Internationalisering hoger onderwijs is resultaat van perverse prikkels

Twee dagen na plaatsing van de blog “We’re only in it for the money”, over de doorgeslagen internationalisering van het hoger onderwijs als resultaat van het huidige bekostigingssysteem, word ik gebeld door de Opinie-redactie van het dagblad Trouw. Met het verzoek om voor hun blad een opiniestuk over deze problematiek te schrijven. Hieronder vindt u de tekst die ik heb ingestuurd, en hier zoals vandaag geplaatst.

Wie dacht dat bestuurders van universiteiten en hogescholen zouden voorstellen de intussen zwaar bekritiseerde instroom van buitenlandse studenten terug te dringen, komt bedrogen uit. Volgens hun recente Internationaliseringsagenda mikken ze doodleuk op het “doortrekken (van de) huidige trends”. Minister Van Engelshoven (onderwijs) ondersteunt dit van harte, zo blijkt uit haar vorige week verschenen Kamerbrief. Dat is niet goed voor Nederland.

‘Hoe meer, hoe beter’ is al jaren een vuistregel in het hoger onderwijs, waar het bekostigingssysteem immers voor een relatief groot deel bestaat uit variabele inkomsten. Naast het collegegeld, momenteel 2006 euro per jaar, gaat het om de overwegend variabele Rijksbijdrage van gemiddeld 6800 euro per student. Omdat de instroom van Nederlandse studenten al enkele jaren stabiel is, kunnen universiteiten en hogescholen deze variabele inkomsten alleen realiseren door buitenlandse studenten aan te trekken.

Inmiddels komt gemiddeld een kwart van de masterstudenten uit het buitenland, zijn vrijwel alle universitaire masteropleidingen Engelstalig geworden, en worden bachelorstudies steeds vaker in het Engels aangeboden. Dit leidt tot hogere werkdruk voor het onderwijzend personeel – wat in de vorige week afgesloten cao nog niet verholpen is. En tast bovendien de kwaliteit van het onderwijs aan, mede doordat bij Nederlandse studenten niet meer wordt gelet op een goede beheersing van hun moedertaal.

Woningmarkt onder druk

Ook buiten de muren van universiteiten en hogescholen zijn de gevolgen van de toenemende internationalisering voelbaar. De woningmarkt staat al zwaar onder druk, zeker in universiteitssteden, en dan moet jaarlijks ook nog eens aan circa 125 duizend buitenlandse studenten huisvesting worden geboden. Voor projectontwikkelaars, studentenhuisvesters en woningcorporaties is bouwen voor buitenlandse studenten dan ook een aantrekkelijke groeimarkt geworden. Als het aan hen ligt moeten Nederlandse junioren desnoods maar wat langer wachten op een betaalbare woning.

En wat te denken van het effect op de overheidsuitgaven. Dat betreft niet alleen de Rijksbijdragen voor EU-studenten, zoals de VSNU meent. Zolang onderwijsinstellingen zich niet eindverantwoordelijk voelen voor de huisvesting van hun buitenlandse studenten, krijgt de samenleving indirect de rekening gepresenteerd, door extra uitgaven voor huurtoeslag. Wie een zelfstandige woonruimte huurt en op jaarbasis minder dan 22.200 euro verdient heeft daar recht op. Dat geldt ook voor buitenlandse studenten. De huiseigenaar informeert hen graag over deze typisch Nederlandse sociale voorziening, want dankzij huurtoeslag kan hij hogere huurprijzen vragen. Het kan geen toeval zijn dat de uitgaven voor huurtoeslag flink zijn gestegen sinds 2013, toen de instroom van buitenlandse studenten sterk ging groeien.

Talrijk zijn de oplossingen die worden aangedragen om deze instroom te beperken, maar het zal allemaal niet helpen, althans bij het huidige bekostigingssysteem voor het hoger onderwijs. Omdat de vaste voet in de Rijksbijdrage relatief laag is, proberen de onderwijsinstellingen om vooral veel variabele inkomsten te genereren. Bij voorkeur door studenten van buiten de EU aan te trekken want die betalen het zogeheten instellingscollegegeld. Dat ligt veel hoger dan de combinatie van wettelijk collegegeld en Rijksbijdrage die onderwijsinstellingen bij Nederlandse en Europese studenten ontvangen. Het is ook stukken hoger dan de extra kosten die iedere (buitenlandse) student met zich meebrengt, de zogeheten marginale kosten. Want als je eenmaal een onderwijsapparaat beschikbaar hebt, kan een extra student meestal gewoon aanschuiven in de collegebanken, zeker als de opleiding al Engelstalig is.

Dat het instellingscollegegeld is gebaseerd op de integrale kostprijs, zoals universiteiten voortdurend stellen, geldt alleen als het gaat om een nieuwe opleiding met uitsluitend buitenlandse studenten. In de bestaande situatie is het simpelweg een winstmaker die uitnodigt tot nog meer groei.

Ander bekostigingsysteem

Een degressief bekostigingssysteem lijkt mij de enige uitweg, nu de huidige internationalisering een vlucht naar voren is geworden. Zo’n systeem houdt in dat een onderwijsinstelling voor zeg de eerste tienduizend studenten een hogere Rijksbijdrage per student krijgt dan voor de volgende tienduizend, en de Rijksbijdrage daarna nog lager wordt. Op deze manier is groei juist minder financieel aantrekkelijk, en kunnen onderwijsinstellingen eindelijk inzetten op een beleid van Selectieve Kwaliteit: alleen de opleidingen verzorgen waar je goed in bent.

“Dan heb je toch meer universiteiten nodig om al die studenten te kunnen bedienen!” Inderdaad, en dat is juist goed. Ook in het hoger onderwijs komt innovatie eerder tot stand bij nieuwe organisaties die met een schone lei kunnen beginnen. De jongste universiteit in Nederland staat in Maastricht en is alweer 42 jaar oud. Het wordt tijd voor een nieuwe generatie universiteiten, op kleine leest geschoeid.

“Daarmee ben je nog niet van die buitenlandse studenten af!” Ook dat klopt. De EU-studenten mag je niet weigeren – vanwege de internationale verplichtingen die Nederland is aangegaan – en de overige buitenlandse studenten wil je als onderwijsinstelling niet weren omdat ze het hoge instellingscollegegeld betalen.

Maar dit hoeft geen probleem te zijn. Bied om te beginnen gewoon minder Engelstalige opleidingen en cursussen aan, dan zal de toestroom vanuit de EU vanzelf minder worden. Het is geen wettelijke verplichting om alle masters in het Engels te doen!

Ook armere student

De overige buitenlandse studenten mogen rustig blijven komen maar de onderwijsinstellingen zouden verplicht moeten worden om het verschil tussen het instellingscollegegeld en het wettelijke collegegeld in een fonds te storten. Uit dit fonds kunnen beurzen worden verstrekt aan buitenlandse studenten die niet genoeg financiële middelen hebben om een studie in Nederland te volgen. Want dat is een ander probleem: vanwege het hoge instellingscollegegeld komen momenteel overwegend buitenlandse studenten met rijke ouders naar Nederland. Kijk maar naar de 100%-bezettingsgraad van het peperdure Student Hotel. Een ander teken aan de wand: in de periode 2006-2017 was het percentage studenten afkomstig uit het arme Sub-Sahara Afrika gedaald van 7% naar een schamele 3%.

Ik ben benieuwd of bij mijn voorstel de universitaire bestuurders nog steeds de zegeningen van internationalisering blijven prediken.

S. de Beter

Een uitgebreidere versie van dit artikel is hier te vinden.

Share

1 Reactie

  1. Prima reactie, een goede basis voor verdere verdieping en onderzoek. Ik ben benieuwd naar de reacties van bestuurders van universiteiten en HBO-instellingen. Interessant is ook in hoeverre hiermee sprake is van verdringing van Nederlandse studenten ivm meer drempels om te kunnen studeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten