Geschiedvervalsing of gewoon een beetje dom?

Bij de vorige aflevering in de serie “Heeft de economische keizer geen kleren aan?” begon ik met een samenvatting, gevolgd door twee blogposten waarin deze werd toegelicht en gedocumenteerd. Dit keer bewandel ik de omgekeerde weg. Wat nu volgt is een samenvatting van wat ik op 21 oktober publiceerde http://eco-simpel.nl/2017/10/21/spiegeltje-spiegeltje-aan-wand/.  Bovendien heb ik op 23 april 2018 een nawoord geschreven.

“Dit kan niet waar zijn”, dacht ik toen hoogleraar Bas Jacobs, voorzitter van de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde (KVS) zijn club introduceerde als “de oudste beroepsvereniging voor economen ter wereld”. Werd tot dusver 1862 als oprichtingsjaar aangehouden, “uit geschiedkundig onderzoek was naar voren gekomen dat 1849 als het ware als geboortejaar van de Vereniging moet worden aangemerkt”, aldus de KVS-site. Een raadselachtige zin: hoe kan er nu verwarring zijn over de oprichting van een officiële vereniging, en waarom de toevoeging “als het ware”?

Als je wilt weten wanneer een vereniging is ontstaan, ga je op zoek naar de eerste statuten en bestuursleden. Historica Joke Mooij, die het betreffende onderzoek op verzoek van de KVS heeft uitgevoerd, constateert in haar Denken over welvaart (1994) dat deze inderdaad uit 1862 stammen. Maar daarna gaat zij terug naar het jaar 1849, toen de jurist J. de Bosch Kemper het eerste Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje uitgaf “en daarmee de stoot gaf tot het ontstaan van de vereniging”. We lezen even verderop dat hij toen de enige auteur was, en bovendien zijn spaarpot flink moest aanspreken want deze eerste uitgave was zwaar verliesgevend. Daarom zocht hij medeauteurs (en financiering) die op 1 november 1849 voor het eerst bijeenkwamen. Mooij bestempelt hen als de “Kring van medearbeiders aan het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje”. In andere historische studies komen we deze zogeheten Kring echter nergens tegen.

Economen hebben er een handje van om hun stempel te drukken op activiteiten die al veel langer onder andere sociale disciplines vallen, wat bekend staat als economisch imperialisme. Blijkbaar doen ze deze vorm van landjepik ook bij organisaties want in 1862 werd niet een economenclub opgericht maar de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland. Het lidmaatschap stond open voor iedereen met belangstelling voor statistiek. “Behalve statistici, staathuishoudkundigen, ambtenaren, juristen en artsen, telde de vereniging ook politici, bankiers en industriëlen onder haar leden”, aldus Mooij.

Rond 1890 begon haar ledental flink dalen, waarschijnlijk omdat de Rijksoverheid toen eindelijk serieus werd met de inwilliging van haar belangrijkste wens: de oprichting van een Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). In plaats van opheffing werd zij in 1892 omgezet in de Vereeniging voor Staathuishoudkunde en Statistiek.

Om kort te gaan: de KVS doet aan geschiedvervalsing door te verkondigen dat zij “de oudste beroepsvereniging voor economen ter wereld” is. Wat in 1862 van start ging was immers geen club van economen – die toen niet eens bestonden – maar van geëngageerde burgers die debatten over sociale en economische kwesties wilden funderen op betrouwbare gegevens. Daarmee is zij minder oud dan de Royal Statistical Society (1833) en de American Statistical Association (1841). Op academisch niveau werd de staathuishoudkunde – tegenwoordig meestal aangeduid als macro-economie – aanvankelijk uitsluitend beoefend door enkele juristen. Pas vanaf 1892 kun je met enig recht spreken van een economenclub, waarmee Nederland achterbleef bij de UK (1890), de VS (1885), Duitsland (1873) en vooral Frankrijk (1842).

Zeker in termen van moreel kapitaal is het onderzoek van Mooij voor de KVS een zwaar verliesgevende investering gebleken. Het bevestigt vooral de opvatting dat economen het soms niet zo nauw nemen met de feiten. En dat ze zelf een stuk minder rationeel zijn dan ze bij anderen veronderstellen.

Op 1 juni jl. heeft het KVS-bestuur besloten om komend jaar een nieuwe toekomststrategie te ontwerpen voor de nogal kwakkelende vereniging. Eerst maar eens schoon schip maken met het verleden, zou ik zeggen.

S. de Beter

Nawoord (23/4/18)

In dit nawoord wil ik een aantal zaken bespreken die blijkbaar nog steeds verwarring wekken. Ik heb mij in het bijzonder laten inspireren door het commentaar dat u hieronder aantreft van Hans Visser, emeritus-hoogleraar aan de VU. Alsmede door een mailtje van dr. Anton Schuurman van de WUR, die mij wees op de dissertatie van Wim Coster over baron Sloet tot Oldhuis.

Ik begin met de laatste opmerking van Visser. Ik deel zijn mening dat ook mensen met een niet-economische achtergrond of opleiding als econoom kunnen worden aangeduid wanneer zij nieuwe economische inzichten hebben ontwikkeld of toegepast. Maar dat is niet de kern van het probleem dat ik wilde aansnijden in mijn essay over de ontstaansgeschiedenis van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde. Mij ging het om de misvatting dat de term staathuishoudkunde vroeger dezelfde betekenis zou hebben als anno nu, wat je louter domheid zou kunnen noemen maar ook een speciale vorm van ‘economisch imperialisme’.

De meest bekende vorm daarvan kennen we vooral van Nobelprijswinnaar Gary Becker. Hij past de (neoklassieke) methode die economen hanteren op hun oorspronkelijke onderzoeksterrein, ook toe op allerlei terreinen die voorheen waren voorbehouden aan andere disciplines. Dus een economische benadering van misdaad, huwelijk, opvoeding e.d. Dáár heb ik op zich geen moeite mee, mits het gaat om een eerlijke confrontatie tussen twee methodologische benaderingen: een economische en een niet-economische (of ‘oorspronkelijke’). Wat ik niet waardeer: doen alsof alleen economen iets over het onderwerp te zeggen hebben, zoals bij de Canon van de Economie is gebeurd, zie bijvoorbeeld hier.

Zoals gezegd, wilde ik het hebben over een andere vorm van economisch imperialisme: de bewering dat de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (KVS), toen de “Vereeniging voor de Statistiek in Nederland” geheten, al in 1862 (of nog eerder als we mogen afgaan op de studie van Joke Mooij) een economenclub was. Ik denk eerder dat mensen die zich nu econoom – of staathuishoudkundige – zouden noemen, toen in de minderheid waren.

Visser noemt Sarphati een 19-eeuws verschijnsel, waarbij hij waarschijnlijk bedoelt dat die periode werd gedomineerd door generalisten (zoals Samuel Sarphati), en niet door specialisten, die in de sociale wetenschappen pas aan het eind van de 19e eeuw ontstonden. Daarop aansluitend zou ik de “Vereeniging voor de Statistiek in Nederland” een bonte verzameling van voornamelijk generalisten willen noemen, die één ding gemeenschappelijk hadden: de interesse in statistiek.

De Leidse hoogleraar Kluit die in 1807 als eerste en op eigen initiatief colleges statistiek ging geven, noemde dit nieuwe vakgebied “stilstaande geschiedenis” (en geschiedenis “doorgaande statistiek”) maar ook wel staathuishoudkunde. Want het richtte zich op het verzamelen en interpreteren van uiteenlopende feiten die “inzicht gaven in de uitwerking van bepaalde maatregelen, zodat duidelijk werd welke maatregelen het meest noodzakelijk waren” (Coster 2008, p. 82) uit het oogpunt van de staat. Toen op 28 januari 1807 koning Lodewijk Napoleon bij decreet bepaalde dat “in de toekomst aan de universiteit van Leiden colleges in staathuishoudkunde en statistiek gegeven moesten worden” (idem), ging het niet om twee verschillende vakgebieden maar om toentertijd gangbare synoniemen die vaak in één adem werden genoemd. Denk bijvoorbeeld aan het “Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek” dat in 1841 door baron Sloet tot Oldhuis werd opgericht (idem, p. 80). Bovendien beperkte de statistiek (of de staathuishoudkunde) zich toen niet tot economische verschijnselen. Ook medische en landbouwkundige aspecten vielen daaronder, en alles wat wij tegenwoordig sociale en ruimtelijke wetenschappen noemen. Daarnaast kan niet genoeg worden benadrukt dat in de 19e eeuw statistiek niet alleen een kwantitatief karakter had (zoals in het huidige tijdsgewricht) en vooral kwalitatieve beschrijvingen omvatte. Het is daarom niet zo vreemd dat Joke Mooij over de beginjaren van de “Vereeniging voor de Statistiek in Nederland” het volgende constateert: “Behalve statistici, staathuishoudkundigen, ambtenaren, juristen en artsen, telde de vereniging ook politici, bankiers en industriëlen onder haar leden”.

Kortom, wat vroeger statistiek of staathuishoudkunde heette, werd door zeer uiteenlopende generalisten beoefend en had een behoorlijk andere betekenis dan nu – wat Mooij (1994) en Boschloo (1989) blijkbaar onvoldoende beseffen.

Interessant is wat de Groningse hoogleraar Van der Woud in Het lege land (2007, 210-211) zegt over de 19-eeuwse relatie tussen de staathuishoudkunde, “die de productiviteit van de staat onderzocht” en de landhuishoudkunde, “die zich bezighield met de productiviteit van de landbouwgrond”. Aanvankelijk hadden deze twee vakgebieden veel verwantschap, zoals blijkt uit de loopbaan van Gerard Wttewaal die volgens Coster (p. 79) in 1822 in Leiden werd benoemd tot hoogleraar in de landhuishoudkunde (bij de faculteit van de wis- en natuurkunde) en zes jaar later tot hoogleraar in de staathuishoudkunde (aan de juridische faculteit, waar alle studenten verplicht waren een of meer vakken staathuishoudkunde te volgen). In een later stadium scheidden zich volgens Van der Woud de wegen, waarbij de landhuishoudkunde de weg insloeg van de schei- en natuurkunde, en de staathuishoudkunde zich eerder richtte op de politieke filosofie – Adam Smith was een moraalfilosoof!

Ook het vakgebied van de Geografie, aanvankelijk een belangrijk onderdeel van de staathuishoudkunde, sloeg aan het einde van de 19e eeuw een eigen weg in. De eerste hoogleraar was C.M. Kan (1837-1919), die in 1877 benoemd werd aan wat nu de Universiteit van Amsterdam wordt genoemd.

Behoorlijk veel later kwam de medische statistiek, die in de “Vereeniging voor de Statistiek in Nederland” eveneens veelvuldig aan bod kwam, in een eigen stroomversnelling terecht, waarbij ik vooral wil verwijzen naar de eerste artikelen die Austin Bradford Hill 1937 in The Lancet publiceerde.

Om een lang verhaal kort te maken, mijn stelling is dat de staathuishoudkunde – oftewel statistiek – aanvankelijk een breed onderzoeksterrein was, met allerlei uiteenlopende disciplines die later zelfstandig werden. Dat laatste geldt ook voor wat nu algemene economie of staathuishoudkunde in engere zin wordt genoemd.

Het zou dus beter geweest zijn geweest om het geboortejaar van de KVS op 1892 te prikken, toen werd besloten tot de omzetting in de Vereeniging voor Staathuishoudkunde en Statistiek, en vanaf 1893 de eerste preadviezen met overwegend economische thema’s werden gedrukt. In dezelfde periode ontstonden in het buitenland vergelijkbare verenigingen, zoals The American Economic Association (1885) en de Britse Royal Economic Society (1890).

 

Share

2 Reacties.

  1. Beste collega,

    Hoe je iets ‘als het ware als het geboortejaar’ van wat dan ook kan aanmerken ontgaat ook mij.
    Als Joke Mooij uitpluist dat achter een oprichtingsjaar een voorgeschiedenis zit, blijft dat oprichtingsjaar gewoon in stand, en of je dat nou een club van economen of een club van statistici of een club van economen, statistici en nog meer noemt, ach. Statistiek en economie lagen in die tijd heel dicht bij elkaar. Trouwens, het ledenbestand van de KVS zal de meeste categorieen die bij de Vereeniging voor Statistiek zaten ook omvatten, alleen de artsen zullen ontbreken. Mensen als Sarphati zijn een 19e-eeuws verschijnsel. Het lijkt me geen hoofdzonde om hier van een club van economen te spreken. Maar een zekere bescheidenheid kan geen kwaad (‘club van o.a. economen’, maar subtiliteit scoort niet).
    Dat de staathuishoudkunde op academisch niveau beoefend werd door juristen klopt in zoverre dat het mensen waren met een juridische opleiding, maar ik zou Ackersdijck, Wttewaal, Vissering enz. toch wel economen willen noemen. Econoom kan je uitstekend zijn met een niet-economische opleiding, denk aan Tinbergen en Phillips, of aan David Hume, Adam Smith (die beiden natuurlijk veel méér waren dan alleen econoom) en aan de bankier David Ricardo en dominee Malthus.

    vriendelijke groet,

    Hans Visser

    • Hartelijk dank voor uw commentaar, heer Visser. En mijn excuses dat ik zo laat reageer. Om twee redenen: ik had andere klussen en ik heb naar extra literatuur gekeken, met name naar de dissertatie van Wim Coster over baron Sloet tot Oldhuis.
      Gezien de lengte van mijn reactie op uw commentaar heb ik gekozen voor een Nawoord, dat u hierboven aantreft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Wilt u zich op mijn blog abonneren (wat ik zeer waardeer), dan hoeft u alleen uw emailadres in te vullen en daaronder op 'Abonneren' te klikken.

Laatste berichten