What goes up, will go down – most of the time

Picking losers (5)

Doe waar je goed in bent”, dat krijgen jongeren meestal te horen als ze een studie- of beroepskeuze moeten maken. Het is sinds enkele jaren tevens het uitgangspunt van het Europese innovatiebeleid, met als motto ‘3S: Smart Specialization Strategy’. Omdat de Europese Commissie veel waarde hecht aan regionaal beleid, was het gevolg dat iedere regio op zoek ging naar economische activiteiten waarin zij excelleert – teneinde op die manier veel EU-subsidie binnen te halen. Deze focus op regionale specialisatie lijkt logisch, maar de opbouw van een evenwichtig regio-portfolio van economische bedrijvigheid is verstandiger.

Doe waar je goed in bent”, dat is geen verkeerd advies in een wereld waarin je vanaf de schoolbanken tot aan het pensioen hetzelfde beroep uitoefent. Deze wereld is echter steeds meer aan het verdwijnen. Nieuwe beroepen komen en oude verdwijnen, in hoofdzaak onder invloed van technologische ontwikkelingen. Staat jouw baan nog niet op de lijst van uitgestorven beroepen, dan zorgt de globalisering er meestal wel voor dat je alleen in het goedkopere buitenland nog aan de slag kunt – uiteraard tegen veel slechtere arbeidsvoorwaarden.

We hebben inmiddels te maken met een samenleving waar je om de zoveel jaar een her- of bijscholingstraject zou moeten volgen (zie hier, toelichting op programmapunt 3). Zodat je kunt overstappen naar een baan die beter past bij de nieuwe technologische en economische ontwikkeling. Maar ook bij je nieuwe levensfase en de daarbij behorende capaciteiten. Grote industriële organisaties passen dit principe al veel langer toe: afgestudeerden in de bètawetenschappen beginnen eerst op de R&D-afdeling en stromen op latere leeftijd door naar een management- of staffunctie waar ze beter tot hun recht komen, gelet op de capaciteiten waarover ze in die levensfase beschikken.

Aldus bekeken is het zorgelijk dat de laatste decennia veel jongeren kiezen voor bedrijfskunde of een andere ‘managementwetenschap’. Zodat zij zich de rest van hun werkzame leven moeten behelpen met management- en staffuncties. Nog erger wordt het als zij voor dit soort functies eerst te jong worden bevonden (terecht!), en later overtroefd worden door de mensen die wèl met bèta of ICT zijn begonnen en dus inhoudelijk veel sterker zijn. Het is slimmer om bij je studiekeuze rekening te houden met het feit dat zowel de economische en technologische omgeving als jouw capaciteiten in de loop der jaren veranderen. Een studieadvies dat meer rekening houdt bij deze twee veranderingsprocessen: “Doe wat je nu nog wél kunt leren maar later niet meer”. Nog concreter: “ga eerst maar ICT doen, bedrijfskunde kan altijd nog!”.

BCG-matrix

Deze levencyclusbenadering (hier uitgebreid behandeld) ligt ten grondslag aan de beroemde matrix van de Boston Consulting Group (BCG), die hieronder is afgebeeld. Aan de ene kant moet een bedrijf rekening houden met de groei van de afzetmarkt, hieronder aangeduid als groeipotentieel. Aan de andere kant is van belang hoe goed het bedrijf op die afzetmarkt opereert. Als maatstaf hanteert de BCG het marktaandeel, in vergelijking met de concurrenten (vandaar ‘relatief marktaandeel’).

De BCG-matrix is vooral gebruikt voor het portfoliobeleid van de wat grotere ondernemingen. Deze hebben vaak een breed productassortiment en opereren op uiteenlopende markten. De belangrijkste vraag voor het hoofdkantoor is dan: in welke producten, productmarktcombinaties of divisies moeten we investeren, in welke juist desinvesteren?

De BCG verdeelt de producten van een onderneming in vier categorieën, er vanuit gaande dat – most of the time – ieder product vier fasen doorloopt.

  1. Bij een nieuw product is het nog niet zeker – vandaar het vraagteken – dat de onderneming daarmee een hoog marktaandeel kan veroveren teneinde te kunnen profiteren van de (potentieel) hoge groei op de afzetmarkt. Het BCG-advies: flink investeren in deze producten opdat zij opschuiven richting ‘star’, en op tijd desinvesteren als de hoge verwachtingen toch niet worden ingelost.

  2. Ster-producten met een hoog aandeel op een groeiende markt. Het investeringsbeleid is erop gericht deze toppositie vast te houden of zelfs te verbeteren, en de groeifase te verlengen.

  3. Volgens de levenscyclusbenadering gaat de afzetgroei na verloop van tijd in een lagere versnelling of wordt zelfs negatief. Een ster-product moet je dan als een (oude) ‘melkkoe’ behandelen, door niet meer te investeren maar nog wel de vruchten te plukken.

  4. De laatste fase in de cyclus die een product meestal doormaakt in het portfoliobeleid, wordt aangeduid als ‘dog’, wat vroeger in BCG-kringen blijkbaar werd gezien als de dier waar je vroegtijdig afscheid van moet nemen.

Het BCG-model stimuleert de ondernemingsleiding tot het ontwerpen van een gedifferentieerd investeringsbeleid. Zou zij het investeringsbudget gelijkelijk over al haar productgroepen of divisies verdelen, dan zullen haar investeringen in de ‘cash cow’ en ‘dog’ producten – de toekomstige en huidige ‘losers’ – meestal onrendabel blijken te zijn.

Wet van de remmende voorsprong

De BCG-benadering kun je ook op regionaal of nationaal niveau hanteren, door te kijken naar de levenscyclus in de interactie tussen bedrijven en economische omgeving – wat zich bij uitstek afspeelt op het bedrijfstakniveau. Een nieuwe bedrijfstak zal meestal in diverse regio’s tegelijk tot ontwikkeling komen. In de regio die over de meest geschikte omgeving beschikt, zal deze bedrijfstak sneller groeien dan in de overige regio’s. Deze voorsprong wordt verder uitgebouwd door het zogeheten cluster- of agglomeratie-effect: het regionale succes trekt branchegenoten aan, en toeleverende en ondersteunende bedrijven zullen zich bij voorkeur in de ‘betere’ regio’s vestigen. Politici en bestuurders van lokale overheden denken vaak – meestal ten onrechte – dat zij veel invloed op dit proces kunnen uitoefenen. Het is meestal een grillig proces dat van tevoren moeilijk te sturen is.

Na verloop van tijd kan de regionale concentratie van bedrijven ook nadelen teweeg brengen, bij voorbeeld omdat bepaalde productiefactoren zoals arbeid of grond relatief duur worden. Veel belangrijker lijkt mij de wet van de remmende voorsprong van Jan Romein, die vooral een rol gaat spelen wanneer nieuwe technologische of economische businessmodellen aan de horizon verschijnen. Omdat de bestaande economische kernen worden gedomineerd door het oude businessmodel, zullen de nieuwe businessmodellen eerder in andere regio’s of landen tot ontwikkeling komen. Wordt het nieuwe businessmodel een succes, dan treedt al snel een neerwaartse spiraal op in de regio waar het oude businessmodel domineert.

Een goed voorbeeld is de Amerikaanse autosector. Ooit was Detroit het centrum van de Amerikaanse en zelfs de mondiale auto-industrie. En General Motors (GM) was lange tijd de grootste autofabrikant ter wereld. Lees het fascinerende boek “On a clear day you can see General Motors” over hoe GM haar toppositie kwijt raakte, voornamelijk door tunnelvisie en door teveel overhead en eigen dunk. Gebaseerd op inside information van ex-topman John De Lorean beschrijft dit boek onder meer dat de concernleiding doof bleef voor signalen dat de Japanse concurrenten met hun kleine en zuinige auto’s een serieus gevaar voor GM vormen. Het resultaat ziet u in de grafiek hieronder. Hadden de Japanse autofabrikanten in 1980 een gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 20% op de Amerikaanse markt, 15 jaar later was dat al 30%, wat vrijwel geheel ten koste ging van het GM-marktaandeel.

 bron: http://www.economist.com/node/13724698

Veelzeggend is dat de elektrische auto (Tesla) niet in Detroit e.o. is ontwikkeld maar in Californië.

Er ging niets boven Groningen

Een voorbeeld dichter bij huis is de Groningse landbouw. In de 19e eeuw heeft zij een superieure positie, als gevolg van een samenloop van omstandigheden. Een daarvan is de grootscheepse overschakeling van veeteelt op akkerbouw als gevolg van de veepest die de Noordelijke veehouders drie keer treft. De zwaarste epidemie is in 1744 : meer dan de helft van de Groningse veestapel overleeft het niet. Achteraf blijkt dit een blessing in disguise want daarna stijgen de prijzen voor graan en andere akkergewassen tot grote hoogte als gevolg van de Krimoorlog (1853-1856). Deze heeft tot gevolg de Oekraïne, voorheen de graanschuur van Europa, tijdelijk van de wereldmarkt verdwijnt. Groningse boeren weten dit ‘gat in de markt’ snel op te vullen. Zij beschikken over vruchtbare zeeklei, mede als gevolg van de Kerstvloed van 1717 als vrijwel de hele provincie onder water komt te staan. Zij kunnen bovendien relatief grootschalig opereren – mede door landaanwinning en het Saksische erfrecht, waarbij het land in zijn geheel naar de oudste zoon gaat en niet wordt verdeeld onder alle kinderen (zoals bijvoorbeeld bij het Frankische erfrecht het geval is). En ze staan open voor nieuwe inzichten (zie box 1).


Box 1: Oude glorie

Degenen, die hier te lande na 1820 verbetering van de landbouwtechniek bepleitten, vonden bij de Groningse boeren het meest gehoor. Van alle zeekleistreken gingen het Oldambt, Fivelingo, Hunsingo en het Westerkwartier het eerst tot modernisering over …..” aldus J.P. Bouman in zijn beschrijving van de landbouw op de zeeklei (in Sneller 1951, p. 300)

Om tegemoet te komen aan de wens van veel Groningse boeren om het ‘producerend vermogen’ van hun grond te laten onderzoeken, werd in 1828 het Rijkslandbouwproefstation opgericht. Dit is later uitgegroeid tot het BLGG (tegenwoordig Eurofins Agro), het grootste agrarische laboratorium in Nederland, maar met geen enkele vestiging meer in Groningen.

De vooruitstrevendheid van de Groningse landbouwers blijkt verder uit het feit dat in 1881 het eerste Nederlandse bemestingsproefveld werd aangelegd door Arend Mulder, een 23-jarige landbouwer uit Sappemeer.

Aan de H.B.S. in het Noord-Groningse Warffum werd in 1870 een landbouwkundige afdeling verbonden, en er werd zelfs overwogen om daar een rijksschool voor hoger landbouwkundig onderwijs op te richten. De betreffende docent, de Duitser Otto Pitsch, werd echter naar Wageningen gelokt, waar de toenmalige burgemeester voortvarend te werk was gegaan om de eerste (en naar later bleek enige) Rijkslandbouwschool binnen de gemeentelijke grenzen te krijgen. Dat werd later de Landbouwhogeschool en is nu de Wageningen Universiteit & Research (WUR).

Potgieter noteerde op zijn reis door Groningen in 1855: “Wij troffen op het land welvaart aan, tot weelde gesteigerd. Oogsten des overvloeds, zoowel van granen als van koolzaad, deden er menige nog bruikbare bouwmanswoning slechten, opdat eene prachtige heerenboerenhuizinge in hare plaats verrijzen mogt … (p. 61). Ook de Fransman De Laveleye was in 1865 onder de indruk: “Nulle part je n’ai vu plus belle terre, couverte de plus riches produits, que dans les polders … près du Dollard (idem).


Al vrij snel komt ook de verwerkende industrie in Groningen tot grote bloei. Naast de bekende strokartonindustrie ontwikkelen zich in het bijzonder de aardappelzetmeel- en de suikerindustrie, alsmede voedselbedrijven die aardappelzetmeel en suiker als grondstof gebruiken (voor een uitgebreide beschrijving, zie hier)

De ontwikkelingen in laatste vijf decennia van de vorige eeuw (tabel 1) laten zien dat de Groningse agrosector haar dominante positie grotendeels is kwijt geraakt, zeker in termen van werkgelegenheid. In 1950/51 neemt zij bijna twee derde van de totale agro-industriële werkgelegenheid voor haar rekening – veel hoger dan het landelijk gemiddelde van 48%. In het begin van de 21e eeuw is dit aandeel bijna gehalveerd. Vooral de teruggang in voedselverwerkende industrie – van 15 naar 10 procent – is relatief groot. Veel Groningse voedselfabrikanten worden overgenomen door bedrijven uit Midden- en Zuid-Nederland en uit het buitenland, en vervolgens gereduceerd tot productielocatie (terwijl de hoogwaardige werkgelegenheid in R&D en staffuncties naar elders verdwijnt). Naast aardappelzetmeelbedrijf AVEBE is de papier- en kartonindustrie de enige agrobedrijfstak die zich in Groningen goed kan handhaven, al komen de meeste grondstoffen niet langer uit eigen land of regio.

Ik wil erop wijzen dat de traditionele verklaringen van (neoklassieke) economen hier geen hout snijden. Het is niet zo dat de diverse onderdelen van de Groningse agrosector naar elders zijn verdwenen omdat de grondprijs en de lonen in Groningen relatief hoog zouden zijn. Integendeel, ze zijn juist relatief laag. Het verband is eerder andersom: het loonniveau en de grondprijzen zijn niet de oorzaak maar het gevolg van wegtrekkende bedrijven. Wat geheel indruist tegen de dominante economische theorie.

Dynamische specialisatiepatronen

De wetenschap neemt geen genoegen met anekdotische informatie, zoals hierboven over de Amerikaanse auto-industrie en de Groningse landbouw. Zij wil algemene patronen alsmede indicatoren om die patronen te meten. Voor de patronen kunnen we ter inspiratie terecht bij de BCG-matrix, voor de indicatoren bij de Locatie Quotiënt (LQ).

Zoals de BCG vier fasen onderscheidt die een product kan doorlopen, zo zijn bij veranderingen in het specialisatiepatroon van steden, regio’s en landen eveneens vier stadia te onderkennen.

  1. Potentiële specialisatie;

  2. Toenemende specialisatie;

  3. Afnemende specialisatie;

  4. Het nachtkaars-scenario.

Neem de Groningse landbouw als voorbeeld. De fase van potentiële specialisatie begint ongeveer midden 18e eeuw, als veel Groningse boeren – noodgedwongen door de veepest – overstappen van veeteelt naar akkerbouw, voor zover de grondsoort het toelaat. Door het uitbreken van de Krimoorlog komt de Groningse landbouw in de tweede fase terecht. De snel stijgende graanprijzen zijn voor de boeren een stimulans om zich nog meer te specialiseren in de graanteelt en een hogere productiviteit na te streven (zie box 1). In hun kielzog komt de verwerkende industrie sterk tot ontwikkeling.

De fase van de afnemende specialisatie is wat moeilijker op een tijdlijn te plaatsen – zoals dit in het algemeen geldt voor ‘picking losers’. De komst van goedkoop graan uit de VS (rond 1870) zorgt ervoor dat Groningse boeren ook andere gewassen gaan telen, zoals aardappelen en suikerbieten – die volgens Sneller (p. 43) pas vanaf 1860 op grote schaal in Nederland worden verbouwd. Misschien is de grote ommekeer later gekomen, als de meest ondernemende boeren vertrekken naar de nieuwe Wieringermeerpolder (denk aan Sicco Mansholt) en na WO II naar de IJsselmeerpolders. De voedselverwerkende industrie komt in 1978 definitief in de fase van afnemende specialisatie bij het faillissement van het KSH-concern, dat overigens niet alleen vestigingen in Groningen had.

Is de Groningse landbouw inmiddels rijp voor het nachtkaars-scenario? Deze sector is veel te divers om hierover algemene uitspraken te doen. De pootaardappelsector is in deze provincie nog steeds springlevend. De suikerbieten- en zetmeelaardappelensector ligt wel zwaar onder vuur vanwege het wegvallen van EU-subsidies, en zal naarstig op zoek moeten naar nieuwe toepassingen om te kunnen overleven. De teelt van industriële hennep daarentegen begint zich inmiddels als een nieuwe ster aan het Groningse agro-firmament te ontwikkelen.

Deze beschrijving maakt hopelijk duidelijk dat de levenscyclus-benadering zeker niet als een deterministisch model moet worden beschouwd. Een regio kan erin slagen aantrekkelijker te worden voor een bepaalde bedrijfstak, en op die manier de groeifase (toenemende specialisatie) continueren. Ook is niet uitgesloten dat de stagnatiefase wordt omgebogen in een nieuwe groeifase. Het valt niet te voorspellen wanneer en in welke concrete vorm een bepaalde fase in de regionale ontwikkeling plaats vindt, maar wel dát zij in de regel vroeg of laat optreedt en dat zij bepaalde basiskenmerken vertoont; zoals dat het geval is bij de levenscyclus van nieuwe producten, bedrijfstakken, organisaties of zelfs beroepen.

Locatie Quotiënt (LQ)

Regionale verschillen in economische specialisatie worden meestal gemeten met het zogeheten Locatie Quotiënt (LQ). Zoals de Balassa-index, die ik in een vorige aflevering heb behandeld, is gerelateerd aan het mondiale gemiddelde, zo maakt men bij het LQ meestal de vergelijking met het landelijke gemiddelde.

Bij LQ=1 is het aandeel van bedrijfstak A in regio X even groot als gemiddeld in Nederland. Een LQ van bijvoorbeeld +2 wil zeggen dat het aandeel van deze bedrijfstak in regio X twee keer zo hoog is als het landelijke gemiddelde. Hoe hoger het LQ, hoe sterker A in regio X is vertegenwoordigd, vergeleken met de nationale bedrijfstakstructuur. In formule:

LQ =

wi / w

waarbij: wi = regionale werkgelegenheid in bedrijfstak i, en w = totale regionale werkgelegenheid

Wi / W

waarbij: Wi = nationale werkgelegenheid in bedrijfstak i, en W = totale nationale werkgelegenheid

Tabel 3 toont de Dynamische Specialisatie (DS) matrix. Deze is op dezelfde manier opgebouwd als de BCG-matrix en neemt als graadmeter de Locatie Quotiënt (LQ). We kunnen spreken van potentiële specialisatie als in een regio de LQ van bedrijfstak A kleiner is dan 1 (dus onder het landelijk gemiddelde zit) maar wel een stijgende lijn kent. Komt de LQ boven de 1 en wordt de stijgende lijn gecontinueerd, dan kan de positie van bedrijfstak A worden aangeduid als toenemende specialisatie. Er is sprake van afnemend specialisatie als de LQ nog relatief hoog is maar een daling heeft ingezet. Het nachtkaars-scenario is van toepassing als deze daling er toe leidt dat het aandeel van A weer onder het landelijke gemiddelde terechtkomt.

De DS-matrix toegepast

In tabel 4 wordt de DS-matrix toegepast op de tuinbouw in ZO-Nederland (N-Limburg en Oostelijk Brabant) voor de periode 2000-2011. Onderscheid is gemaakt tussen de glastuinbouw en de open teelten, die elk de volgende categorieën kennen: groenten, fruit, bloemen en boomkwekerij. De tuinbouwbedrijven in ZO-Nederland hebben vooral een sterke positie gekregen in de fruitteelt onder glas, overigens een klein onderdeel van de tuinbouwsector: zij hebben hun aandeel kunnen vergroten van 19 naar 44 procent van het totale areaal dat in Nederland voor deze tuinbouwcategorie wordt gebruikt. Een vergelijkbaar specialisatiepatroon is zichtbaar bij de boomkwekerij en de groenteteelt.

ZO-Nederland kent potentiële specialisatie bij de open teelten van bloemen en fruit. Deze categorieën hadden in 2000/01 met 8 resp. 5 procent een benedengemiddeld aandeel. Alleen bij de bloementeelt onder glas is het aandeel van ZO-Nederland (licht) gedaald, en is er zelfs sprake van een nachtkaars-scenario.

De oplettende lezer heeft al door dat ik tabel 4 het tuinbouw-areaal als maatstaf is genomen, en niet de werkgelegenheid zoals in tabel 1 en bij de LQ-formule. In de primaire agrosector (land- en tuinbouw) is de werkgelegenheid moeilijk te meten vanwege meewerkende gezinsleden en parttime boer(inn)en – en soms illegale arbeid. Het grondgebruik is hier een betere indicator. Niet alleen omdat hierover betrouwbare data beschikbaar zijn. In het dichtbevolkte Nederland is landbouwgrond een steeds schaarser goed, wat tot uitdrukking komt in de structureel stijgende grondprijs. In ZO-Nederland (maar ook op andere plaatsen) heeft dit ertoe geleid dat het landgebruik geleidelijk is verschoven van de extensieve akkerbouw naar de intensieve tuinbouw. In het Westland ging dit nog een stap verder: van open teelt naar kassenbouw. Verondersteld mag worden dat de ontwikkeling van andere economische indicatoren – zoals productieomvang, werkgelegenheid, toegevoegde waarde – redelijk goed weerspiegeld worden in het areaalgebruik. Anders gezegd: als je weet wat de trend is in het areaalgebruik, dan kun je meestal tevens uitspraken doen over de richting waarin andere indicatoren zich ontwikkelen (maar je moet dit natuurlijk wel altijd even checken).

Vier belangrijke vragen

En daarmee kom ik bij de eerste van de vier vragen die bij iedere DS-studie belangrijk zijn: welke indicatoren zijn hier het meest relevant? Een bedrijfstak kan zich qua werkgelegenheid in een positieve richting ontwikkelen, terwijl andere maatstaven een minder gunstig beeld geven. Een combinatie van indicatoren is daarom beter, plus een argumentatie waarom de gekozen maatstaven relevant zijn voor het identificeren van het specialisatiepatroon; beide elementen ontbreken in de meeste beleidsstudies. In feite pleit ik voor een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Want bij een grote mate van desaggregatie kom je al snel bij een beperkt aantal bedrijven uit, en dan zeggen casestudies meer dan statistisch onderzoek.

De tweede relevante vraag betreft het aggregatie-niveau van de onderzochte sector. Economen hebben vaak de neiging om te volstaan met hoog-geaggregeerde data, omdat deze zo makkelijk beschikbaar zijn. Bij dit soort studies verdient desaggregatie de hoogste prioriteit. Want voor vrijwel iedere sector geldt dat er uitzonderlijke onderdelen zijn met een hoge en stijgende LQ terwijl de rest van de sector bergafwaarts gaat. Juist die ‘onverwachtse parels’ zijn het meest interessant voor het onderzoek en voor het beleid.

Over welke periode strekt het onderzoek zich uit? Dat is het derde vraagstuk dat uiterst belangrijk is om een goed beeld te krijgen van het specialisatiepatroon. Vooral de keuze van het basisjaar kan grote gevolgen hebben voor hoe de analyse uitpakt. Ook deze vraag krijgt meestal veel te weinig aandacht in het reguliere empirische onderzoek. Bijna wordt uitgegaan van de beschikbare datareeks, zonder zich af te vragen hoe de uitkomsten geweest zouden zijn wanneer een andere onderzoeksperiode was gekozen. Zoals ik in een vorige aflevering constateerde: de meeste beleidsstudies doen alsof er helemaal geen financiële crisis heeft plaats gevonden.

Tot slot is een belangrijke vraag op welk gebied de analyse betrekking heeft. Dit gaat ten eerste over de afbakening van de regio die wordt onderzocht. Ook hier geldt dat desaggregatie de voorkeur verdient. Zo is het specialisatiepatroon in de Noord-Groningse landbouw (vooral pootaardappelen) heel anders dan in de Groningse Veenkoloniën (vooral zetmeelaardappelen). Relevant is tevens welk gebied als benchmark wordt genomen. Meestal wordt uitgegaan van het landelijk gemiddelde, zoals in tabel 4 is gebeurd. Maar vaak is het vruchtbaarder om de vergelijking te maken met concurrerende regio’s. Zo kan ZO-Nederland beter vergeleken worden met het Westland, of andere regio’s met een hoge concentratie aan tuinbouwactiviteiten.

Moraal van het verhaal

In het begin van dit essay constateerde ik dat veel jongeren bij hun studie- of beroepskeuze niet verder kijken dan hun neus lang is. Waarmee ik bedoel dat zij zich beperken tot een keuze waarmee ze in die fase van hun leven goed denken te scoren. Ze beseffen onvoldoende dat zij op die manier al vrij snel in een fuik zwemmen waar ze later moeilijk uit komen. Dit probleem wordt groter naarmate economische en technologische ontwikkelingen sneller verlopen. Jongeren kunnen deze fuik grotendeels vermijden door hun loopbaan als een soort volgtijdelijk portfolio te zien: “ met deze studie kan ik het beste beginnen, die andere favoriete studies kan ik beter voor later bewaren.” Probleem is wel dat wij nog steeds geen systeem van onderwijsvouchers hebben, zoals ik hier heb voorgesteld.

De portfolio-gedachte zou ook het vertrekpunt moeten zijn in het regionaal economisch beleid. De fuik van het 3S-beleid van de EU: verleid door EU-subsidies gaan regionale overheden zich teveel richten op de bedrijfstakken waar nu of in het recente verleden hun economische kracht ligt of lag. Ze kunnen de plank dan flink misslaan. Politici, bestuurders en andere betrokkenen – ja, zelfs onderzoekers – hebben de natuurlijke neiging om de in het verleden behaalde successen te ‘vertalen’ naar de toekomst. Wat natuurlijk niet zo vreemd is, als je bedenkt dat vertegenwoordigers van de huidige succesvolle bedrijfstakken relatief makkelijk toegang hebben tot allerlei netwerken en advies- en overlegorganen.

Een DS-analyse kan deze fuik grotendeels voorkomen. Want zij informeert over de regionale bedrijvigheid als geheel, en kijkt vooral naar de richting waarin de diverse regionale bedrijfstakken zich bewegen (in vergelijking met het Nederlandse gemiddelde of met benchmark-regio’s)

Daar heb je heel wat meer aan dan de precieze stand van zaken in een specifiek en meestal willekeurig jaar, waartoe de meeste studies op dit terrein zich beperken. Net als bij mensen en organisaties, lijkt de ontwikkeling van regionale specialisaties op een grote olietanker: eenmaal een bepaalde richting ingeslagen duurt het heel lang alvorens de gewenste bijsturing enig resultaat begint af te werpen. Het is dus zaak om vroegtijdig signalen te krijgen over toekomstige ontwikkelingspaden. Kort door de bocht: juist de bedrijfstakken die in de regio de status van een star hebben verworven (door toenemende specialisatie) zullen eerder vroeg dan laat terecht komen in de fase van afnemende specialisatie, doordat andere regio’s een beter businessmodel hebben ontwikkeld – of door andere onverwachtse ontwikkelingen. Zie de Amerikaanse auto-industrie en de Groningse agrosector.

Ik hoop dat een DS-analyse tevens tot een andere opstelling van de overheid gaat leiden. In het regionale beleid heeft zij nog teveel het idee dat de regionale economie maakbaar is – door subsidies te verstrekken, door allerlei samenwerkingsverbanden te smeden en door diverse beleidsplannen op te stellen. Meestal een verspilling van menselijke energie en van belastinggeld. De overheid moet ervoor zorgen – typische overheidstaak – dat de diverse partijen over de meest relevante informatie beschikken, onder meer als opdrachtgever van creatief en onafhankelijk onderzoek over veranderingen in de regionale economie.

De overheid moet een voorbeeld nemen aan de betere tuinman. Deze houdt zijn of haar tuin goed in de gaten. Kijkt vooral naar de kracht, inventiviteit en weerstandsvermogen van de natuur. En komt alleen in actie als sommige planten te dominant worden, de tuin extra voedingstoffen nodig heeft, of wanneer hij andere accenten wil aanbrengen in de tuin. “In der Beschränkung zeigt sich der Meister-Politiker”, zou Goethe zeggen.

S. de Beter m.m.v. M.E. Loen

PS Most of the time’ als toevoeging in de titel verwijst naar een van de mooiste popsongs over een voorbije liefde, natuurlijk van Bob Dylan. In dit essay gaat het om de boodschap dat de tendensen die ik beschrijf niet altijd optreden, maar meestal wel.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten