Spiegeltje, spiegeltje aan de wand ……………

Heeft de economische keizer geen kleren aan? (3)

 

Steekt het de economische professie dat Jan Tinbergen de eerste (in 1969) maar tevens de enige Nobelprijswinnaar voor Economie is geweest? Is het extra zuur dat de betere economen naar het buitenland verhuizen, en daar prestigieuze prijzen in de wacht slepen: Tjalling Koopmans (Nobelprijs), Hendrik Houthakker (Clark Medal) en Henri Theil (fellow van de American Statistical Association)? Hoe dan ook, iedereen moet weten dat Nederland met de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde (KVS) de ‘oudste beroepsvereniging voor economen ter wereld’ in huis heeft. Veelzeggend voor het zelfbeeld van Nederlandse economen is ook hun reactie als een niet-econoom een boek over hun vakgebied schrijft. Is mijn plaatsvervangende schaamte terecht?

“Dit kan niet waar zijn”, dacht ik toen ik onlangs Bas Jacobs op internet hoorde zeggen voorzitter te zijn van “de oudste beroepsvereniging voor economen ter wereld”. Bij dit soort borstklopperij van eigen bodem moet ik onwillekeurig denken aan de woorden die aan Heinrich Heine worden toegeschreven: “Als de wereld vergaat, ga ik naar Holland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later.” Zou de KVS de uitzondering zijn die de regel van het achterlopende Nederland bevestigt?

Om te controleren of Jacobs weer eens overmoedig was in zijn uitspraken, ging ik kijken naar de KVS-site. Tegen beter weten in was ik toch weer verrast daar dezelfde claim te lezen, en iets verderop dat ze aanvankelijk 1862 als oprichtingsjaar hebben gekozen; maar “uit geschiedkundig onderzoek was echter naar voren gekomen dat 1849 als het ware als geboortejaar van de Vereniging moet worden aangemerkt.”

Bij dit soort raadselachtige informatie – hoe kan er nu verwarring zijn over de oprichting van een officiële vereniging, en waarom de toevoeging “als het ware”? – bevind ik mij in een onbewaakt ogenblik al snel op internet om naar de nodige achtergrondinformatie te zoeken. Voor ik het wist, had ik de betreffende studie besteld, van historica dr. Joke Mooij (1994): Denken over welvaart – Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 1849 – 1994. En als ik – gek op geschiedenis – een dergelijk boek eenmaal ga lezen, heeft het onderwerp mij te pakken, of ik wil of niet. Wat leidt tot een nieuwe Google-ronde.

Het boek van Mooij (waarvan hier een bespreking, die niet erg diep graaft) bevat een ‘Ten Geleide’ van het toenmalige KVS-bestuur, dat spreekt over het “zorgvuldig gecomponeerde boek (…..) definitief (wordt) afgerekend met de onduidelijkheden die in het verleden zijn ontstaan over de precieze geboortedatum”. Het bestuur noemt het onderzoek van Mooij ‘scrupuleus’ – wat een ouderwets woord is voor consciëntieus – maar dat valt nogal tegen zoals ik straks laat zien. Het trekt quasi-bescheiden de conclusie dat “naar alle waarschijnlijkheid” de KVS de oudste vereniging is op het gebied van de staathuishoudkunde. In ieder geval – zo schrijft het bestuur – ouder dan The American Economic Association en de Britse Royal Economic Society, die in respectievelijk 1885 resp. 1890 zijn opgericht. Ook ouder dan haar Duitse zustervereniging (1872), maar dat laatste is niet zo vreemd omdat het Duitse Rijk pas ontstaat in 1870.

Waarom dit aanvullende onderzoek, in opdracht van de KVS, als 1862 voldoende lang geleden is om jezelf de oudste economenvereniging ter wereld te noemen? Wat heeft Mooij precies onderzocht en is het juist om voortaan 1849 als ‘oprichtingsjaar’ te hanteren? De eerste vraag is voer voor psychologen, en uitermate geschikt voor borrelpraat. Het antwoord op de tweede vraag zie ik een tikkeltje anders dan Mooij en de KVS.

Van stoot naar statuten

Aan het boek “ligt ten grondslag de wens van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde om meer te weten over haar ontstaansgeschiedenis. Binnen haar gelederen heerste onduidelijkheid over het geboortejaar van de vereniging”. Aldus Joke Mooij in haar Inleiding (p. 13). Daar heb je toch geen heel boek voor nodig, was mijn eerste reactie. Wanneer je wilt weten wanneer een vereniging is ontstaan, ga je op zoek naar de eerste statuten en bestuursleden. Mooij constateert dat deze uit 1862 stammen (p. 63-64 en bijlage 2). Ze schrijft dat in 1857 tot oprichting wordt besloten en de eerste leden worden geaccepteerd (bijlagen 1 en 3). Maar gaat zij nog verder terug, tot 1849, toen de jurist J. de Bosch Kemper het eerste Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje uitgaf “en daarmee de stoot gaf tot het ontstaan van de vereniging” (p. 26). Vervolgens beperkt zij zich tot een beschrijving van de diverse activiteiten van De Bosch Kemper, maar we lezen niets over de oprichting van een vereniging voor staathuishoudkunde, of zijn voorbereidingen in die richting.

Verderop (p. 46) wordt duidelijk dat de eerste uitgave anoniem verscheen, De Bosch Kemper de enige auteur was, en bovendien alle kosten voor zijn rekening nam. Daarom zocht hij medeauteurs (en financiering) die op 1 november 1849 voor het eerst bijeenkwamen, en werden aangeduid als “Heeren medearbeiders in het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje”. Het is Mooij die deze groep medeauteurs – die in de loop der jaren steeds groter wordt – aanduidt als de Kring van Medearbeiders maar we lezen nergens dat die Kring ook echt officieel heeft bestaan. Hij wordt ook in het geheel niet genoemd in de twee dissertaties die (deels) de staathuishoudkunde in de 19e eeuw als onderwerp hebben (zie de bijlage).

Het lijkt mij daarom nogal raar om voor de periode 1849-1876 De Bosch Kemper als voorzitter, en zijn rechterhand Witkamp als ‘amanuensis’ te bestempelen (bijlage 9), terwijl als oprichtingsdatum 1 juli 1862 staat vastgelegd (bijlage 2).

Van statistiek naar staathuishoudkunde

Zelfs 1862 mag je eigenlijk niet als het geboortejaar van de KVS beschouwen. Want het betreft hier de oprichting van de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland. Het lidmaatschap stond open voor iedereen met belangstelling voor statistiek. “Behalve statistici, staathuishoudkundigen, ambtenaren, juristen en artsen, telde de vereniging ook politici, bankiers en industriëlen onder haar leden”, aldus Mooij (p. 66). De voordrachten en ongedrukte preadviezen die op de jaarlijkse vergadering werden behandeld, bevatten dan ook een brede waaier aan onderwerpen (bijlage 6 en 7).

Pas in 1892 vond het pleidooi van de vereniging voor een statistisch bureau op nationaal niveau definitief gehoor vindt bij de Rijksoverheid, in de vorm van de officiële installatie van de Centrale Commissie voor de Statistiek, wat uiteindelijk in 1899 leidt tot het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). Er gingen toen stemmen op om de vereniging te liquideren, omdat het belangrijkste doel immers was bereikt – wat misschien de reden is dat het ledental vanaf 1890 flink daalde. Maar het bestuur kiest voor een uitbreiding van het werkterrein, door een omzetting in de Vereeniging voor Staathuishoudkunde en Statistiek. Vanaf 1893 werden de eerste preadviezen gedrukt, die overwegend economische thema’s behandelden (bijlage 8). In 1950 veranderde de naam in Vereniging voor de Staathuishoudkunde, nadat in 1945 een Vereniging voor de Statistiek was opgericht.

Is het niet logischer, en dus verstandiger, dat de KVS uitgaat van de eerste keer dat de vereniging ‘staathuishoudkunde’ in haar naam heeft staan, dus van 1892? Dan had zij dit jaar (wederom) het 125-jarig bestaan kunnen vieren!

Niet erg?

Dit korte historische overzicht laat zien dat het toenmalige KVS-bestuur ten onrechte de vergelijking maakte met verenigingen voor staathuishoudkunde, zoals The American Economic Association (1885) en de Britse Royal Economic Society (1890)’, en niet met statistische verenigingen. In dit opzicht liep Nederland juist achter, want dergelijke verenigingen waren er in het buitenland veel eerder, zoals de Royal Statistical Society (UK) vanaf 1833 en de American Statistical Association vanaf 1841. Het doet ook geen recht aan de talloze niet-economen die zich in de Vereeniging voor de Statistiek hebben bezig gehouden met statistisch onderzoek naar armoede, ziekten en (het ontbreken van) medische zorg.

Het gaat bovendien wel erg ver om te spreken over de oprichting van een (statistische) vereniging als de schrijver van het eerste Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje, De Bosch Kemper, in 1849 een oproep deed om mee te schrijven aan de volgende uitgave. Weliswaar kende deze groep – door Mooij aangeduid als Kring – een vaste kern die zich gestaag uitbreidde, maar daarmee kunnen we nog niet spreken van een officiële vereniging. Laat staan van een beroepsvereniging, want volgens juristen is dat “een vereniging uitsluitend gevormd voor de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van haar leden”, en zelfs nu gaat de KVS nog niet zo ver.

Je kunt dit allemaal niet zo ernstig en belangrijk vinden. Maar deze vorm van geschiedvervalsing tekent de borstklopperij die Nederlandse economen al te vaak vertonen. Het heeft ook iets hypocriets om te pochen met je eigen geschiedenis, terwijl historische analyses sinds de Methodenstreit nagenoeg uit de economische wetenschap zijn verdwenen en de geschiedenis van het economisch denken nauwelijks nog aandacht krijgt in de economieopleiding. Het je toe-eigenen van de geboorterechten van een ‘Vereeniging voor de Statistiek’, waarin zeer uiteenlopende disciplines en invalshoeken waren vertegenwoordigd, maakt feiten ondergeschikt aan het eigenbelang. Was dat niet een doodzonde voor wetenschappers?

Historici zouden zich overigens niet moeten lenen voor het legitimeren van eigendunk. En zij moeten beter luisteren naar John Lukacs, die als de belangrijkste opdracht van de historicus ziet: “Het streven naar waarheid door het uitbannen van onwaarheid”. Ook de bijlage laat zien dat sommige historici het niet zo nauw nemen met de benodigde feiten.

Economie voor leken

Je zou verwachten dat er nog steeds regelmatig boekjes verschijnen waarin economen aan gewone mensen uitleggen welke belangrijke inzichten op het conto van hun beroepsgroep geschreven kunnen worden. Dat valt echter nogal tegen: is Arnold Heertje de laatste hoogleraar economie die voor een breed publiek wil schrijven?

Maar wat te denken van de Canon van de Economie die in 2016 is gepresenteerd op het eeuwfeest van ESB, het lijfblad van de Nederlandse economen? Daarin schrijven 68 hoogleraren over 250 inzichten die de economische wetenschap de wereld te bieden heeft. “Na afloop voelt de lezer zich thuis in het economische denken”, aldus de toenmalige ESB-hoofdredacteur Sandra Phlippen. Aanvankelijk was het boek alleen voor ESB-abonnees beschikbaar, en niet in de boekhandel of op internet te koop; inmiddels wel, namelijk hier. Het is dus vooral peptalk voor eigen parochie, wellicht om de Nederlandse economen weer de vertrouwde zelfgenoegzaamheid terug te geven die ze sinds de financiële crisis behoorlijk waren kwijtgeraakt. Misschien wilde ESB het boek voor de eigen clan reserveren om kritiek uit de andere sociale wetenschappen te vermijden. Eerder op mijn blog liet ik al eens zien dat Canon 16, over de economie van personeel en organisatie, volledig voorbijgaat aan wat sociologen en psychologen veel vroeger op dit terrein hebben onderzocht.

Fantastische reclame”

Als economen het zelf niet doen, grijpen anderen de kans om boekjes te schrijven over economie en economische wetenschap. Zoals filosoof Bas Haring met zijn Waarom cola duurder is dan melk (2016). In zijn boekbespreking in ESB toont hoogleraar Eric van Damme zich zeer verheugd over dit nogal naïeve boek. Zijn conclusie is dat “Bas Haring fantastische reclame voor ons vakgebied maakt. De boodschap is dat Economie belangrijk, begrijpelijk, verrassend en grappig is; economen zijn geen prutsers die zomaar wat aanrommelen, zij bestuderen complexe materie”. Natuurlijk heeft hij ook kritiek op Haring. Zo heeft deze te weinig oog heeft voor ‘marktfalen’, het vakgebied van Van Damme. Hij sluit af met de standaardmethode om iemand op zijn plaats te zetten: “Van een beginner kan niet verwacht worden dat hij het hele gebied begrijpt en toegankelijk maakt.”

Ondertussen vraagt Van Damme zich wel af “waarom geen econoom eerder zo’n boek geschreven heeft en waarom, als de dingen zo eenvoudig zijn, de populaire media deze zo ingewikkeld maken.” Hij geeft echter geen antwoord op deze vraag, en is blijkbaar de Canon van de Economie helemaal vergeten. Misschien omdat daaruit blijkt dat economen niet uitblinken in het kritisch reflecteren op het vakgebied, en in het vruchtbaar versimpelen van theoretische hoogstandjes.

Krijgt ons land de economen die het verdient, niet die het nodig heeft?

S. de Beter

Bijlage: staathuishoudkunde in de 19e eeuw en perverse prikkels anno nu

Misschien was het boek van Mooij een uitzondering, wellicht omdat haar onderzoek in opdracht van de KVS is uitgevoerd. Daarom heb ik – als een soort second opinion – ook gekeken naar het proefschrift van T.J. Boschloo (1989), De productiemaatschappij – Liberalisme, economische wetenschap en het vraagstuk der armoede in Nederland 1800-1875. Dit stemde mij nog minder vrolijk.

Boschloo begint zijn dissertatie met een boude bewering: “Economie werd omstreeks 1800 een zelfstandige wetenschap.” Maar daarna vraagt de auteur zich nergens af wanneer we eigenlijk kunnen spreken van ‘een zelfstandige wetenschap’. Moet er daarvoor sprake zijn van een aparte economische faculteit, een formele opleiding? Blijkbaar niet, want pas in 1913 gaat de Nederlandsche Handels-Hoogeschool (NHH), de voorloper van de huidige Erasmus Universiteit Rotterdam, van start. Vóór die tijd werd staathuishoudkunde uitsluitend gedoceerd aan juridische faculteiten; een uitzondering is de jurist Baltus Pekelharing, die het vak gaf aan de Polytechnische School in Delft, de huidige TU Delft). Alle rechtenstudenten dienden één of meer tentamens staathuishoudkunde te doen, maar de historische literatuur geeft nauwelijks informatie over wat er op die colleges werd behandeld. Bovendien, waarom zou het verplicht afleggen van tentamens een indicator zijn voor de volwassenheid van het betreffende vakgebied? 

Staathuishoudkunde werd vooral als belangrijk gezien voor studenten die Staatswetenschappen als afstudeerrichting kozen. “Er werd echter weinig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Nog in 1920 studeerden aan de Nederlandse universiteiten in totaal slechts 33 studenten af in de staatswetenschappen.” Aldus Gerrit Gorter (2013, p. 63), die een heel wat beter proefschrift schreef (over de geschiedenis van het economieonderwijs op de middelbare school). Boschloo daarentegen beweert dat binnen de juridische faculteit de staathuishoudkunde de kans kreeg uit te groeien tot een zelfstandige, invloedrijke wetenschap, die aan alle universiteiten werd beoefend en waarmee iedere juridische student in aanraking kwam; maar hij onderbouwt die bewering nauwelijks.

Een andere steek die Boschloo laat vallen, is zijn bewering dat de vroege en systematische invoering van de staathuishoudkunde op Nederlandse universiteiten een uitzondering is in Europa, vooral omdat hier de burgerij de toon aangaf (p. 199 en 251). Maar als je vervolgens naar bewijsmateriaal gaat zoeken, blijkt dat Boschloo de ontwikkelingen in het buitenland helemaal niet heeft onderzocht (zie zijn literatuurlijst) en zijn stelling uitsluitend baseert zijn op een bezoek aan een buitenlands congres.

Moeten we de lat een stuk lager leggen en kijken naar de eerste hoogleraar? Volgens Boschloo was dat H.W. Tydeman, want die gebruikte als eerste de term ‘staathuishoudkunde’ voor zijn colleges, in 1817/18 (p. 259). Maar nergens in zijn boek lezen we wat er dan precies op die colleges werd behandeld. Overigens gaat het in de 19e eeuw vrijwel om een combinatie met andere vakken. Zo nam De Bosch Kemper in 1862 ontslag als hoogleraar staatswetenschappen “omdat hij het niet aanvaardbaar vond om negen juridische vakken te doceren” (Mooij 1994, p. 29). De meest voorkomende combinatie was met landhuishoudkunde en met statistiek. Bij staat- en land huishoudkunde in de 19e eeuw moet je – naast discussies over de rol van de staat – blijkbaar toch vooral denken aan toegepaste statistiek: het in kaart brengen van verschijnselen die voor de staatshuishouding (vooral overheidsfinanciën en bankwezen) en voor de landbouw belangrijk waren overigens een statistiek die toen eerder kwalitatief dan kwantitatief was. Dat ESB staat voor Economisch-Statistische Berichten, verwijst nog steeds naar deze combinatie van (algemene) economie en statistiek. Zelfs in De Economist trof je in die dagen geen theoretische economische beschouwingen aan, zo noteerde de Amsterdamse hoogleraar Pieter Hennipman in een terugblik (Mooij, p. 45 en 259). Wat niet zo verwonderlijk is, want De Economist had in de beginjaren als onderschrift: “Tijdschrift voor alle standen, tot bevordering van volkswelvaart, door verspreiding van eenvoudige beginselen van staathuishoudkunde”. Ook werd het bijblad omrand met uitspraken als: “Vrijheid van Arbeid, Tijd is geld; Statistiek, Ken U zelven; Onderwijs, Kennis is Macht; Economie, Leert de Wetten van ons Gezin”. Pas na de dood van De Bruyn Kops in 1887 ging De Economist een meer wetenschappelijk tijdschrift worden, aldus T. J. Kastelein in zijn bespreking van Academic Economics van de Amerikaanse Irene Hasenberg Butter.

Volgens Boschloo heeft zij in haar boek een hoofdstuk aan de structuur van het hoger onderwijs in Nederland gewijd “waarvan men zou wensen dat het alsnog uit haar boek verwijderd kon worden, zoveel onjuistheden doet zij daar het licht zien” (p. 13). Aangezien hij deze ‘onjuistheden’ niet bepaald overvloedig onderbouwt, is het niet zo vreemd dat we zijn wens bij Kastelein en Gorter helemaal niet tegenkomen.

Laat ik afsluiten met een derde indicator om te spreken over economie of staathuishoudkunde als ‘een zelfstandige wetenschap’: de tijdschriften op dit vakgebied. Wat opvalt is dat het vrijwel uitsluitend om persoonlijke initiatieven en zelfs om een soort eenmansbedrijfjes gaat. Het Magazijn voor het armen-wezen in het Koninkrijk der Nederlanden (1817-1822) was van H.W. Tydeman, voor Boschloo de eerste hoogleraar staathuishoudkunde. Een ander tijdschrift is het Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek (1841-1875) dat volgens Van der Bie (2010) vrijwel volledig werd volgeschreven door baron Sloet tot Oldhuis (p. 21). Hetzelfde lijkt van toepassing op de beginjaren van het tijdschrift De Economist, in 1852 opgericht door Jacob de Bruyn Kops, dat Mooij ten onrechte omschrijft als “sinds 1989 het officiële orgaan van de vereniging” (p.45).

Het is niet zo erg dat onderzoekers als Mooij en Boschloo fouten maken, aangezien ze schrijven over een vakgebied dat ze klaarblijkelijk niet van haver tot gort kennen. Veel erger is dat deze fouten er niet uitgehaald worden door degenen die verantwoordelijk zijn voor de goedkeuring (zeker bij een dissertatie) of voor de publicatie. Is dit een kwaal van deze tijd – met de nadruk op eigen toppublicaties – dat veel academici niet meer de moeite nemen om kritisch naar andermans geschriften te kijken? Wellicht is er zelfs sprake van een perverse prikkel: als je wordt beloond naar het aantal publicaties die onder jouw supervisie tot stand zijn gekomen, ben je eerder geneigd om veel door de vingers te zien, of helemaal niet te kijken.

NASCHRIFT: een conceptversie van dit essay is onder meer gestuurd naar Joke Mooij en naar Job Swank, secretaris van het KVS-bestuur; beiden hebben niet gereageerd op mijn verzoek commentaar te leveren.

Een samenvatting van dit artikel vindt u in de volgende blogpost.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten