Waarom hogere looneisen niet tot hollende inflatie (hoeven te) leiden

Je zou verwachten dat de kaste der economen, de Europese Centrale Bank (ECB) voorop, blij is met de hogere looneisen die de vakbonden eindelijk durven te stellen. Want dan komt het inflatieniveau toch nog rond de 2%, na al die vruchteloze en gevaarlijke geldsmijterij door de ECB (in de vorm van QE). Toch voorspel ik dat veel economen binnenkort weer hevig gaan piepen over gevaarlijke looneisen. Omdat ze nog steeds waarde hechten in de Phillips-curve en de NAIRU, waarmee ze behoorlijk in de fout gaan

De Duitse vakbond IG Metall heeft onlangs met de werkgevers een akkoord afgesloten over 4,3% loonsverhoging, plus het recht op een 28-urige werkweek gedurende twee jaar. En wat doen de Nederlandse vakbonden? Zij komen niet verder dan 3,5% loonsverhoging, en dit is alleen nog maar een voorstel. Terwijl ook in ons land veel bedrijven capaciteitsproblemen hebben gekregen en de arbeidsmarkt heel krap is geworden in sommige sectoren, denk aan de bouwnijverheid.

Houdt de Nederlandse vakbeweging al bij voorbaat rekening met de kritiek waarmee rechtse politici en economen altijd op de proppen komen? Want in hun ogen leiden hoge looneisen tot een loon-prijsspiraal zelfs nu we inflatie zo hard nodig hebben, althans volgens de ECB. Zij baseren zich dan op de zogeheten Phillips-curve en een variant daarvan, de NAIRU. Welke gedachtegang zit achter deze twee concepten, en kunnen deze de toets der kritiek eigenlijk wel doorstaan?

De Phillips-curve

Economen zijn dol op indifferentiecurven om de samenhang tussen twee variabelen in beeld te brengen. Denk aan al die middelbare scholieren die nog steeds lastig worden gevallen met de iso-nutscurve voor appels en peren. Alle punten op deze kromme zijn combinaties van appels en peren die voor een bepaalde consument hetzelfde nut opleveren.

De Phillips-curve suggereert dat werkloosheid en inflatie op een vergelijkbare manier uitwisselbaar zijn, dat er dus sprake is van een trade-off. Als de overheid de werkloosheid fanatiek wil bestrijden of de vakbond stelt hoge looneisen, is een hogere inflatie onvermijdelijk. Omgekeerd zal het fanatiek beteugelen van de inflatie resulteren in een hogere werkloosheid. Zoals de consument met een bepaald budget verschillende combinaties van appels en peren kan kopen, zo kan de regering in principe een keuze maken uit diverse combinaties van werkloosheid en inflatie.

Gelijktijdig de werkloosheid en de inflatie omlaag brengen, dat is onmogelijk – zoals je alleen extra appels kunt kopen als je inlevert op het aantal peren. “There ain’t no such thing as a free lunch”, zoals economen vaak zeggen sinds Milton Friedman deze uitdrukking als titel voor zijn boek (1975) gebruikte. Om een vergelijkbaar spreekwoord te gebruiken: you can’t have your cake and eat it too”. Het is kiezen of delen, zeggen wij in Nederland.

Wat zeggen de feiten?

De samenhang die door de Phillips-curve in beeld wordt gebracht, lijkt zo voor de hand te liggen. Wanneer de overheid de bestedingen gaat stimuleren – door meer overheidsuitgaven of door belastingverlaging zodat de particuliere bestedingen kunnen toenemen – raakt de arbeidsmarkt oververhit. Dat leidt tot hogere lonen die worden doorberekend in de prijzen. Bij monetaire politiek geldt hetzelfde : door een verlaging van de rente kunnen bedrijven, gezinnen en overheden goedkoper lenen, en dus meer besteden – wat uiteindelijk prijsverhoging op diverse markten teweeg brengt.

Hoe logisch deze redenering ook lijkt, uiteindelijk beslissen de feiten of de werkelijkheid zich daadwerkelijk zo gedraagt. Oftewel: hoe valt de empirische toetsing uit? William A. Douglas (2016) heeft voor de VS de Phillips-hypothese op de meest simpele wijze getoetst, door op jaarbasis de inflatie- en werkloosheidspercentages met elkaar te vergelijken voor de periode 1965-2015 (zie grafiek). Als we er vanuit gaan dat de definities van inflatie en werkloosheid ongewijzigd zijn gebleven, kun je makkelijk nagaan of het verband positief, negatief of afwezig is. Hij constateert er slechts drie perioden zijn geweest (samen 9 van de 46 jaren) met een combinatie van minder werkloosheid en meer inflatie, of omgekeerd. In de overige jaren wordt de Phillips-hypothese dus niet bevestigd. Ook meer geavanceerd empirisch onderzoek laat weinig heel van deze hypothese; voor een mooi overzicht van de ‘levensloop’ van zowel Bill Phillips als zijn curve, zie hier.

De NAIRU als deus ex machina

Als een theorie niet blijkt te stroken met de feiten – en dus het veld moet ruimen – gooien economen het vaak over een andere boeg. Op basis van meestal niet erg realistische vooronderstellingen maken ze een wiskundig model dat een bepaalde uitkomst als superieur bestempelt. Alles wat van deze geconstrueerde norm afwijkt, is irrationeel en dus verwerpelijk.

Als oplossing voor het falen van de Philips-hypothese hebben Milton Friedman en zijn monetaire volgelingen eerst de natural rate of unemployment en vervolgens de NAIRU ontwikkeld. Dat staat voor Non-Accelerating Inflation Rate of Unemployment. In het kort is de gedachtegang dat de economie een zekere mate van werkeloosheid nodig heeft om inflatie te vermijden. Als de overheid extra gaat besteden om de werkloosheid onder dit minimumniveau te krijgen, dan gaan werkgevers en werknemers(verenigingen) anticiperen op de onvermijdelijke loon- en prijsstijgingen, zodat er hyperinflatie ontstaat.

Zelfs achteraf lijkt het mij lastig een werkloosheidspercentage te berekenen waarbij de inflatie stabiel blijft, en dus niet op hol slaat. Maar voor economen is geen zee te hoog, zodra ze over een wiskundig model beschikken. Ook voorspellingen omtrent de toekomst durven zij wel aan: via deze link vindt u de Amerikaanse natural rate of unemployment tot 2027. Het oordeel van The Economist: “the natural rate is in many respects an article of faith, always sought but never seen.”

Het is verbazingwekkend dat de NAIRU-benadering nog zoveel aanhangers kent. Lees Jonathan Klein die zijn prachtige artikel besluit met de volgende woorden “The sooner NAIRU is buried and forgotten, the better”. Waarom verschijnt zo’n kritisch artikel in de Financial Times en niet in een of ander economisch toptijdschrift? Omdat hij ‘slechts’ onderzoeksjournalist is en op Yale ‘diplomatic history’ heeft gestudeerd?

Mijn kritiek op de Phillips-curve en de NAIRU is van een iets andere orde, en kan in drie o’s worden samengevat: onvolledig, onjuist, en overbodig. Onvolledig want met deze twee concepten kun je alleen naar looninflatie kijken, en niet naar andere vormen van inflatie; iets wat de meeste economen zich blijkbaar niet (willen) realiseren. Onjuist, omdat een initiële prijsverhoging niet leidt tot hollende inflatie, zoals NAIRU-economen menen. En overbodig want een systeem van baangaranties maakt het wél mogelijk werkloosheidsbestrijding te combineren met een lage inflatie.

Andere vormen van inflatie

De inflatie is te laag, zegt het ECB die een gemiddelde prijsstijging van 2% als doelstelling hanteert. Dat klopt alleen als je kijkt naar de prijsontwikkeling van consumptiegoederen, zoals gemeten met de Consumentenprijsindex (CPI). Wat we de laatste jaren wél kennen is vermogensinflatie, waarbij het gaat om de prijsontwikkeling van vastgoed, aandelen, obligaties en andere activa. Deze vorm van inflatie hebben we vooral te danken aan de Quantitatieve Easing van de ECB en andere centrale banken.

Degenen die al een eigen huis hadden – dus het rijkere deel van de oudere generatie – zijn in hun nopjes met deze vorm van inflatie want ze worden slapend rijk, maar voor de jongere generatie is het een ramp want zij moeten steeds dieper in hun buidel tasten om een woning te kopen.

Daarnaast is er geïmporteerde inflatie, zoals plaatsvond van medio 1973 tot december 1974 toen de OPEC de olieprijs in twee stappen verviervoudigde. Niet alleen de benzine aan de pomp werd toen fors duurder, ook allerlei chemische producten met olie als belangrijke grondstof. Bovendien werd duidelijk dat de meeste huizen slecht geïsoleerd waren, zodat de energierekening omhoog vloog. Dit laatste gold eveneens voor de bedrijven die relatief energie-intensief waren. Aangezien toen in vrijwel alle CAO’s een automatische prijscompensatie was opgenomen, ging ook het loonniveau omhoog. Vervolgens stagneerde de economische groei en steeg de werkloosheid. Een nieuwe vorm van inflatie ontstond, meestal aangeduid als stagflatie.

Veel politici en economen gaven de schuld aan de vakbonden die vasthielden aan de prijscompensatie maar de oorzaak lag natuurlijk ergens anders. Met Nederland voorop waren de meeste westerse landen verslaafd geraakt aan de goedkope olie en dus bracht de prijsverhoging van de OPEC-landen een enorme kostenstijging teweeg. Je zou de strijd om de prijscompensatie als een vorm van klassenstrijd kunnen noemen, over de vraag wie de rekening betalen voor de achterhaalde economische structuur moet betalen. De ondernemers die niet op tijd de bakens hadden verzet, of de werknemers? De meeste economen vonden dat de vakbonden hun looneisen moesten matigen, zodat de werknemers het grootste deel van de rekening zouden betalen. Ze beriepen zich daarbij op de Phillips-curve: als de inflatie afneemt, zal de werkgelegenheid weer gaan groeien. Op die manier zou de loonprijsspiraal worden doorbroken, en de oplopende inflatie tot stilstand worden gebracht. Maar de achterliggende redenering klopt niet, zoals ik nu laat zien.

Geen hollende inflatie

Naast de eerder genoemde empirische toetsing heeft Douglas nog een andere methode gebruikt om de onjuistheid van de Phillips-hypothese en van de NAIRU aan te tonen. Zijn redenering gaat ongeveer als volgt. Stel dat de regering de economie wil stimuleren om de werkloosheid te verminderen, onder meer door de aankoop van elektrische fietsen aantrekkelijker te maken, middels subsidies of aantrekkelijke leningen. Stel dat daardoor de omzet aan elektrische fietsen dermate gaat stijgen dat extra werknemers moeten worden geworven. Bij een krapper wordende arbeidsmarkt leidt dit tot hogere lonen.

Veronderstel dat elektrische fietsen voor gemiddeld 1000 euro worden verkocht. Deze prijs omvat de standaardkostprijs plus een normale winstopslag. Stel dat de arbeidskosten per product 300 euro bedragen. Als de lonen van de werknemers van de fietsfabrieken met 10% stijgen, worden de arbeidskosten per elektrische fiets 330 euro. Als de fietsfabrikanten deze hogere loonkosten willen doorberekenen in de verkoopprijs, zal een elektrische fiets 1030 euro gaan kosten, een stijging van 3%. Wanneer we er vanuit gaan dat het algehele prijspeil met hetzelfde percentage stijgt en in alle CAO’s volledige prijscompensatie is afgesproken, zullen de lonen met 3% stijgen. Wanneer de ondernemers ook deze loonstijging weer kunnen doorberekenen, zal de prijs van elektrische fietsen met 1% stijgen, omdat de arbeidskosten 30% van de kostprijs bedragen.

Kortom, de loon-prijs spiraal wordt steeds kleiner (zoals dat ook bij het multiplier-effect het geval is), en leidt niet tot hollende inflatie zoals veel economen vrezen.

Twee alternatieven

Mijn derde punt van kritiek: om looninflatie in toom te houden is het helemaal niet nodig om een bepaald niveau van werkloosheid te handhaven. Er zijn grofweg twee alternatieven.

De eerste is een flexibilisering van de arbeidsmarkt, dus de strategie die de werkgevers de laatste jaren hebben gevoerd. Vooral in Nederland, waar de categorie flexibele arbeidskrachten sneller is gegroeid dan in andere Europese landen. Aldus de Nederlandse Bank, die in haar recente rapport tevens vaststelt dat deze ontwikkeling heeft geleid tot een daling van de arbeidsinkomensquote (AIQ). Door de flexibilisering van de arbeidsmarkt zal er minder gauw looninflatie optreden, ongeacht het werkeloosheidspercentage.

Vanuit de werkgevers gezien is het overigens wel begrijpelijk dat ze niet zo snel mensen in vaste dienst nemen. Zoals we kunnen lezen in het prikkelende boek “Het land van goed naar beter” van Bob Crébas, die opklom van werkloze tot multimiljonair, dankzij de verkoop van zijn Marktplaats aan Ebay. Als een medewerker niet goed functioneert, moet zijn werkgever eerst een uitgebreid dossier aanleggen en allerlei stappen doorlopen, alvorens tot ontslag over te gaan. Bovendien is er nog de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters, “waardoor de werkgever na de eerste 2 jaar ziekteverzuim, nóg 10 jaar opdraait voor de kosten”, aldus Crébas (p. 74).

Voor de maatschappij als geheel is deze ontwikkeling desastreus. Zo kunnen (meestal jonge) werknemers met een tijdelijk contract nauwelijks een hypotheek krijgen om een – door de vermogensinflatie – ook nog eens steeds duurdere woning te financieren. Zolang ze geen vast contract hebben zullen jonge gezinnen zich wel twee keer bedenken alvorens tot gezinsuitbreiding over te gaan.

Baangaranties als inflatiebestrijding

Voor een beter alternatief kunnen we ons laten inspireren door het boek van William Mitchell en Joan Muysken. Zij pleiten daarin voor een systeem van baangaranties, ook wel aangeduid als basisbanen. Dit houdt in dat in perioden van laagconjunctuur werklozen tijdelijk in dienst worden genomen door overheidsorganisaties, totdat de private sector weer arbeidskrachten nodig heeft. Zij spreken over een NAIBER, hun afkorting voor de Non-Accelerating Inflation-Buffer Unemployment Ratio.

Neem de huidige situatie in de bouwnijverheid. Vooral door de opleving van de huizenmarkt kampt deze sector met een enorm personeelstekort. De belangrijkste oorzaak: veel bouwvakkers zijn na de financiële crisis, toen de markt voor huizen en ander onroerend goed volledig inzakte, overgestapt naar andere sectoren – of werkloos geworden. Om ze weer terug te krijgen moeten bouwbedrijven extra hoge lonen bieden, maar het is zeer de vraag of dit voldoende soelaas biedt. Vele voormalige bouwvakkers zouden weer bijgeschoold moeten worden. Bovendien hebben ze vrees – door ervaring wijs geworden – dat de huidige opleving in de bouw niet lang zal duren, zodat ze over enkele jaren opnieuw op straat komen te staan. Gevolg zal zijn dat bouwondernemers het benodigde personeel uit het buitenland gaan halen, wat inderdaad al gebeurt.

Een systeem van baangaranties voorkomt deze problemen: bouwvakkers kunnen hun vaardigheden op peil houden of zelfs uitbreiden door aanvullende scholing, en ze hebben minder de neiging om de bouw voorgoed vaarwel te zeggen. Met als resultaat dat in tijden van hoogconjunctuur hogere lonen – met mogelijke inflatoire druk – niet nodig zijn om het benodigde personeel te krijgen.

Om met Bob Dylan te spreken: “you can have your cake and eat it too”.

S. de Beter

Een korte versie verscheen op 12 maart 2018 bij Follow-the-Money,  https://www.ftm.nl/artikelen/waarom-nederlandse-vakbonden-hogere-looneisen-moeten-stellen?share=1

De strip van Anton Dingeman verscheen medio augustus in het dagblad Trouw

Bijlage: valse vergelijking

Er is nog een ander probleem met de Phillips-curve: zij suggereert dat werkloosheid en inflatie gelijkwaardige alternatieven zijn. Zoals de consument met een bepaald budget verschillende combinaties van appels en peren kan kopen, zo kan de regering een keuze maken uit diverse combinaties van werkloosheid en inflatie. Variërend van hoge werkloosheid en lage inflatie tot de omgekeerde relatie. Een dergelijke curve verhult dat er politieke keuzes in het geding zijn. Kort door de bocht: werkloosheid is het doemscenario voor de meerderheid van de werknemers, inflatie het schrikbeeld voor de paar procent rijken. ‘For the many’ versus ‘for the few’, om de politieke leus van Jeremy Corbyn te gebruiken.

Werkloosheid betekent dat mensen hun baan kwijt raken, met als gevolg verlies van inkomen, zingeving en maatschappelijke status. Het eerste probleem – verlies van inkomen – is in Nederland en andere ontwikkelde landen grotendeels ondervangen door WW-uitkeringen en door basisuitkeringen zoals bijstand. De andere twee problemen zijn heel wat moeilijker op te lossen. Vandaar dat de meeste werklozen toch voortdurend op zoek zijn naar een baan. Tenzij ze beseffen dat ze toch niet aan werk komen, vanwege leeftijd, huidskleur, arbeidsverleden of een ander ‘vlekje’. Of omdat er simpelweg niet genoeg banen zijn.

Over inflatie hoeven de meeste mensen zich veel minder zorgen te maken. Want zeker in de meeste Europese landen krijgt de doorsnee werknemer en pensionado de prijsstijgingen min of meer automatisch gecompenseerd. Inflatie is vooral een probleem voor mensen met veel spaarcenten die minder waard worden door de geldontwaarding. Maar dat geldt weer niet als die spaarcenten zijn belegd in aandelen, obligaties of onroerend goed die in waarde stijgen, in dezelfde mate of zelfs meer dan de geldontwaarding. Inflatie is eigenlijk alleen problematisch als deze op hol slaat. Het meest recente Europese voorbeeld van dit verschijnsel is de Weimar-republiek, dus bijna 100 jaar geleden. Nog steeds wordt er verwezen naar de toenmalige hyperinflatie om mensen bang te maken voor inflatie. Tot vervelens toe wijst Edin Mujagic erop dat ook sommige ex-Joegoslavische landen werden geteisterd door hyperinflatie, maar dat was eerder een politiek dan een economisch probleem.

Hoe komt het dat toch de meeste mensen bang zijn voor inflatie, en zich dus laten meeslepen door economen en politici die hoge looneisen als gevaarlijk bestempelen? Ik vermoed dat er sprake is van een bias, zoals gedragseconomen dit noemen. Bij werkloosheid denken de meeste mensen dat het hen niet zal treffen, alleen de anderen. Inflatie daarentegen wordt als een plaag voor Jan en Alleman beschouwd: de spaarders zijn bang dat hun geld minder waard wordt, en de rest heeft juist schulden en vreest een hoge rente. Aangezien de meeste mensen zowel spaargeld als schulden hebben – aangemoedigd door allerlei belastingvoordeeltjes – werkt de angst voor inflatie als het ware in het kwadraat. Nederlandse onheilsprofeten als Mujagic en Eijffinger hoeven dus alleen maar in te spelen op onderbuikgevoelens. Wat hun analyse niet ten goede komt.

Share

2 Reacties.

  1. Ik ben benieuwd wat u vindt van het idee van ‘deflatoire groei’. Veel mainstream-economen en centrale bankiers zijn heel erg bang voor deflatie en willen het absoluut vermijden.  Sterke groei met deflatie is volgens hen onmogelijk, net als stagflatie voor de jaren 70 onmogelijk leek.

    Aan de andere kant, als de productiviteit stijgt dan zou het te verwachten zijn dat ceteris paribus de prijzen dalen, er is immers meer aanbod. Als de productiviteit per werknemer stijgt, dan zou de vraag naar arbeid ook moeten stijgen en de werkeloosheid moeten dalen.

    Denkt u dat ‘deflatoire groei’ mogelijk is en dan economen meer voor dit idee moeten openstaan, inplaats van alleen maar roepen dat deflatie zo slecht is.

  2. Ik hoef helemaal niets te vinden van deflatoire groei, want dat is er of het is er niet – zoals ik ook geen opvattingen hoef te koesteren over westenwind of oostenwind, dan wel een ander weeraspect. Belangrijker lijkt mij de vraag hoe we inflatie of deflatie moeten meten. Moeten we louter uitgaan van inflatie op basis van de consumentenprijsindex, of ook de vermogensinflatie https://nl.wikipedia.org/wiki/Vermogensinflatie daarbij betrekken? Van belang is tevens hoe kan worden bewezen dat inflatie tot een hogere economische groei leidt dan deflatie.

    Overigens ben ik het niet eens met uw stelling: “Als de productiviteit per werknemer stijgt, dan zou de vraag naar arbeid ook moeten stijgen en de werkeloosheid moeten dalen.”

    Als de effectieve vraag niet toeneemt, zal een hogere arbeidsproductiviteit juist tot een kleinere vraag naar arbeid en tot een stijging van de werkloosheid moeten leiden”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten