Toegangsbarrières

Economen vormen zeker niet de enige professie waar (witte) mannen een dominante positie innemen en vrouwen nog een marginale rol spelen. Zie het mooie artikel over vrouwelijke architecten. Maar we zitten wel in de top-3, durf ik te beweren.

Toen ik ging studeren hadden vrouwen bij de economie-opleiding van de UvA een marktaandeel van zo’n twee procent. Dat is inmiddels een stuk hoger geworden (samen met de veel vrouwvriendelijke bedrijfskunde ongeveer 30 procent in 2016) maar nog steeds is economie een typisch mannenberoep.

Kip of ei? Zijn er zo weinig vrouwelijke economen omdat de economische wetenschap zich theoretisch en vooral methodisch in een richting heeft ontwikkeld die voor vrouwelijke middelbare-school-verlaters niet erg aantrekkelijk is? Of geldt eerder de omgekeerde relatie? Derde optie, die het meest voorkomt: er is sprake van co-evolutie. Dus de ene factor beinvloedt de andere, en omgekeerd.

Hebben die enkele vrouwelijke economen voor- of nadeel van de mannen-dominantie? “Als vrouw hoef je helemaal niet goed te zijn om hoogleraar te worden (of een andere toppositie te krijgen)” zal menige man denken (en uitspreken bij mannen onder elkaar). “Want iedere economische faculteit (of andere organisatie) wil graag het beste jongetje van de diversiteitsklas zijn door meer vrouwelijke hoogleraren aan te trekken, en dus knijpen ze een oogje dicht als het om de intellectuele prestaties gaat”. Deze redenering komt echter als een boemerang bij hen terug. Want als vrouwelijke economen inderdaad worden overgewaardeerd, is dit een extra reden om het vakgebied voor vrouwen veel aantrekkelijker te maken. Juist economen zouden toch moeten weten dat bij een gelijkblijvende vraag de prijs pas omlaag gaat als er extra aanbod wordt gecreëerd (of gaat deze analogie hier niet op?)

Deze gedachten kwamen bij mij op bij het lezen van de laatste aflevering in The Economist in haar serie over de tekortkomingen van de economische wetenschap, over “the discipline’s lack of diversity”.

De toegangsbarrières voor vrouwen krijgen daarin de meeste aandacht maar het probleem is veel breder: hoe te voorkomen dat dit vakgebied een fossiel wordt doordat er te weinig instroom is van nieuwe invalshoeken? Een wereld waarin “the winner takes all” verdraagt zich moeilijk met het ideaal van de intellectuele creativiteit en diversiteit. Meer vrouwelijke economen erbij is echt niet voldoende.

Zie ik beren op de weg die er niet zijn – zeker in Nederland niet? Ik hoef alleen maar te wijzen op de constatering van Rethinking Economics dat de neoklassieke theorie een gemiddeld marktaandeel heeft van 86 procent in het economie-curriculum.

Waar komt bij economen die ‘gespleten persoonlijkheid’ vandaan? Op iedere andere markt spreken ze van kracht van concurrentie en over de gevaren van een dominante marktpositie maar op hun eigen markt gelden blijkbaar andere regels en prioriteiten.

Science is supposed to be the ultimate meritocracy. People might sneer at a thinker’s background or training, but there can be no arguing with a powerful new idea which explains the world better than its rivals do. In reality, academia is cluttered with odd cultures and practices which serve as barriers to entry—and, at times, as cover for discrimination. In economics, men receive tenure at a rate 12 percentage points higher than women do, after controlling for family circumstances and publication records. Women who clear that hurdle are about half as likely as men to be named full professor within seven years. Just 4% of doctoral degrees in economics were awarded to African-Americans in 2011 (compared with about 8% across all academic fields). Something is broken within the market for economists, and the profession has moved only belatedly and partially to address it. A lack of inclusivity is not simply a problem in itself but a contributor to other troubles within the field.

Though women in economics have long been aware of the discipline’s biases, a growing body of research is making the problem harder for men to ignore. When decisions are made about tenure, men are not penalised for having co-authored lots of papers, whereas women who co-author with men are, according to work by Heather Sarsons, of Harvard University. That suggests women’s contributions to such papers are discounted; in other fields, like sociology, this is not the case. Research by Erin Hengel of the University of Liverpool has shown that papers by women are better-written, on average, than those by men, but spend longer in peer review, suggesting that women are held to a higher standard. That makes female researchers less productive.

The climate within economics can be hostile as well. Economics Job Market Rumors, an anonymous website frequented by graduate students and used to discuss job openings and candidates, has long been notorious for threads that include derogatory or sexually inappropriate remarks. A recent newsletter of the American Economic Association (AEA) opens with an essay by Jennifer Bennett Shinall, of Vanderbilt University. On a flight home from the AEA’s annual meeting, another attendee attempted to kiss her and suggested her career would be fine so long as she “made smart decisions”. Ms Shinall says she considered keeping the incident to herself, because she did not yet have tenure and might need letters of reference from her attacker’s colleagues. Such concerns surely stop other episodes of this sort from ever coming to light.

The profession’s failings in this regard almost certainly influence the quality and focus of economic research. Putting women off careers in academic economics, and undermining the productivity of those who persist, means excluding good minds and good ideas. It also means excluding different viewpoints. Although individual women have all sorts of ideologies, surveys suggest that the views of men and women on some issues diverge, on average, in significant ways. Male economists are more likely to prefer market solutions to government interventions. Women are more likely to favour redistribution and environmental-protection rules. Were economics to include a broader array of views, its findings might well change, too.

Indeed, these biases may also inform views about bias. Women are far more likely than their male colleagues to say that gender gaps are rooted in inequities in the market. A survey of a random sample of members of the AEA, by Ann Mari May and Mary McGarvey of the University of Nebraska and Robert Whaples of Wake Forest University, found that hardly any men believed professional opportunities for economics faculty are tilted against women. Remarkably, about a third believe there is bias in favour of women. Many male economists seem to reckon the meritocracy is functioning perfectly well, with no problems to fix; men presumably dominate because of superior ability.

The lack of diversity within economics is not just a matter of women. Limited diversity of race and background at the top of the field can distort policy in worrying ways. For example, Narayana Kocherlakota, an economist and former president of the Federal Reserve Bank of Minneapolis, argued in 2014 that an absence of diversity at the Fed reduces the breadth of perspectives considered and undermines its effectiveness as a central bank. (Mr Kocherlakota was the first non-white person to be president of a regional Fed bank.)

Economists are taking some steps to address these problems. The AEA recently adopted a code of conduct obliging economists to carry on civil and respectful dialogue, and is working to set up its own forum for discussion of job openings and candidates. But there is far more to be done. Hiring committees should re-examine their recruitment and promotion practices. Economic journals could take a page out of sociology’s book and list authors according to their contributions to papers, rather than alphabetically. Removing the barriers faced by underrepresented groups would not transform the profession overnight, but would inject a bracing gust of competition into the field’s imperfect meritocracy.

Improperly identified

To generate lasting improvement, in its diversity and in other problem areas, economics could also do with a change in mindset. The profession has a strong sense of who an economist is and what one does; it is, as Axel Leijonhufvud once noted in an amusing paper, like a strange and insular tribe. This group identity is bolstered by the field’s status and influence, which might be threatened by changes to its composition, ideas and methodologies. But as economists point out so persuasively in other contexts, to improve requires change. Economics, like the economy, cannot thrive without a little creative destruction.

Gepubliceerd in The Economist op 10 Mei 2018

Voortbouwend op de laatste zin zal ik (of een andere auteur) in de komende maanden enkele economische concepten behandelen die hoog nodig op de schroothoop moeten. Deze nieuwe serie – onder de titel “Overbodige rommel” – is geinspireerd door het boek “Economic Ideas You Should Forget”, onder redactie van de Zwitserse economen Bruno Frey en David Iselin. Welkom een ieder die ook wilt schrijven over een overbodig concept; wat echter niet betekent dat iedere bijdrage zonder revisies wordt gepubliceerd.

S. de Beter

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten