Hoe de financiering van het hoger onderwijs slachtoffers maakt op de woningmarkt

Waarom universiteiten en hogescholen zo graag buitenlandse studenten willen hebben, daarover ging de eerste aflevering van mijn serie “Studeren in de 21e eeuw”, waarin ik mij voorlopig beperk tot Nederland. Daarna schreef ik over het fenomeen dat studenten steeds meer gebruik maken van huurtoeslag. Deze twee trends staan niet los van elkaar, zoals ik in de derde aflevering laat zien. Integendeel, ze versterken elkaar en komen uit dezelfde ideologische koker.

Beide horen bij de hedendaagse variant van “Ieder voor zich, God voor ons allen”. Sinds God dood is verklaard, heeft de Overheid (of de Partij, communistisch dan wel fascistisch) veel van diens taken overgenomen. Toen haar zegeningen evenmin voldeden, heeft de Markt haar plaats ingenomen. Wat in het politieke domein betekent dat iedereen voor zichzelf kan en moet zorgen (neoliberalisme), in de economische wetenschap dat efficiënte oplossingen vanzelf komen bovendrijven als we de Markt haar gang laten gaan (het neoklassieke model). Hoe pakt deze geloofsovertuiging uit op het terrein van de studentenhuisvesting? Wordt iedereen daar beter van? En wat is het verband met de financiering van universiteiten en hogescholen?

Inclusief huisvesting?

Ieder jaar eind augustus is het weer raak in studentensteden: Nederlandse maar vooral buitenlandse studenten die naarstig – soms zelfs wanhopig – op zoek zijn naar woonruimte. Vaak doen ze de eerste weken noodgedwongen een beroep op campings en hostels.

In Groningen loopt het dit jaar helemaal de spuigaten uit. Medio juni is bekend dat het aantal aanmeldingen fors is gestegen. Bij Nederlandse studenten is de toename 11 procent, maar bij buitenlandse studenten is de toename veel groter: zo zijn er 50 procent meer aanmeldingen van studenten uit Europa, en nog eens 31 procent meer aanmeldingen van studenten buiten Europa. Wie denkt de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) voor die tweeduizend extra studenten voldoende huisvesting gaat regelen, vergist zich deerlijk. “Wij zijn een academische onderwijsinstelling, geen woningcorporatie”, moeten ze bij de RuG hautain hebben gedacht. Tegenover de bezorgde Universiteitsraad erkent universiteitsbestuurder Jan de Jeu dat het aantal aanmeldingen hoger ligt dan de RUG verwacht had. “Maar we weten nog niet zeker hoeveel van deze studenten ook daadwerkelijk naar Groningen komen.”, zegt hij sussend. Dat iedereen in september een kamer heeft gevonden, durft hij niet te garanderen. ‘Maar een slaapplek, dat verwacht ik wel.’

Eind augustus hebben ze in alle haast drie tenten neergezet, elk voor 30 studenten die alleen een bed en een kluisje krijgen. Voor het sanitair moeten ze terecht bij het naastgelegen Sportcentrum. En overdag zijn de tenten op slot. Voor deze superaanbieding geldt een prijs van 12,50 euro per nacht, dus ruim 350 euro per maand. De buitenlandse studenten kunnen ook terecht op slaapschepen: 42,50 euro per nacht en dan zijn de maaltijden wel inbegrepen. Maar je moet wel voor de hele maand boeken.

Op 30 augustus hebben RuG en Hanzehogeschool al bakzeil gehaald, na vele protesten. De tenten zijn gratis en toch overdag open, en een hele maand boeken voor een slaapschip hoeft ook niet meer. Ondertussen zijn zeven RuG-medewerkers bereid gevonden om een logeerkamer ter beschikking te stellen.

Ik ben benieuwd hoe dit huisvestingsprobleem zich de komende maanden gaat ontwikkelen, in Groningen en in andere studentensteden. Ongetwijfeld gaan Kamerleden zich ermee bemoeien, zoals vorig jaar in het zogeheten dertigledendebat over huisvesting voor buitenlandse studenten. De houding van het RuG-bestuur zal dan in ieder geval op sympathie kunnen rekenen van PVV-Kamerlid Kops, want hij toonde toen geen medelijden met buitenlandse studenten die geen huisvesting kunnen vinden. Hij spreekt van studenten die “op de bonnefooi, op goed geluk, naar Nederland komen” nadat zij zich hebben ingeschreven bij een universiteit of hogeschool. “Dat is natuurlijk niet heel handig. Zelfs de gemiddelde vakantieganger gaat vandaag de dag nog goed voorbereid op reis, inclusief geboekte accommodaties.” Heeft hij gelijk en is het eigen schuld dikke bult voor die buitenlandse studenten? Of is het toch niet zo raar dat zij verwachten dat hun huisvesting goed is geregeld door de onderwijsinstelling die hen zo hartelijk welkom heet (en goed aan hen verdient zoals hier en hier te lezen is)?

Zeker sinds de komst van het internet zullen de meeste buitenlandse studenten een uitgebreide verkenning maken alvorens zij kiezen voor een Nederlandse universiteit. Wellicht kijken ze eerst naar topuniversiteiten zoals Harvard University. Dan zien ze op hun scherm die mooie campusgebouwen waar ze straks een kamer zullen krijgen – als hun droom werkelijkheid zou worden. Bij Harvard snappen ze dat hun ‘klanten’ niet alleen goed onderwijs willen maar ook huisvesting en een interessant sociaal en cultureel leven. Plus een beurs voor studenten die geen rijke ouders (of andere geldbronnen) hebben om dit alles te kunnen betalen. Ook in andere landen hebben universiteiten de huisvesting voor hun studenten meestal goed geregeld, zeker als deze uit het buitenland komen.

Maar niet in Nederland. Alleen de Technische Universiteit Twente beschikt over een eigen campus waar buitenlandse studenten worden ondergebracht, naast studenten ‘van eigen bodem’. Hetzelfde lijkt ook te gelden voor de nieuwe University Colleges – met veel buitenlandse studenten – die een aparte status hebben binnen de universiteit waar ze deel van uitmaken. Ook in Wageningen schijnen ze de huisvesting voor buitenlandse studenten redelijk goed op orde te hebben.

Bij de meeste Nederlandse onderwijsinstellingen moeten buitenlandse studenten het allemaal zelf regelen: huisvesting, sociale en culturele activiteiten, en eventueel studiefinanciering. Natuurlijk, elke zichzelf respecterende onderwijsinstelling voor hoger onderwijs heeft een International Office met goedwillende medewerkers die graag willen adviseren in de zoektocht naar woonruimte. Ook reserveren de onderwijsinstellingen kamers bij de studentenhuisvesters voor hun buitenlandse gasten, stafleden en studenten – wel in die volgorde! – maar dat is iets anders dan huisvesting garanderen. In het eerdergenoemde debat zegt CDA-Kamerlid Ronnes het zo: “Op de vraag wie de eerste verantwoordelijkheid heeft voor het huisvesten van die studenten, komt geen duidelijk antwoord. Volgens de minister zijn de student, de studentenwoningcorporatie, de gemeenten, de universiteiten en de hogescholen allemaal een beetje verantwoordelijk. In de praktijk zal dat inhouden dat niemand zich verantwoordelijk voelt en iedereen maar naar de ander kijkt”

Dat was vroeger wel anders. Tot de jaren ‘80 – toen er overigens nog nauwelijks buitenlandse studenten waren – namen de Nederlandse universiteiten wél hun verantwoordelijkheid en hadden de Stichting Studentenhuisvesting (SSH). De SSH bestaat nog steeds maar staat nu formeel helemaal los van de universiteiten en hogescholen. Hetzelfde geldt voor hun concullega’s als DUWO en Idealis. Zeker, zij bouwen en beheren nog steeds woonruimte voor studenten, maar tevens voor andere starters op de woningmarkt. En officieel is de SSH nog altijd niet commercieel maar met een beloning van 217 duizend euro – dus ruim boven de Balkenende-norm – voor de directeur-bestuurder is de salariëring wel ‘aangepast’, zoals je wel vaker ziet bij non-profit organisaties.

Een aantrekkelijke groeimarkt

Het zijn niet alleen studentenhuisvesters als SSH die de laatste jaren driftig aan het bouwen zijn om de groeiende stroom studenten van woonruimte te voorzien; woningcorporaties en commerciële investeerders houden zich tegenwoordig eveneens bezig met jongerenhuisvesting, die in studentensteden voornamelijk voor studenten is bestemd. De groei komt niet van Nederlandse studenten want deze categorie is het afgelopen decennium vrijwel gestabiliseerd. Bovendien blijven zij langer bij hun ouders wonen, sinds de invoering van het ‘sociale leenstelsel’. Nee, het zijn voornamelijk buitenlandse studenten die een extra beroep op de woningmarkt doen. Afgezien van Duitse en Belgische studenten uit de grensstreek hebben zij niet het alternatief om thuis te blijven wonen, en zijn dus aangewezen op wat de Markt te bieden heeft..

Naast de 32 duizend uitwisselingsstudenten, die normaliter drie tot vijf maanden in ons land zijn, gaat het hoofdzakelijk om buitenlandse diplomastudenten die hun studie hier afronden met een Nederlands diploma. Deze groep is volgens Nuffic gestegen van 25 naar 90 duizend in de periode 2000-2017. Hun aandeel was in 2016/17 voor de hogescholen 6,2% (1 op 16) en voor de universiteiten 12% (met maar liefst 25% voor de masteropleidingen). Volgens hun Internationaliseringsagenda mikken universiteiten en hogescholen op het “doortrekken (van de) huidige trends naar 1 op 14 internationale studenten in het hbo en 1 op 5 in het wo in 2025”. Gemiddeld, wel te verstaan. Minister Van Engelshoven wil dit streven graag ondersteunen, zo kunnen we lezen in haar Kamerbrief.

Dat onderwijsbestuurders blij zijn met deze instroom, zal niet verbazen. Want iedere extra student van buiten Europa moet een fors bedrag aan instellingscollegegeld betalen, bij een masterstudie is dat op jaarbasis ongeveer tussen 8000 euro voor HBO- studenten, 13.000 euro voor de universitaire alfa- en gamma-studies en 20.000 voor beta-studies en geneeskunde. Daar staan betrekkelijk weinig kosten tegenover want als je eenmaal een onderwijsapparaat beschikbaar hebt, kunnen extra studenten meestal gewoon aanschuiven in de collegebanken (zeker bij de gamma-opleidingen), zoals ik hier betoog.

In 2017 gaat het bij deze categorie om ongeveer 9 duizend studenten, veel minder dan de groep buitenlandse studenten afkomstig uit Europa – om precies te zijn: de Europese Economische Ruimte (EER) – : ruim 23 duizend. Zij betalen net als Nederlandse studenten ruim 2000 euro aan collegegeld. Daarnaast krijgt de onderwijsinstellingen voor iedere EER-student 6800 euro aan Rijksbijdrage, zo lezen we in hun Intenationaliseringsagenda (bijlage 4).

Voor de Nederlandse belastingbetalers is de massale toestroom van Europese studenten echter minder leuk, want die extra Rijksbijdragen gaan ten koste van andere collectieve uitgaven. Dat zien we helemaal verkeerd, vinden de nationale rekenmeesters bij het CPB. Want veel buitenlandse studenten krijgen hier later werk, en gaan dan inkomstenbelasting betalen, plus BTW en andere indirecte belastingen. Volgens Nuffic blijft ruim 25 procent van de buitenlandse studenten in NL, en houden we op jaarbasis netto niet minder dan 1,6 miljard aan hen over.

Dat is nog steeds klein bier, denkt het Amsterdamse onderzoeksbureau The class of 2020, gesponsord door partners die buitenlandse studenten graag zien komen. In een rapport met de ronkende titel “The Netherlands As European Talent Hub” – voor minder doen we het niet – wordt uit de losse pols berekend dat “organisch het huidige aantal van 82.000 internationale diplomastudenten zal groeien naar 120.000 in 2025”. Maar we kunnen de lat natuurlijk nog hoger leggen: een verdrievoudiging naar “225.000 in 2025”. Dat levert maar liefst 3,3 miljard euro per jaar extra op. Een verdrievoudiging van het aantal buitenlandse studenten zorgt ook nog voor “zo’n 1,2 miljard aan extra investeringen in (studenten)huisvesting”.

Deze berekeningen zijn een schoolvoorbeeld van ‘de zaak rijk rekenen’, een activiteit waar economen zich te gemakkelijk voor lenen. Zo wordt verondersteld dat alle buitenlandse studenten die in Nederland blijven, ook (meteen) werk vinden, een veronderstelling die ik in een van mijn volgende blogs zal onderzoeken. Verder wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat buitenlandse studenten gebruik maken van zorg- en huurtoeslag. Evenmin is er aandacht voor allerlei indirecte effecten die kunnen optreden, voor de interactie daartussen, en voor de verliezers die de komst van buitenlandse studenten met zich meebrengt.

Win-win, maar niet voor iedereen

Lekker gemaakt door al die optimistische voorspellingen en de groeiambities van onderwijsinstellingen geven gemeenten graag toestemming voor de bouwplannen van studentenhuisvesters en projectontwikkelaars. Die bouwen het liefst zelfstandige wooneenheden, want dan kan de huurders huurtoeslag aanvragen, zodat ze zonder problemen een hoge huur kunnen betalen: een aantrekkelijke win-win situatie.

“Dat willen wij ook, creatief gebruik maken van de huurtoeslag”, denken huisjesmelkers en rijke ouders die voor hun studerende kinderen een huis kopen, om allerlei financiele voordelen te benutten. Alleen al in juli heeft bijvoorbeeld de gemeente Groningen 16 vergunningen afgegeven om 76 studentenkamers te verbouwen tot 55 zelfstandige woningen. Per saldo kwamen er dus in één maand 21 minder kamers beschikbaar voor (buitenlandse) studenten.

Waarom voert deze gemeente een beleid dat leidt tot een inkrimping van het aanbod terwijl er juist méér studentenkamers nodig zijn om de groeiende instroom van (buitenlandse) studenten van woonruimte te voorzien?

In haar Huisvestigingsverordening 2015 constateert B&W het volgende. “Het woningaanbod voor jongeren in Groningen strookt niet met de vraag. De kwaliteit schiet tekort. 58% van de jongeren geeft aan een verhuiswens te hebben. Jongeren willen vooral groter wonen, meer eigen voorzieningen en meer privacy. Door nieuwbouw voor jongeren te faciliteren willen we voor een groot deel in deze kwaliteitsvraag voorzien. In de bestaande voorraad zien we dat de markt ontspannen is. Uit onderzoek blijkt dat er geen vraag is naar onzelfstandige woonruimte.” In dat onderzoek hebben ze blijkbaar vergeten te vragen of de jongeren (hoofdzakelijk studenten, vermoed ik) ook bereid zijn om voor hun woonwensen te betalen. Dankzij de huurtoeslag hoeven ze niet te betalen voor hun extra woongenot; ze krijgen een free lunch zoals economen dit noemen.

De gemeente Groningen krijgt eveneens een free lunch want ook zij hoeft de rekening niet te betalen. Al die zelfstandige wooneenheden die door nieuw- en verbouw op de markt komen, drukken op de Rijksbegroting in de vorm van huurtoeslag. Als ik mij beperk tot die 55 zelfstandige wooneenheden, gaat het op jaarbasis om 183 duizend euro: 55 x 12 x 278 (de maandelijkse huurtoeslag bij een huur van 710 euro). Stel dat niet het Rijk maar de Gemeente moet opdraaien voor deze extra miljoenen aan huurtoeslag? Dan wordt zij ongetwijfeld een stuk minder enthousiast over haar eigen beleid.

Voor studenten en andere jongeren die géén zelfstandige woning kunnen bemachtigen, heeft deze ontwikkeling louter nadelen. Tegenover extra huisvesting door nieuwbouw – die vaak traag tot stand komt, tenzij het om wooncontainers gaat (die eveneens recht op huurtoeslag geven) – staat minder aanbod door verbouw – die heel wat sneller gaat, zeker in de gemeente Groningen. Gevolg is dat de huurprijzen stijgen, nog versterkt door de instroom van buitenlandse studenten. En zo heeft de huurtoeslag ook voor de traditionele studentenkamers een prijsopdrijvend effect. Alsmede voor koopwoningen, zoals ik hierna laat zien.

Buy-to-let

Dat de huizenprijzen zo hard stijgen, wordt meestal toegeschreven aan de dalende rente. Die maakt het voor particuliere beleggers aantrekkelijk om hun spaargeld in vastgoed te investeren. Deze opvatting vinden we ook in een artikel in het Dagblad van het Noorden van 29/8/18, waar we lezen over starters die de stad Groningen ontvluchten vanwege te weinig woningen en te hoge huizenprijzen.

Maar een dalende rente hebben we al sinds 2009, terwijl de huizenbubbel pas in 2013 is begonnen. Dat particuliere beleggers de starters op de huizenmarkt verdringen is nog recenter, althans in Groningen. In hetzelfde artikel zegt Jan Palland van Makelaardij Groningen: “Voor een starterswoning kan ik zomaar twintig bezichtigingen hebben staan, waarvan dan driekwart uit beleggers bestaat”.

Vooral in studentensteden komt een steeds groter deel van de woningvoorraad in handen van mensen die het aangekochte pand niet zelf bewonen maar verhuren, in de vakliteratuur aangeduid als buy-to-let . Een onderzoeksrapport in opdracht van de Socialistische Partij vermeldt dat in de stad Groningen het aantal particuliere huurwoningen (dus zonder huurwoningen in corporatiebezit) in de periode 2012-17 is gestegen van ruim 17 naar bijna 24 duizend. In een percentage van de totale woningvoorraad is dit een stijging van 20,1 naar 24,8 procent. Daarmee staat Groningen landelijk op de tweede plaats, na Amsterdam (waar het aandeel is gestegen van 24,2 naar 26,7 procent). Het Groningse aandeel is in 2017 precies het dubbele van het landelijk gemiddelde, dat steeg van 10,5 naar 12,4 procent. De andere studentensteden zitten eveneens boven het landelijke gemiddelde. Opmerkelijk is dat Enschede relatief laag scoort, met 13,8% in 2017. Dankzij de eigen campus van de universiteit aldaar?

Onbekend is hoeveel van die particuliere huurwoningen in handen zijn van ouders die een huis voor hun (studerende) kinderen hebben gekocht, waarover ik in de vorige aflevering schreef. Wel zijn er cijfers over het aandeel in het totaal aantal kooptransacties dat voor rekening komt van particulieren met drie tot vijftig woningen. De figuur hieronder toont de ontwikkeling van dit aandeel in een viertal middelgrote studentensteden, dat een stuk hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Hoewel er verrassend veel fluctuaties zijn (waarschijnlijk omdat transacties tussen verhuurders ook in deze cijfers zitten), is er onmiskenbaar een stijgende trend te zien. Ook valt op dat de twee steden met in 2017 het hoogste aandeel buitenlandse studenten, Maastricht (56%) en Groningen (20%), tevens het hoogste aandeel kleine en middelgrote beleggers hebben.

In het rapport voor de SP wordt niet gerept over de rol van (de groei van) buitenlandse studenten. Evenmin over de mogelijkheid dat huurtoeslag voor (buitenlandse) studenten een belangrijke verklaring kan zijn voor de toenemende belangstelling van particuliere beleggers. Hetzelfde geldt voor een ander onderzoek over de huurwoningmarkt, van onderzoekers bij Kadaster en NVM, die eveneens constateren dat juist in de studentensteden het aanbod van buy-to-let woningen groeit.

De gevolgen zijn duidelijk: er komen steeds minder koopwoningen beschikbaar voor particulieren die wél in hun eigen huis willen wonen, de starters op de huizenmarkt. Bovendien leidt ‘het gevecht om de huizen’ onvermijdelijk tot sterke prijsstijgingen, een ontwikkeling die voornamelijk in studentensteden is begonnen en vervolgens uitgewaaierd naar omringende gebieden. Gecombineerd leidt dit ertoe dat het aantal hypotheken voor een eerste woning al twee kwartalen op rij met 11% is gedaald, zoals in dit FD-artikel is te lezen; voor steeds meer starters is het huizenaanbod simpelweg te klein en te duur. Bijlage 1 gaat over een andere reden waarom veel starters steeds moeilijker een woning kunnen kopen: de gemiddelde studieschuld is sterk gestegen.

Van onderwijsmarkt naar woningmarkt

Voor de conclusies moet ik terug naar de eerste aflevering. ‘Hoe meer, hoe beter’, dat is het verdienmodel van Nederlandse universiteiten en hogescholen, zo heb ik daar geconstateerd. Dit hebben ze niet zelf gekozen maar was een keuze van de overheid, dus van een parlementaire meerderheid destijds. De Rijksoverheid beloont de onderwijsinstelling voor iedere student die zij naar de eindstreep brengt. Dat is een prikkel om te groeien want de marginale opbrengst is een stuk hoger dan de marginale kosten, dus de kosten die een extra student met zich meebrengt. In het hoger onderwijs zijn deze vrij laag als je eenmaal een onderwijscapaciteit beschikbaar hebt.

Vanuit dit groeimodel bezien is het logisch dat universiteiten en hogescholen zich in toenemende mate op buitenlandse studenten hebben gericht toen duidelijk werd dat de instroom van Nederlandse studenten eerder af dan toe zou nemen. En dat in de prognoses deze ontwikkeling wordt aangedikt, om te rechtvaardigen dat de werving van buitenlandse studenten nog meer prioriteit verdient. Zo lezen we in het recente jaarverslag van de Rijksuniversiteit Groningen dat internationale groei nodig is om de krimp van het aantal Nederlandse studenten op te kunnen vangen. Zij had in 2017 5692 internationale en 24010 Nederlandse ingeschreven studenten. De prognose in het jaarverslag is voor 2022 dat het aantal Nederlandse studenten zal dalen naar 22173 en dat het aantal internationale studenten zal stijgen naar 7525. Als u deze aantallen vergelijkt, zal duidelijk worden dat de geprognosticeerde groei van het aantal buitenlandse studenten exact gelijk is aan de te verwachten daling van het aantal Nederlandse studenten. “De wens is de vader van de gedachte” luidt het spreekwoord, wat blijkbaar ook voor veel prognoses geldt.

Een groei van het aantal buitenlandse studenten betekent automatisch dat de vraag naar studentenhuisvesting evenredig stijgt. Want zij hebben niet de keuze tussen thuis blijven wonen en ‘op kamers gaan’, zoals bij Nederlandse studenten het geval is. Zouden de onderwijsinstellingen verantwoordelijk zijn voor de huisvesting van hun studenten, het zou de groei van het aantal (buitenlandse) studenten behoorlijk temperen. Verstandige bestuurders zullen immers een simpel rekensommetje maken, door de extra opbrengst van (instellings)collegegeld en Rijksbijdrage te verminderen met extra huisvestingskosten. In Nederland hoeven ze deze afweging echter niet te maken, want zij laat de huisvesting over aan studentenhuisvesters, projectontwikkelaars, woningcorporaties en huisjesmelkers. Die maken op hun beurt met zelfstandige wooneenheden handig gebruik van de huurtoeslag, door een relatief hoge huur te vragen die netto nog heel goed betaalbaar is. Samengevat kunnen we dus stellen dat het verdienmodel van universiteiten en hogescholen indirect heeft geleid tot een overspannen woningmarkt en tot toenemend ‘misbruik’ van de huurtoeslag.

Hoewel het volkomen legaal is dat studenten huurtoeslag ontvangen – zoals belastingontwijking ook legaal is – spreek ik om twee redenen van misbruik. De verhuurder schroeft de huurprijs omhoog omdat de huurder de hogere huur kan ‘betalen’ in de vorm van huurtoeslag. En studenten profiteren van de huurtoeslag terwijl ze vrijwillig hebben besloten tijdelijk arm te zijn om (meestal) later behoorlijk te verdienen. Dit in tegenstelling tot de andere ontvangers van huurtoeslag – mensen met een minimale uitkering of een slecht betaalde baan, en zzp-ers/zelfstandigen met een laag inkomen – die in omstandigheden verkeren waar ze niet zelf voor gekozen hebben.

Deze categorie, waar de huurtoeslag oorspronkelijk voor bedoeld is, bevat de meeste slachtoffers van het toenemend ‘misbruik’ door studenten (en door projectontwikkelaars, studentenhuisvesters en huisjesmelkers). Vanwege de populariteit van zelfstandige wooneenheden onder studenten verwacht ik in de nabije toekomst een toenemend beroep op de huurtoeslag, dit in tegenstelling tot de CPB-prognose in het IBO-rapport (p. 11): een daling vanaf 2021, na een groei “tussen 2006-2015 met 3%, en tot 2021 nog met circa 0,9% per jaar.”.

Aangezien studenten veel minder in de sociale woningsector met gereguleerde prijzen terecht kunnen, verwacht ik tevens dat het gemiddelde bedrag aan huurtoeslag behoorlijk omhoog zal gaan. In combinatie met de stijgende aantallen zou dit weleens tot een explosieve groei van de totale uitgaven voor huurtoeslag kunnen leiden. Wat in Nederland vrijwel altijd resulteert in het hanteren van de kaasschaaf, dus minder toeslag voor mensen met – noodgedwongen – een veel te krappe portemonnee.

Er is bovendien nog een indirect effect. Door de recente stijgingen van de huizenprijzen – nogmaals: mede dankzij de huurtoeslag – is bij huurwoningen de WOZ-waarde fors hoger geworden (in Amsterdam zelfs 17% in 2018 vergeleken met 2017), aldus de Woonbond. Sinds 2015 speelt deze een grote rol in het bepalen van de maximale huurprijs van een sociale huurwoning via het woningwaarderingsstelsel (wws). Hoe hoger de WOZ-waarde, hoe hoger de maximale huurprijs.

Vanaf 1 januari 2019 ontstaat er nog een extra probleem voor ontvangers van huurtoeslag want dan wordt de KAN-bepaling geschrapt. Nu is het nog zo dat het bedrag dat zij zelf aan huur moeten betalen (‘eigen bijdrage’), stijgt met de ontwikkeling van het bijstandsinkomen of met de gemiddelde stijging van de huren. De overheid kiest bij de KAN-bepaling altijd de berekening die ervoor zorgt dat het bedrag zo min mogelijk stijgt. Vanaf volgend jaar wordt alleen naar de tweede indicator gekeken. Tel uit je verlies. Want bij een stijgende WOZ-waarde wordt niet alleen de huurprijs maar ook de ‘eigen bijdrage’ bij de huurtoeslag een stuk hoger.

Aan oplossingen geen gebrek

Zijn er oplossingen voor de problemen die ik in het voorgaande heb besproken? Onderzoekers van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) komen in hun voorstudie met het voorstel om jongeren onder 25 jaar uit te sluiten van huurtoeslag. Hun argumentatie is als volgt. “Het bijzondere van deze groep is dat het voor een belangrijk deel gaat om mensen met goede inkomensperspectieven zoals studenten en scholieren. Ook zijn deze jongeren doorgaans flexibel in het zoeken naar alternatieve woonoplossingen, zoals het samen delen van woningen of het langer thuis wonen.” (p.49). De auteurs constateren terecht dat “vooral jongeren met lage inkomens hierdoor worden getroffen”. Maar de enige oplossing die ze dan kunnen verzinnen: “Het beperken van de maatregel tot nieuwe gevallen kan dit (negatieve inkomenseffecten bij deze jongeren, SdB) voorkomen en kan spoedig tot uitfasering van de oude gevallen leiden.” Alsof er daarna geen jongeren met lage inkomens meer bestaan!

Zoals eerder opgemerkt, er is een fundamenteel verschil tussen (jonge) mensen die huurtoeslag nodig hebben omdat ze noodgedwongen weinig verdienen, en studenten die vrijwillig en tijdelijk weinig inkomen hebben (in de vorm van studielening of ouderbijdrage) en daarna goede inkomensperspectieven hebben. De enige oplossing die recht doet aan dit verschil: alleen bij studenten het recht op huurtoeslag afschaffen, en dit compenseren door een (inkomensafhankelijke) basisbeurs. Dat is goedkoper omdat projectontwikkelaars en huisjesmelkers dan niet langer misbruik kunnen maken. En het is rechtvaardiger wanneer die basisbeurs afhankelijk wordt van het inkomen van de ouders, wat bij huurtoeslag niet het geval is.

Mijn voorstel heeft als voordeel dat de besluitvorming over buitenlandse studenten veel principiëler wordt. Als zij evenmin recht hebben op huurtoeslag, is het aan de politiek om hen een andere vorm van financiële ondersteuning te geven. Bijvoorbeeld door veel meer beurzen ter beschikking te stellen aan buitenlandse studenten die geen rijke ouders of andere inkomensbronnen hebben. Of door beurzen alleen beschikbaar te stellen voor belangrijke studies die onvoldoende belangstelling genieten bij Nederlandse jongeren zodat er tekorten op de arbeidsmarkt ontstaan. Een dergelijk beurzenbeleid lijkt mij beter dan de huidige situatie waarin buitenlandse (én Nederlandse) studenten volledig zelf mogen bepalen wat ze gaan studeren. Zit Nederland echt te wachten op nog meer jongens en meisjes die de kunstacademie volgen, of bedrijfskunde, internationale relaties of communicatiewetenschappen gaan studeren? En vinden ze de huidige situatie nog steeds geen probleem als ze weten welke kosten daaraan verbonden zijn?

Daarop aansluitend heeft mijn voorstel tevens het voordeel dat veel transparanter wordt welke maatschappelijke kosten zijn gemoeid met de deelname aan het hoger onderwijs, en met de instroom van buitenlandse studenten. Deze omvatten niet alleen de Rijksbijdrage aan de kosten voor de benodigde onderwijscapaciteit, zoals de VSNU gemakshalve stelt. Ook de uitgaven voor huur- en zorgtoeslag waar studenten van profiteren, horen daarbij (en indirect de hogere huren, huizenprijzen en ‘eigen bijdrage’ bij huurtoeslag). Deze kosten komen niet voor rekening van het onderwijsbudget, maar van andere ministeries. In mijn voorstel komen de kosten terecht waar ze thuishoren, namelijk bij het onderwijsministerie. Dat bevordert de politieke besluitvorming over hoeveel geld we als samenleving willen spenderen aan de verschillende onderwijsniveaus, dus bijvoorbeeld het hoger onderwijs versus mbo of basisonderwijs, waar geen of veel minder gebruik wordt gemaakt van huurtoeslag en andere subsidies.

Wat betreft de woningmarkt heeft mijn voorstel als gunstig effect dat de druk op de ketel van de oververhitte woningmarkt een stuk minder wordt. Projectontwikkelaars en huisjesmelkers kunnen dan niet langer de huurtoeslag ‘inzetten’ om een hogere huur te vragen aan (buitenlandse) studenten, de sterkst groeiende categorie op de huurdersmarkt. Dit betekent niet dat de gekte op de stedelijke huizenmarkt helemaal verdwijnt – een huizenbubbel is immers een zichzelf versterkende spiraal – maar het kan wel het begin van een kentering zijn. Zoals ook een file kan verdwijnen – of worden voorkomen – als er een fractie minder verkeer op de weg komt.

Een geheel andere oplossing is dat niet de Rijksoverheid maar de gemeente de huurtoeslag betaalt. Zij geeft immers toestemming voor nieuw- en verbouw die tot meer zelfstandige wooneenheden leidt, en dus tot hogere uitgaven voor huurtoeslag. Dit voorstel past in het streven om taken en verantwoordelijkheden zoveel mogelijk over te hevelen naar het gemeentelijke niveau, zodat diverse overheidsregelingen beter op elkaar en op de plaatselijke omstandigheden kunnen worden afgestemd. Bovendien zorgt deze decentralisatie voor een financiële prikkel aan gemeenten om niet langer voorrang te geven aan de uitbreiding van het aantal zelfstandige wooneenheden, zoals in de gemeente Groningen het geval is. Om misverstanden te vermijden: de voorwaarden voor huurtoeslag blijven landelijk en de toekenning kan nog steeds centraal, bij de Belastingdienst, plaats vinden, de gemeente krijgt alleen de rekening gepresenteerd en kan op basis daarvan haar woonbeleid aanpassen, wat betreft vergunningen voor nieuw- en verbouw.

Harvard als lichtend voorbeeld?

We kunnen de oplossing ook zoeken bij de bron, dus bij de financiering van instellingen voor hoger onderwijs. In de eerste aflevering stelde ik voor om een degressief bekostigingssysteem in te voeren. Dat houdt in dat de Rijksbijdrage per student in het begin relatief hoog is en lager wordt naarmate het aantal studenten stijgt. Daarmee vervalt het financiële fundament onder het huidige groeimodel. Het wordt dan minder aantrekkelijk om de teruggang in het aantal Nederlandse studenten te compenseren met het werven van buitenlandse studenten, met alle nadelen van dien voor de woningmarkt.

Dit lijkt geen oplossing voor de instroom van studenten van buiten Europa, want bij deze groep gaat de financiering via het (hoge) instellingscollegegeld, en niet via de Rijksbijdrage (plus het ‘normale’ collegegeld). Deze groep is echter veel kleiner dan het aantal Europese studenten. Bovendien is de winst die de onderwijsinstellingen met deze groep boeken, grotendeels gebaseerd op het volume van de categorie Europese studenten. Stel dat universiteiten worden verplicht om opleidingen zowel in het Engels als in het Nederlands aan te bieden, dan zorgen de Europese studenten voor de kritische massa die nodig zijn om lage gemiddelde en marginale kosten te realiseren. Anders geformuleerd: als de Engelse opleidingen het alleen van niet-Europese studenten moeten hebben (omdat de extra Europese studenten financieel onaantrekkelijk zouden zijn vanwege de degressieve Rijksbijdrage) zullen ze op deze groep helemaal niet zo veel verdienen, zolang het volume laag blijft.

Een andere oplossing ligt eveneens bij de instellingen voor hoger onderwijs: verplicht hen om ook hun verantwoordelijkheid te nemen op het gebied van huisvesting en studiefinanciering. Mijn voorstel is allereerst een kwestie van moraliteit: wie de lusten wil genieten (in de vorm van geld voor onderwijs) moet tevens de lasten voor zijn rekening nemen (door gepaste huisvesting en studiefinanciering te regelen). Zij is tevens gebaseerd op goede voorbeelden, gezond verstand en economische principes. Het goede voorbeeld geeft o.a. Harvard University. Als je daar studeert, betaal je voor de studie maar ook voor de huisvesting en andere faciliteiten. En armlastige studenten komen in aanmerking voor een studiebeurs.

Het Harvard-model stoelt op enkele nuttige economische en bedrijfskundige principes. Eén daarvan heeft betrekking op complementariteit: afgezien van online-cursussen kun je alleen studeren als je ook huisvesting hebt, plus het geld om beide ‘producten’ en de kosten van levensonderhoud te kunnen betalen. Als student wil je liever een totaalpakket dan ‘boodschappen doen’ op drie verschillende ‘markten’. Zoals je ook een complete auto wilt, en niet alleen de motor zodat je de diverse carrosserie-onderdelen zelf moet kopen.

Een ander economisch principe ontleen ik aan wijlen Ronald Coase die in 1991 de Nobelprijs kreeg voor zijn ‘ontdekking’ van de economische transactiekosten. Toegepast op de situatie van buitenlandse studenten die hier komen studeren, zou hij als volgt redeneren. Bij het verkrijgen van de benodigde woonruimte worden zij geconfronteerd met allerlei transactiekosten, zoals zoekkosten, onderhandelingskosten en het afdwingen van afspraken met de verhuurder. Deze kosten zijn voor de onderwijsinstelling veel lager dan voor de buitenlandse studenten, die immers de plaatselijke huurmarkt niet kennen, niet zo lang kunnen wachten op een aantrekkelijk aanbod van woonruimte, en niet de wegen kennen om hun gelijk te halen als er problemen in de huisvesting ontstaan. Om die reden is het efficiënter dat niet de buitenlandse student maar de onderwijsinstelling verantwoordelijk is voor de huisvesting.

Het is hoog tijd dat we eens in het buitenland gaan kijken hoe ze daar betaalbare huren en toegankelijk onderwijs realiseren. De tijd van zelfgenoegzaamheid dat we het in Nederland zo goed voor elkaar hebben, is nu echt voorbij.

S. de Beter

Een samenvatting van dit artikel verscheen in het Dagblad van het Noorden, op 29 augustus 2018. Verder is dit artikel gepubliceerd op Sargasso, op 13 en 14 september.

Bijlage 1: Stijgende studieschulden – ook voor buitenlandse studenten?

Een van de redenen waarom veel starters steeds moeilijker een woning kunnen kopen is de sterke stijging van de studieschuld, wat problemen geeft bij het verkrijgen van een hypotheeklening. Althans, wanneer die studieschuld aan de hypotheekverlener wordt gemeld. Dat is niet verplicht, en de studieschuld wordt ook niet bij het BKR in Tiel geregistreerd. Wordt de hypotheek verleend, dan moet de starter zowel de hypotheeklening als studielening aflossen, wat later tot financiële moeilijkheden kan leiden.

Hoe was begin 2018 de stand van zaken? Nibud-onderzoekers constateren dat studenten sinds de invoering van het leenstelsel meer zijn gaan lenen: in 2015 leenden eerstejaars studenten gemiddeld tussen de 287 en 369 euro per maand; twee jaar later is dat gemiddeld 528 euro. Was eind 2012 het totale bedrag aan uitstaande studieleningen nog zo’n 12 miljard euro, eind 2015 was dit al 15,8 miljard. En weer een jaar later kwam het totaal neer op 17,6 miljard.

In deze analyse van FTM wordt niet gesproken over buitenlandse studenten, misschien vanuit de veronderstelling dat zij geen recht hebben op een Nederlandse studielening.

Voor EU-studenten is dat een misvatting, zo leert navraag bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de instelling waar studenten geld voor hun studie (dus vooral huisvestingskosten) kunnen lenen, momenteel tegen 0,0%. In 2012, toen er nog een basisbeurs was, kondigde de toenmalige staatssecretaris Zijlstra aan dat een buitenlandse student meer moest gaan werken om studiefinanciering te krijgen. Moest hij eerst gemiddeld 32 uur per maand werken, inmiddels is dat 56 uur, eventueel door een niet-Nederlandse ouder of partner; en het kan ook als seizoenwerk. Heb je geen recht op studiefinanciering, dan kun je in ieder geval een maandelijks collegegeldkrediet krijgen, zo valt hier te lezen.

Zijlstra kwam in actie omdat steeds meer buitenlandse studenten steeds meer gebruik gingen maken van studiefinanciering in Nederland: van 6 mln. in 2006 naar 26 mln. euro in 2011. Dus in de periode toen de instroom van buitenlandse studenten nog vrij klein was. Volgens de VSNU heeft toen 10% van de buitenlandse studenten gebruik gemaakt van Nederlandse studieleningen.

Hoe is dat anno 2018? Een woordvoerder van de DUO antwoordt per mail: “Onze informatie over schulden is niet gekoppeld aan nationaliteit. Ook hebben wij geen inzicht in dergelijke gegevens bij de Belastingdienst”. Wat natuurlijk raar is gezien de extra eisen die aan EU-studenten worden gesteld. Gaat het hier om gegevens die politiek gevoelig liggen?

Hoe dan ook, we kunnen niet verwachten dat terugbetaling van studieleningen aan buitenlandse studenten helemaal probleemloos zal verlopen. Zo heb je in de nieuwe regeling maar liefst 35 jaar de tijd om af te lossen, kun je de aflossing opschorten als je nog niet voldoende verdient, en hoef je pas na de eerste twee jaar te beginnen met aflossen. De meeste buitenlandse studenten zijn dan alweer terug in eigen land, of elders. Hoe gaat de DUO, of de Belastingdienst, controleren of de EU-burgers die ooit een Nederlandse studielening hebben ontvangen, in omstandigheden verkeren dat ze moeten en kunnen aflossen? In zijn rapport uit 2012 ging het CPB er vanuit dat van de studieleningen aan buitenlandse studenten ongeveer 50% wordt terugbetaald (p.26). Een percentage dat natuurlijk volkomen willekeurig is, maar ik deel hun mening dat we geen hoge verwachtingen moeten koesteren over de inbaarheid van deze leningen. Wat misschien ook bij Nederlandse studenten geldt als ze emigreren.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten