Waarom de biologische landbouw toekomst heeft

Picking losers (4) – naar een verstandig bedrijvenbeleid

De vorige afleveringen van de serie ‘picking losers’ gingen voornamelijk over de exportpositie van (agrarische) bedrijfststakken. Dit is een externe maatstaf  om economische kracht te meten: hoe aantrekkelijk zijn onze producten in het buitenland? Het is ook een achteraf-indicator want meestal kun je pas exporteren als je succes hebt op de thuismarkt. Hoe komt de biologische landbouw dan uit de bus, in vergelijking met de gangbare landbouw? Kunnen economen deze vraag beantwoorden, of kunnen we beter onze toevlucht nemen tot een psycholoog?

Kijken we in de leerboeken wat economen te zeggen hebben over vraagfactoren, dan zijn we snel klaar. Zij houden zich liever bezig met het prijsmechanisme – vooral op ‘perfecte markten’ waar sprake is van ‘volkomen concurrentie’ – en met aanbodfactoren, zoals arbeid (loonkosten), kapitaal (rente en dividend) en technologie (R&D).

De vraagzijde heeft allereerst betrekking op consumenten die in hun behoeften willen voorzien. Daarnaast op ondernemingen die hun productiecapaciteit willen vernieuwen of uitbreiden, en dus investeringen plegen. En tot slot op overheden die hun burgers voorzien van (quasi)collectieve goederen, zoals defensie en politie, onderwijs en cultuur, wegen en andere fysieke infrastructuur, en allerlei vormen van bestuur.

Wiskundig hoogstaand en in de praktijk onbruikbaar

Economen beperken zich voornamelijk tot de eerste categorie, en komen dan met vier wetten op de proppen. Te beginnen met de eerste wet van Gossen: naarmate je meer consumeert van een bepaald product, bijvoorbeeld appels, zal een extra appel steeds minder extra genot opleveren. In economenjargon: er is sprake van afnemend grensnut. Gewone mensen zeggen dan dat ze verzadigd raken en ook wel eens ander fruit willen eten, bijv. peren.

Met de tweede wet van Gossen krijg je volgens economen een antwoord op de vraag welke combinatie van appels en peren het hoogste nut oplevert. Ik zal u de uitleg besparen en wil alleen verklappen dat je met het bestuderen van deze wet wel je wiskundige vaardigheden kunt benutten, maar je hebt er niets aan als je de afzet van appels en peren wilt voorspellen. Deze combinatie van wiskundig hoogstaand en praktisch onbruikbaar is kenmerkend voor vrijwel de hele neoklassieke economische theorie. Voor Yanis Varoufakis was dat een reden om snel over te schakelen van economie naar wiskunde toen hij in Engeland ging studeren.

De derde wetmatigheid die economen hebben ontdekt bij het gedrag van consumenten gaat over de dalende vraagcurve: naarmate de prijs van appels daalt, worden er meer appels gekocht. Consumenten die al regelmatig appels kopen, zullen bij een lagere prijs méér appels kopen. En mensen die niet eerder aan de appels waren, zullen bij een dalende prijs overstappen van peren naar appels (het zogeheten substitutie-effect). Eerder liet ik zien dat deze Wet van de Vraag heel vaak niet opgaat.

Tot slot is er de Wet van Engel. Deze Duitse statisticus ontdekte in de 19e eeuw dat bij een dalende aardappelprijs de vraag naar aardappels niet steeg – zoals de derde wet voorspelt – maar juist daalde. De oplossing van deze paradox: de vraag naar aardappels wordt niet alleen bepaald door veranderingen in de prijs (de mate waarin wordt door economen prijselasticiteit genoemd) maar ook door veranderingen in het beschikbare inkomen (inkomenselasticiteit). Arme mensen gaven toen een groot gedeelte van hun inkomen uit aan aardappels – denk aan de aardappeleters van Vincent van Gogh – met als gevolg dat zij bij een dalende aardappelprijs meer geld beschikbaar hadden voor andere etenswaren, zoals wortelen en uien (hutspot) of vlees. Als dit inkomenseffect groter is dan het substitutie-effect zien we per saldo een daling van de vraag naar aardappels.

Wat heb je aan dit theoretisch instrumentarium als je de opmars van biologisch voedsel wilt verklaren of voorspellen? Voor economen ligt het allemaal heel eenvoudig, in hun ogen heeft alles met prijzen te maken. Toen in 2006 de minister van landbouw, Cees Veerman, wilde weten hoe de biologische afzet zich zou ontwikkelen, wist het Landbouw Economisch Instituut (LEI) dan ook niets beters te verzinnen dan een prijsexperiment. Verspilde moeite (en belastinggeld), want een duidelijk beeld leverde het niet op, zoals u zelf kunt beoordelen (door via deze link het onderzoeksverslag te bemachtigen). Bovendien geldt dat de meeste mensen in het werkelijke leven andere beslissingen nemen dan zij zich tegenover onderzoekers uiten of in de experimentele situatie gedragen, zoals ik hier en hier betoog.

Een geheel andere benadering

Volgens de Amerikaanse psycholoog Abraham Maslow zijn voedsel, kleding en een dak boven je hoofd de meest dringende levensbehoeften. Zijn deze lichamelijke behoeften grotendeels vervuld, dan pas gaan mensen nadenken over hoe ze meer veiligheid en zekerheid kunnen bereiken, en vervolgens hoe ze in hun behoefte aan sociale contacten kunnen voorzien. De hoogste trap van de piramide heeft betrekking op de behoefte aan waardering en erkenning, en tot slot aan zelfontplooiing.

Piramide van Maslow

Deze piramide zien we het duidelijkst terug bij de veranderingen in het consumptiepatroon na WO II toen de welvaart snel steeg in de meeste westerse landen. Werd aanvankelijk een groot deel van het gezinsinkomen besteed aan voedsel, bij toenemende welvaart ging het extra inkomen vooral naar betere huisvesting, duurzame consumptiemiddelen (wasmachine, auto en TV), verzekeringen, pensioenopbouw, amusement en andere sociale en culturele activiteiten. Volgens de piramide van Maslow is het begrijpelijk dat mensen met de hoogste inkomens – of uit de hogere klassen – relatief veel geld besteden aan kunst, cultuur. spiritualiteit e.d., en hun kinderen eerder naar de kunstacademie of het conservatorium laten gaan dan bij de lagere-inkomensgroepen het geval is.

Als economen kennis zouden nemen van het Maslow-model, zullen ze ongetwijfeld hun antwoord klaar hebben. Deze verschuivingen in het consumptiepatroon bij een stijgend inkomen, zo zeggen ze, ligt al besloten in de eerdergenoemde Wet van Engel. Als deze wet geldt voor specifieke producten, zoals aardappelen, dan geldt zij eveneens voor productcategorieen, zoals voedsel. Hun conclusie is dan dat voedsel zo min mogelijk mag kosten, want wij besteden ons geld liever aan andere behoeften. Vandaar hun pleidooi dat boeren en voedselfabrikanten de hoogste prioriteit geven aan productiviteitsstijging d.m.v. schaalvergroting en procesinnovaties.

Er is echter ook een andere interpretatie mogelijk. Veel mensen doen weliswaar hun uiterste best om hun voedingsmiddelen zo goedkoop mogelijk in te slaan, maar diezelfde mensen tasten diep in de buidel voor een avondje stappen, bij de aanschaf van speciale wijnen, of voor etentjes in een gerenommeerd restaurant. Dan mag eten en drinken wel veel kosten want nu gaat het andere functies die aan voedsel verbonden zijn, en hoger in de Maslow-piramide staan. Voedsel goedkoper maken is volgens deze interpretatie niet zo slim. Je kunt je als boer beter richten op ‘eet- en drinkbehoeften’ die mensen in de loop der tijden hoger zijn gaan waarderen.

De behoeftepiramide bij bio

Het Maslow-model kan verklaren waarom een groeiende groep mensen voor biologisch voedsel kiest, ondanks de hogere prijs en onafhankelijk van de economische conjunctuur (zie de grafiek hieronder). Het gaat hen niet louter om het vullen van de maag of het lessen van de dorst maar om tal van andere behoeften. Zoals bijvoorbeeld de behoefte aan zekerheid en veiligheid: bij biologische etenswaren weet je in ieder geval zeker dat ze niet allerlei kunstmatige toevoegingen bevatten. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat bij babyvoedsel het aandeel bio relatief hoog ligt.

Opmerkelijk is verder dat de doorbraak van biologisch eerder outdoor dan indoor heeft plaatsgevonden, toen de betere restaurants zich begonnen te onderscheiden met biologische gerechten (en streekproducten). Gevolg is dat mensen die thuis niet biologisch eten, dat in een restaurant vaak wel doen. Als je buitenshuis eet, speelt de sociale component een grotere rol, en dan gelden andere regels en gewoonten. Bio (en tegenwoordig ook vega) kan verder worden benut om je te onderscheiden, zoals je ziet bij de nieuwe elite – door Elizabeth Currid-Halkett aangeduid als ‘streefklasse’.

In de behoefte aan waardering en erkenning wordt eveneens voorzien: de hogere prijs brengt tot uitdrukking dat de consument het werk van de biologische boer of tuinder weet te waarderen. En in tegenstelling tot de gangbare boeren die door het grootwinkelbedrijf worden uitgeknepen, zien veel biologische boeren hun werk als een vorm van zelfontplooiing en voelen zij zich verbonden met Moeder Aarde. Waarbij u niet alleen moet denken aan hippieboeren; zie hier een kort filmpje over een Zeeuwse akkerbouwer die met moderne techniek blij wordt van bio.

Ontwikkeling van de wereldomzet aan de bioproducten (2000-2015, in mrd US-dollars)

Deze interpretatie van de piramide van Maslow kan eveneens verklaren waarom stadslandbouw de laatste tijd zo populair is geworden, terwijl zij inferieur is in termen van productiviteit. Buurtbewoners gaan zelf een deel van hun voedsel verbouwen (meestal volgens bio-richtlijnen), niet uit armoede zoals vroeger, maar omdat het zin en betekenis geeft aan een stuk van hun leven. En omdat het sociale contact in de wijk zoveel beter wordt als je samen voedsel gaat verbouwen of elkaar trakteert op zelf verbouwde groenten.

De toekomst van de Nederlandse agrosector

De piramide van Maslow is ook bruikbaar voor een toekomstgericht beleid voor de de Nederlandse agrosector. Tot dusver ligt de nadruk vooral op high tech, grootschaligheid en intensivering van de landbouw. Dat leidt tot goedkoop en gestandaardiseerd voedsel. Ongetwijfeld voorziet dit in een grote behoefte bij een aanzienlijk deel van de wereldbevolking. Deze behoefte is echter in het buitenland groter dan in eigen land, om redenen die ik hierboven heb genoemd, zodat de export gaandeweg belangrijker wordt dan de binnenlandse markt.

Produceren voor de export heeft echter een eigen dynamiek. Aanvankelijk is er sprake van een sterke groei maar in termen van internationaal marktaandeel treedt na verloop van tijd meestal stagnatie op, zoals ik eerder liet zien. De exporterende bedrijven gaan zich gaandeweg vestigen in de landen met de meeste afzetgroei – of met een specifieke wet- en regelgeving. Zo heeft Lely, o.a. de grootste Nederlandse producent van melkrobots, inmiddels drie fabrieken in Duitsland en een in de VS, naast de twee fabrieken in Nederland. Het Nederlandse aandeel in de internationale handel in melkrobots zal dus anno 2017 lager liggen dan de 50% die in 2010 werd behaald.

In eigen land worden de grote exportbedrijven gaandeweg verdrongen door nieuwe bedrijfjes die zich op andere functies van eten en drinken richten en daarom een hogere prijs en marge kunnen realiseren. Zo verliest Heineken in Nederland marktaandeel aan kleine brouwerijen van speciaalbieren. Het enige wat Heineken kan doen is proberen deze over te nemen, om vervolgens hun imago van kleinschalig en ambachtelijk zorgvuldig te koesteren. FrieslandCampina heeft een variant van deze strategie toegepast door biologische melkveehouders aan zich te binden. En supermarkten proberen hun imago te verbeteren door voor weidemelk een hogere prijs te (laten) betalen.

De piramide van Maslow kun je beschouwen als een opeenvolging van levenscycli. De landbouw is aanvankelijk gericht op het bevredigen van de fysieke behoefte aan voedsel. De slogan ‘Nooit meer honger’ die ten grondslag lag aan het landbouwbeleid van Sicco Mansholt, met zijn nadruk op een drastische verhoging van productiviteit, past geheel in de eerste cyclus (oftewel de onderste trede in de piramide). Toen daarna de markt werd overspoeld met goedkoop voedsel dat grootschalig was geproduceerd, ontstond een nieuwe cyclus waarbij andere behoeften de boventoon gingen voeren. De losers zijn dan de bedrijven die zich nog steeds primair richten op productiviteitsverhoging en andere criteria die in de oude cyclus belangrijk waren.

Kijk maar eens naar de ontwikkelingen in de moderne veehouderij, die ik hier heb geschetst voor de melksector. De enorme verhoging van de productiviteit is gerealiseerd door kapitaalsintensivering, wat leidde door een grote afhankelijkheid van de banken. En door specialisatie, zodat boeren niet meer zo makkelijk kunnen overschakelen op andere bronnen van inkomsten, binnen of buiten de landbouw. In combinatie met sterk fluctuerende en structureel dalende prijzen hebben deze twee kenmerken tot gevolg dat de moderne veehouderij alleen kan overleven met hulp van de overheid of een andere ‘marktregisseur’, zoals de RABO. Vergelijk dit met de kleinschalige en vaak multifunctionele bioboeren die eigenlijk de overheid niet meer nodig hebben, omdat zij zich richten op producten en productiewijzen die door een groeiend aantal consumenten hoger worden gewaardeerd dan kiloknallers. De rollen zijn duidelijk omgedraaid.

S. de Beter m.m.v. M.E. Loen

PS: is bio elitair en onverantwoordelijk?

Voorstanders van de moderne grootschalige landbouw halen soms alles uit de kast om de biologische landbouw in een kwaad daglicht te stellen. Zo komen Aalt Dijkhuizen en Louise Fresco, resp. de toenmalige en de huidige voorzitter van de Raad van Bestuur van de Wageningse landbouwuniversiteit, begin 2013 met de stelling dat intensivering van de landbouw de enige manier is om de snelgroeiende wereldbevolking te voeden. Biologische landbouw is volgens Dijkhuizen goed fout want die neemt relatief veel landbouwgrond in beslag, en zou zelfs tot meer uitstoot aan broeikasgassen leiden. Theoloog Ralf Bodulier doet er nog een schepje bovenop. Hij verwijt de voorstanders van biologische landbouw elitair en onverantwoordelijk gedrag: zij hebben het op hun geweten als straks een deel van de wereldbevolking honger lijdt.

Dat biologisch voedsel vanwege de hogere prijs alleen is weggelegd voor de hogere inkomens – een ander punt van kritiek – wordt vaak beweerd maar zelden onderzocht. Bovendien kun je ook stellen dat gangbaar voedsel te goedkoop is. De gangbare landbouw veroorzaakt namelijk allerlei extra ‘kosten’ die niet door de producent of de consument maar door de maatschappij worden betaald – zoals EU-landbouwsubsidies, milieuvervuiling, en hogere medische kosten door ongezond voedsel. Bovendien is gangbaar voedsel goedkoper doordat het profiteert van alle wetenschappelijke vooruitgang die in de landbouw en de voedingsmiddelensector is geboekt. Zorg voor true pricing (maatschappelijke kosten en baten in de prijs verwerken) en geef de biologische sector meer ondersteuning qua onderzoek, en het prijsverschil tussen gangbaar en biologisch voedsel zou weleens heel klein kunnen worden.

Volgens het Maslow-model zal een miniem prijsverschil er overigens niet toe leiden dat de biologische landbouw de gangbare volledig zal verdringen. Ten eerste kun je met dit model voorspellen dat biologisch voedsel in de westerse wereld voorlopig beperkt blijft tot een weliswaar groeiende maar nog steeds kleine groep consumenten. Het is slechts een minderheid die op deze manier eten en koken verbindt met ‘hogere behoeften’. Ten tweede wordt begrijpelijk waarom in de opkomende economieën en de ontwikkelingslanden de biologische landbouw voorlopig een marginaal verschijnsel zal blijven. De overgrote meerderheid moet zich noodgedwongen beperken tot het bevredigen van de meest primaire behoeften, en kan alleen maar dromen van het beklimmen van de piramide.

Kortom, mensen als Dijkhuizen en Fresco hoeven helemaal niet te vrezen dat de biologische landbouw teveel landbouwgrond in beslag gaat nemen. En mocht deze vorm van landbouw wel populair worden bij grote delen van de wereldbevolking (en blijkt het inderdaad niet mogelijk om meer grond voor landbouw te bestemmen), wordt het dan niet tijd om bij voorbeeld de wijnbouw of de sierteelt aan banden te leggen? Want ook deze snel groeiende activiteiten nemen vruchtbare grond in beslag die gebruikt kan worden om de groeiende wereldbevolking te voeden. Maar daar hoor je Dijkhuizen en Fresco niet over.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten