Nobelprijs voor economen heeft overwegend negatieve meerwaarde

Heeft de economische keizer geen kleren aan? (2b)

Een belangrijke prijs kan ervoor zorgen dat baanbrekende theorieën of modellen sneller bekendheid krijgen onder vakgenoten – en bij andere belanghebbenden zoals geldschieters en beleidsmakers. Naast deze signaleringsfunctie kan zo’n ereprijs ook zorgen voor legitimering van omstreden theorieën. Kijken we naar de economen en hun wetenschappelijke prestaties die tot dusver de Nobelprijs hebben gekregen, dan lijkt de legitimeringsfunctie het meest dominant, zo liet ik in de vorige aflevering zien.

Het tweede gedeelte van dit dubbel-essay gaat over een vraag die opvallend weinig aandacht krijgt in het onderzoek naar de Nobelprijs voor Economie: wat zijn eigenlijk de gevolgen van zo’n prijs? Om te beginnen voor het economengilde. Gaan economen zich anders gedragen, ex ante en ex post? Bij het ex ante gedrag gaat het erom welke inspanningen zij zich getroosten om meer kans te maken op deze hoofdprijs. Het ex post perspectief betreft de vraag: wat doen Nobelprijswinnaars naderhand?

In zijn dankwoord noemt Friedrich Hayek twee nadelen van de Nobelprijs die hem in 1974 wordt toegekend. Een prijs die hij eigenlijk overbodig en zelfs schadelijk vindt; blijkbaar voor hem echter geen reden deze te weigeren. Bij beide bezwaren heeft Hayek het bij het rechte eind, maar op een iets andere manier dan hij toen suggereerde.

Allereerst vreest hij dat deze prijs vooral gaat naar economen die in de mode zijn. Deze vrees is nu weggenomen, zo zegt hij, want de selectiecommissie heeft zich niet laten weerhouden door zijn gebrek aan populariteit. Dat andere wetenschappers hem inderdaad steeds minder serieus zijn gaan nemen, blijkt uit de ontwikkeling van zijn citatiecurve: het aantal keren dat in vakbladen naar zijn publicaties wordt verwezen (zie figuur 3). Deze begint bij hem omstreeks 1955 weer te dalen. Want hij is in die periode duidelijk de grote verliezer in het debat met Keynes en diens volgelingen, zoals uitgebreid wordt beschreven in het boek van Nicholas Wapshot (2011), Keynes Hayek: The Clash That Defined Modern Economics, en in het nog betere boek van Angus Burgan (2012), The Great Persuasion.

Hayek voorzag niet een omgekeerd causaal verband: de Nobelprijs kan er ook toe leiden dat een econoom (weer) populair wordt. Zoals dat bij hem het geval is: vanaf 1975 vertoont zijn citatiecurve weer een sterk stijgende lijn.

Figuur 3: Citatie-curve van Friedrich Hayek (bron: Bjork et al. 2014; 192)

 

Als tweede nadeel ziet Hayek dat een Nobelprijswinnaar ten onrechte op een voetstuk wordt geplaatst. Bij dit laatste ziet hij voor de bètawetenschappers geen probleem, omdat iedere prijswinnaar door zijn collega’s zal worden teruggefloten zodra deze buiten zijn eigen vakgebied treedt. Bij economen ligt dat anders want zij hebben vooral invloed op politici, journalisten, ambtenaren en andere leken. En sommigen – evenals andere sociale wetenschappers, om maar te zwijgen van filosofen – hebben de neiging om overal hun mening te geven, zeker als ze na het toekennen van een belangrijke prijs door het publiek op handen worden gedragen. Is zijn bezwaar terecht?

Micro-economen maken graag een onderscheid tussen ex ante en ex post. Het eerste bezwaar van Hayek verwijst indirect naar een ex ante probleem: gaan economen zich anders gedragen om eerder in aanmerking te komen voor de Nobelprijs? Zijn tweede opmerking gaat over het gedrag dat economen gaan vertonen na de toekenning van deze hoofdprijs. De hamvraag is in hoeverre – direct of indirect, ex ante of ex post – de Nobelprijs voor de Economie perverse prikkels genereert, dus leidt tot het omgekeerde van wat wordt beoogd.

Op weg naar de hoofdprijs

Bob Dylan, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur 2016, zou het onzinnig vinden om na te denken over de beste strategie om een Nobelprijs in de wacht te slepen. In zijn toespraak zegt hij: “like Shakespeare, I too am often occupied with the pursuit of my creative endeavors and dealing with all aspects of life’s mundane matters. “Who are the best musicians for these songs?” “Am I recording in the right studio?” “Is this song in the right key?” Some things never change, even in 400 years. Not once have I ever had the time to ask myself, “Are my songs literature?”. Laat staan dat hij bezig was met de vraag of zijn songs ooit een Nobelprijs zouden opleveren.

Ligt dit voor economen anders? Je zou het wel gaan denken als je leest hoe de dochter van een Nobelprijswinnaar reageerde: Thank God he finally won the Nobel Prize. He complains bitterly every year he doesn’t win it and finally we won’t have to have that conversation at the dinner table”. Terwijl haar vader doodleuk verklaarde dat hij hogelijk verbaasd was toen hem het heuglijke nieuws bereikte. Althans, volgens Steve Levitt in een podcast op Freakonomics.

Hoe dan ook, als een econoom volgens zijn eigen uitgangspunten zou leven, moet hij zich eigenlijk voortdurend de vraag stellen welke inspanningen optimaal zijn om de kansen op een Nobelprijs te vergroten. Want volgens de dominante stroming, de neoklassieke economie, proberen mensen een maximaal nut met minimale inspanningen te bereiken. Zou dat ook voor de economen zelf gelden?

Er is een tijd van zaaien ……

Om te kunnen ‘investeren’ in zoiets als een Nobelprijs moet aan minimaal twee voorwaarden zijn voldaan: voldoende tijd om te zaaien (‘zaaiperiode’) en een duidelijke relatie tussen aard en hoogte van het zaaien en de eerste oogst in de vorm van deze ereprijs.

De eerste voorwaarde is voor economen geen probleem want – zoals vermeld in de vorige aflevering – die krijgen de Nobelprijs op late leeftijd: het gemiddelde ligt 67 jaar. Een nog betere maatstaf is het aantal jaren tussen het voltooien van het proefschrift en het binnenhalen van de Nobelprijs, wat je de zaaiperiode zou kunnen noemen. Deze ligt gemiddeld op 40 jaar, zo heb ik berekend. Zelfs de economen die deze hoofdprijs op relatief jonge leeftijd hebben gekregen – zoals Kenneth Arrow (51) en John Lucas (58) – hadden 21 jaren de tijd voor hun investeringen. Heel wat meer dan de jongste Nobelprijswinnaars bij fysica.

Ook de tweede voorwaarde is gemakkelijk vast te stellen, want tegenwoordig draait alles om de citatie-index. Anders gezegd: er komt niet veel van je wetenschappelijke carriere terecht als je weinig publiceert in wetenschappelijke tijdschriften met een hoge impactfactor – journals die artikelen bevatten die relatief veel worden geciteerd door collega-onderzoekers. Figuur 4 (is figuur 2 in de vorige aflevering) laat zien dat gemiddeld genomen economen de Nobelprijs krijgen als ze nagenoeg op het hoogste punt van hun citatiecurve zijn aangeland. Economen die de Nobelprijs op hun verlanglijstje hebben staan, weten dus wat ze moeten doen.

Figuur 4: Gemiddelde citatie-curve van 57 Nobelprijswinnaars voor Economie (bron: Bjork et al. 2014; 193)

 

Is dat nou echt een groot probleem, zult u wellicht tegenwerpen. Op zich misschien niet, maar de Nobelprijs levert wel een belangrijke bijdrage aan de vicieuze cirkel die de huidige wetenschap in haar greep heeft: je bent een toponderzoeker omdat jouw publicaties veel geciteerd worden en dat geeft jou de gelegenheid om nog meer te publiceren. Henk Wesseling omschrijft het iets anders in de Volkskrant van 12 april 2014 naar aanleiding van de vermeende zelfplagiaat van Peter Nijkamp. Dat deze zonder bronvermelding iets van zichzelf heeft overgeschreven ziet hij niet als een probleem, maar dat Nijkamp “zijn prestige dankt aan het feit dat hij zoveel stukjes schrijft. En dat die stukjes geciteerd worden. En dat zo’n lijst met veel stukjes leidt tot prestige en prestige leidt tot nieuw geld, tot aanzien binnen de faculteit”. Maar dat is eigenlijk het onderwerp van een ander essay dat ik in de pijplijn heb.

En er is een tijd van oogsten

Ik wil het hier alleen hebben over de ‘oogstperiode’, en over wat er precies wordt geoogst, afgezien van de prijs zelf. Over het eerste kan ik kort zijn: doordat de meeste economen behoorlijk oud zijn als ze deze hoofdprijs ontvangen, hebben ze niet zoveel tijd om te oogsten alvorens hun leven ten einde is. De subgroep ‘overleden Nobelprijswinnaars’ kreeg gemiddeld de prijs op 71-jarige leeftijd om met 86 jaar te overlijden (dus een gemiddelde oogstperiode van 15 jaar). Variërend van Leonid Kantorovich (Nobelprijs in 1975) die op 74-jarige leeftijd overleed tot Ronald Coase (1991) die 103 werd.

Wat wordt er dan eigenlijk geoogst na de toekenning van de Nobelprijs? Opmerkelijk is dat de prize citation premium’ (de opleving in de citatiecurve doordat veel economen graag naar een Nobelprijswinnaar willen verwijzen) niet zo heel erg lang duurt, en dat de citatiecurve daarna gestaag daalt (zie de figuur hierboven). Dit impliceert dat de oogst op wetenschappelijk gebied niet bijsstergroot is. Dat kan verschillende redenen hebben: de bijdrage van de Nobelprijswinnaar wordt (mede door de Nobelprijs) inmiddels als ‘geaccepteerd’ beschouwd, zodat expliciete verwijzing niet meer nodig is; of zij wordt vrij snel na de toekenning overvleugeld door concurrerende theorieën of modellen. In ieder geval zijn de economische prijswinnaars op wetenschappelijk gebied niet erg productief meer, wat niet zo vreemd is gezien de hoge leeftijd waarop deze prijs wordt toegekend. Zodat de vraag rijst waar ze het prijzengeld (9 miljoen Zweedse kronen) eigenlijk aan besteden – afgezien van een extra financiële oudedagsvoorziening, die ze natuurlijk helemaal niet nodig hebben.

Uitgaan van deze gemiddelden is overigens misleidend, wat bij statistische gemiddelden wel vaker het geval is. Sommige Nobelprijswinnaars – de meest bekende zijn Kenneth Arrow en Milton Friedman – blijven populair, afgaande op de mate waarin vakgenoten naar hun publicaties verwijzen. Een heel andere uitzondering is Amartya Sen, de enige economische Nobelprijswinnaar die niet in Europa, Noord-Amerika of Israel is geboren. Hij kreeg de prijs (in 1998) toen hij onder vakgenoten nog vrij onbekend was. Daarna begon zijn ster onder economen snel te rijzen. Het meest uitzonderlijke geval is Hayek: was zijn citatiecurve na 1955 alweer aan het dalen, na 1975 – toen hij de prijs niet meer verwachtte – begon deze aan een soort tweede jeugd, zoals figuur 3 laat zien.

De politieke oogst

Ook buiten het vakgebied mag Hayek zich daarna in een groeiende belangstelling verheugen. Vooral Margaret Thatcher was erg gecharmeerd van zijn ideeën en zou – evenals Ronald Reagan – deze in de jaren ’80 ook in de praktijk brengen, door allerlei vormen van overheidsbemoeienis af te schaffen of in te perken. En daarmee komen we bij de tweede categorie die we bij de ‘oogst’ van een Nobelprijswinnaar kunnen onderscheiden: politici of opiniemakers die graag willen laten weten dat hun voorstellen afkomstig zijn van of gesteund worden door een of andere Nobelprijswinnaar voor Economie. Zoals Keynesianen Krugman of Stiglitz erbij halen om hun pleidooi voor een expansieve bestedingspolitiek te onderstrepen, zo verwijzen neoliberalen bij voorkeur naar Friedman en Hayek.

Sommige prijswinnaars worden tegen wil en dank voor een politiek karretje gespannen, zoals Ronald Coase die grotendeels ten onrechte bij de vrije markt ideologen is ingedeeld. Anderen, zoals Friedman en Hayek, hebben er nooit een geheim van gemaakt dat zij naast hun wetenschappelijke werk tevens een neoliberale politiek wilden ontwerpen en helpen realiseren. En zij hadden er geen problemen mee om hun wetenschappelijke reputatie (zoals de Nobelprijs) daarvoor in te zetten.

Beide neoliberale economen zijn al op jonge leeftijd bezig om wetenschap en politieke filosofie met elkaar te combineren. The Great Persuasion biedt een mooi gedocumenteerd verslag van hoe Hayek vanaf 1937 druk bezig is om wetenschappers samen te brengen die zich te weer willen stellen tegen de economische en politieke rampspoed die in hun ogen aan het opkomende communisme en fascisme zijn verbonden. Een van deze neoliberalen, de Franse filosoof Louis Rogier, wil de westerse wereld bevrijden uit “a destructive cycle in which democrats believed their last defense to be socialism, and capitalists believed their only recourse to be fascism” (Burgin 2012: 71). Deze revival van het liberale gedachtegoed – die aanvankelijk een progressief karakter heeft – leidt in 1947 tot de oprichting van de Mont Pelerin Society, met Hayek als drijvende kracht. Later is het vooral Friedman die deze intellectuele club van neoliberalen domineert, en worden hun ideeën even dogmatisch als het marxisme en fascisme die zij willen bestrijden. Zelfs op de sociaaldemocratie richt zij haar pijlen omdat deze sluipenderwijs het monster van de almachtige staat zou baren. Offer en Söderberg (2016) betogen in hun boek The Nobel Factor dat de toekenning van de economische Nobelprijs onderdeel is van de neoliberale strijd tegen de sociaaldemocratie. Lees dit boek en oordeel zelf of zij dit overtuigend aantonen.

Wat in hun boek vreemd genoeg weinig aandacht krijgt is de trendbreuk die zich vanaf de jaren ‘90 lijkt af te tekenen. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, viert het Neoliberalisme zijn triomfen, niet alleen in de politiek maar ook in de economische wetenschap – zoals de gestegen citatiecurve van Hayek al laat zien. Voor het eerst wordt deze prijs toegekend aan economen die de werking van de financiële markten hebben onderzocht en allerlei beleggingsmodellen hebben ontworpen. Het is opvallend dat deze Nobelprijswinnaars nogal afwijken van het standaardpatroon: ze zijn relatief jong en hebben niet eerder een belangrijke prijs gekregen, zoals de Clark medal voor economen onder de veertig of een Guggenheim fellowship. .

Do as I say, not as I do

Twee van hen zijn Robert Merton en Myron Scholes, die in 1997 de Nobelprijs voor de Economie krijgen voor het ontwikkelen van een nieuwe methode om de waarde van derivaten te bepalen. Beide heren hebben dan al de nodige dollars verdiend met hun methode, door hun intensieve betrokkenheid bij het hedge fund Long-Term Capital Management (LTCM) dat in 1994 wordt opgericht. Blijkbaar is hun methode niet onder alle omstandigheden de kip met de gouden eieren, want na een explosieve groei gaat LTCM in 1998 failliet.

In 1999 richt Scholes alweer een nieuw hedge fonds op. Twijfel over de methode wordt weggewuifd. Dat het misging met LTCM, kwam louter en alleen door de unieke en onvoorspelbare Russische crisis in 1998. Bovendien, ze hebben voor hun methode toch de Nobelprijs gekregen! In november 2008 gaat ook dit bedrijf failliet. Hetzelfde geldt twee maanden later voor het bedrijf waar Merton de wetenschappelijke directeur is.

Zijn de leden van de selectiecommissie nu echt zo wereldvreemd dat ze niet op de hoogte waren van de commerciele activiteiten van beide kandidaten, en dat ze niet voorzagen welke invloed de toekenning van de Nobelprijs daarop zou hebben?

En wat te denken van Harry Markovitz die in 1990 de Nobelprijs voor zijn Moderne Portfoliotheorie kreeg. Toen hem werd gevraagd of hij zijn – zeer geavanceerde – model ook had toegepast bij zijn eigen beleggingen, moest hij bekennen dat hij simpelweg de ene helft van zijn vermogen in aandelen, de andere in obligaties had belegd. Hij is zeker niet de enige beleggingseconoom die in zijn persoonlijke leven heel andere keuzes maakt dan hij op grond van zijn eigen theorie zou aanbevelen. Wie gaat eens uitrekenen hoeveel mensen schade hebben geleden direct of indirect door blind te varen op een of andere winnaar van de Nobelprijs of van een andere toonaangevende prijs of ranking.

Beter dood dan levend

Ik kan niet tot een andere conclusie komen: de toekenning van de Nobelprijs voor Economie heeft tot dusver overwegend een negatieve meerwaarde opgeleverd. De prijs en het daaraan verbonden geldbedrag geven geen impuls aan nieuw economisch onderzoek. De reputatie die het oplevert kan eigenlijk alleen buiten de wetenschap resultaten afwerpen, in het maatschappelijk debat of bij commerciële activiteiten. Een vergelijkbare oogst kunnen we verwachten als een Nobelprijs ook aan andere sociale wetenschappers wordt uitgedeeld, zoals Joris Luyendijk voorstaat.

Aanvankelijk stelde ik voor de Nobelprijs alleen te reserveren voor de bètawetenschappen, gelijk Alfred Nobel voor ogen stond. De economische Nobelprijs helemaal afschaffen, is waarschijnlijk een brug te ver voor de economengilde en de Zweedse Centrale Bank. Is niet een een mooie tussenoplossing om deze prijs uitsluitend te reserveren voor dode economen die de economische wetenschap – of in ieder geval het economendebat – een stuk vooruit hebben geholpen? Een extra voordeel is dat het bijbehorende geldbedrag in een fonds gestopt kan worden om innovatief economisch en ander sociaalwetenschappelijk onderzoek te financieren, gericht op “de grootste bijdrage aan het menselijk geluk” zoals Alfred Nobel het formuleerde in zijn testament. Ik stel voor om met deze nieuwe formule van start te gaan in 2018 , als deze prijs voor de 50e keer wordt uitgereikt. Keynes komt dan als eerste in aanmerking, samen met Kalecki die eigenlijk nog eerder met een oplossing voor de Grote Depressie kwam. Wie verdienen nog meer deze ereprijs?

S. de Beter

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten