet bij de universiteit want daar wordt het personeel voornamelijk afgerekend op het aantal artikelen in toptijdschriften – die alleen door vakbroeders en -zusters worden geredigeerd en beoordeeld. Een vorm van kwaliteitsbewaking die al te vaak leidt tot academische inteelt. Hoe kun je dan verwachten dat studenten goed worden voorbereid op de beroepspraktijk buiten de universiteit?

Kruisbestuiving?

De eenheid van onderzoek en onderwijs wordt vaak als de hoeksteen van het academische bedrijf beschouwd, vanwege de vruchtbare kruisbestuiving die zou optreden. Daar heb ik nooit zoveel van gemerkt, ik zag vooral veel ongerijmdheden.

Zo heeft de toegenomen werkdruk eerder betrekking op het onderzoek dan op het onderwijs. Bij een universitaire onderwijsaanstelling telt elk contactuur meestal voor vier tot vijf klokuren, te besteden aan voorbereiding van het onderwijs en aan tentamens maken en nakijken. In het hbo is deze verhouding eerder 1:2. Terwijl je in het voortgezet en basisonderwijs 25 contacturen moet draaien voor een fulltime baan.

Waarom universitaire docenten toch zoveel werkdruk en vooral frustratie ervaren, heeft eerder met de dominante positie van het academische onderzoek te maken. Op de universiteit word je als een loser beschouwd wanneer je weinig – of nog erger: géén – onderzoeksuren hebt. Niet dat het academische onderzoek tegenwoordig zo leuk of uitdagend is (voor veldonderzoek is geen tijd en geld) maar het is de enige manier om hoger op de universitaire apenrots te komen. Als je tenminste je onderzoek gepubliceerd weet te krijgen in toptijdschriften, want alleen dan tel je mee.

Kortom, de beslissingen over het universitaire onderwijs worden voornamelijk genomen door bestuurders en hoogleraren die zelf zo min mogelijk onderwijs (willen) geven. De vele overuren die universitaire docenten inderdaad maken, besteden zij vooral aan het meedogenloze spelletje Publish or Perish.

Wil je een grondige verbetering van het universitaire onderwijs, dan is de enige oplossing om niet de (publicerende) onderzoekers maar de docenten het heft in handen te geven. Moet er dan helemaal geen onderzoek plaatsvinden op de universiteit? Natuurlijk wel, maar dan alleen als dit het onderwijs beter maakt. Het andere onderzoek doen ze maar in para-universitaire instituten, die niet worden gefinancierd door de Rijksbijdrage maar door NWO en andere onderzoeksfinanciers. Dit voorstel impliceert verder dat uitsluitend onderwijscriteria bepalen of iemand op de universiteit kan werken en daar hogerop kan komen. Zoals bij de para-universitaire instellingen uitsluitend onderzoekskwalificaties de doorslag geven.

Meer, meer, meer

Mijn voorstel om onderzoek en onderwijs te scheiden is al gerealiseerd bij de University Colleges, waar de staf zich alleen bezighoudt met onderwijs en onderwijsgebonden onderzoek, en het onderwijs kleinschalig, intensief en interdisciplinair is. Het belangrijkste probleem: er zijn er veel te weinig! Zodat er onderling te weinig concurrentie is en de studenten strenger worden geslecteerd dan nodig is.

De tien University Colleges die Nederland momenteel telt, zijn allemaal bij gevestigde universiteiten en hogescholen ondergebracht. Met andere wet- en regelgeving kunnen ze heel goed onder de vleugels van nieuwe organisaties floreren. Steeds meer voorbeelden, zoals thuiszorgorganisatie Buurtzorg en de Zweedse Handelsbanken, laten immers zien dat zelfsturende teams heel weinig overhead nodig hebben.

Ook op andere fronten is er ruimte voor diversiteit. Niet iedere College hoeft, zoals nu het geval is, Engelstalig te zijn, wonen op de campus verplicht te stellen, of zich te beperken tot de liberal arts and sciences. Bij economie, bedrijfskunde, psychologie en andere massastudies kunnen kleinschalige Colleges eveneens voor een vruchtbare omslag zorgen. Stimuleer dat iedere universiteitsstad minimaal twee Colleges krijgt. Meer wedijver maakt innovatief, zolang er niet wordt geconcurreerd op kwantiteit, zoals bij de huidige universiteiten en hogescholen het geval is, maar op onderwijskwaliteit.

Weg met het asociale leenstelsel

Zeker, met ruim vierduizend euro is het collegegeld bij een University College twee keer zo hoog als wat de overige 99 procent universitaire bachelorstudenten betalen. Daar krijgen ze wel veel beter onderwijs voor terug. Het extra bedrag bedraagt bovendien slechts 12,5% van het normbedrag van zestienduizend euro die het Nibud voor de gemiddelde student heeft berekend. We moeten het prijsverschil dus niet overdrijven.

Het probleem zit ‘m eerder in het huidige ‘sociale leenstelsel’ dat ervoor zorgt dat het Nederlandse hoger onderwijs, en de University College in het bijzonder, steeds elitairder wordt. Want de praktijk is dat vooral rijkeluiskinderen maximaal lenen (tegen 0,0% rente) – om meer te feesten, om te speculeren op de beurs of met bitcoins, of alvast te sparen voor een eigen huis. Later kunnen ze die schulden met gemak terugbetalen, dankzij een goedbetaalde baan en rijke ouders die alleen al om fiscale redenen hen graag wat toeschuiven. Studenten uit armere milieus weten maar al te goed dat je zonder rijke ouders je hele leven last kunt hebben van torenhoge schulden, en nemen dus minder gauw de stap om te gaan studeren, en zeker niet bij een University College.

Het protest van de studentenbonden gaat niet verder dan ‘terug naar de basisbeurs’ (ook voor studenten met rijke ouders!). Ze kunnen beter naar Harvard kijken. Het collegegeld, $46,340 voor het komend cursusjaar, is torenhoog maar er zijn allerlei beurzen voor studenten met arme ouders of afkomstig uit minderheidsgroeperingen. Van de huidige Harvard-studenten heeft maar liefst 55 procent een beurs ontvangen en het gemiddelde beursbedrag is meer dan $53,000. Ik durf te wedden dat het Harvard-systeem meer diversiteit en gelijkheid brengt dan ons ‘sociaal leenstelsel’ – maar ook dan de basisbeurs.

In dit licht gezien lijken de University Colleges het helemaal nog niet zo slecht te doen. Zo ontvangt ongeveer zeven procent van de studenten aan het Utrechtse University College een beurs. In vergelijking met Harvard is dit niet veel maar het is ongetwijfeld hoger dan het Nederlandse gemiddelde.

Mijn voorstel: laat iedere onderwijsinstelling een beurzenfonds oprichten voor minderheden en studenten met armlastige ouders. Zodat iedereen die daarvoor de capaciteiten heeft, deze daadwerkelijk kan benuttten. De benodigde financiële middelen kunnen uit donaties komen maar Nederland kent op dit gebied nog weinig traditie. Cofinanciering kan dan een oplossing zijn: iedere beurs van het eigen College wordt voor de helft gefinancierd uit een landelijk fonds.

En laat de studentenbeweging zich vooral richten op de twee basisvragen. Voor de individuele student: krijg ik waar voor mijn geld? Voor de gemeenschap: levert het hoger onderwijs voldoende bijdrage aan het maatschappelijk emancipatieproces?

S. de Beter

Dit artikel wordt in iets andere vorm op 8 januari gepubliceerd in Argus

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten