Selectie van economische Nobelprijswinnaars kent pregnante patronen

Heeft de economische keizer geen kleren aan? (2a)

De Nobelprijs, ingesteld door Alfred Nobel, de uitvinder van dynamiet, is in de wetenschap het hoogste wat je kunt bereiken. Naast de Nobelprijs voor de Literatuur en de Vrede zijn er drie wetenschapsgebieden waar deze prijs vanaf 1901 jaarlijks wordt toegekend: fysica, chemie en medicijnen/fysiologie.

Op een of andere manier zijn de economen erin geslaagd dat ook zij een Nobelprijs mogen uitreiken – al moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat het geen echte Nobelprijs is. Want officieel heet zij de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie, ingesteld in 1969 bij het 300-jarig bestaan van deze centrale bank. Voormalig CPB-directeur Jan Tinbergen is samen met de Noor Ragnar Frisch de eerste econoom die deze nieuwe Nobelprijs krijgt uitgereikt.

In de praktijk echter denkt vrijwel iedereen aan een gewone Nobelprijs, en dat willen de economen graag zo houden. Ze zijn daarom erg blij dat hun prijs gelijktijdig met de echte Nobelprijzen wordt uitgereikt. En dat de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen zo vriendelijk is geweest om de hele organisatie voor haar rekening te nemen, en op die manier voor de benodigde academische status zorgt.

Of moet ik zeggen: zo onvriendelijk jegens psychologen, sociologen en andere beoefenaars van de sociale wetenschappen? Weliswaar kunnen ook deze in de prijzen vallen – denk aan politieke wetenschapper Elinor Ostrom (2009), psycholoog Daniel Kahneman (2002), en duizendpoot Herbert A. Simon (1978) – maar zij zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. En die regel is dat de prijs primair voor economen is bedoeld. Om die reden bestaat de selectiecommissie vrijwel uitsluitend uit (Zweedse) economen. Met af en toe een andere sociale wetenschapper die misschien de indruk moet wekken dat de overige gammawetenschappen niet vergeten worden.

In The Guardian van 12 oktober 2015 ziet Joris Luyendijk het niet als een probleem “dat er een Nobelprijs voor de economie is, maar dat er geen vergelijkbare prijzen zijn in de psychologie, sociologie of antropologie. Economie, zo lijkt dit te zeggen, is geen sociale wetenschap maar een exacte wetenschap, zoals fysica of scheikunde – een onderscheid dat niet alleen overmoed aanwakkert bij economen, maar ook de manier waarop we denken over de economie. Zijn oplossing om andere sociale wetenschappen dan ook maar een Nobelprijs te laten uitdelen, valt echter in de categorie ‘van kwaad tot erger’, zoals ik in dit dubbel-essay laat zien.

Twee functies

Het toekennen van een prijs kan twee functies hebben. De eerste noem ik de signaleringsfunctie. De prijs is bedoeld om doorbraken in het vakgebied vroegtijdig bekend te maken bij een bredere groep van vakgenoten, en wellicht bij het grotere publiek. Onderzoek naar de wijze waarop uitvindingen en nieuwe producten zich verspreiden – kortweg aangeduid als innovatie- of diffusie-onderzoek – laat immers zien dat deze verspreiding meestal langzaam verloopt. Ook bij nieuwe wetenschappelijke theorieën en methoden gaat de diffusie niet zonder slag of stoot, omdat er diverse obstakels zijn om het nieuwe te omarmen. Allerlei bestaande belangen kunnen in de knel komen, wat weerstand oproept. En zelfs vakgenoten zijn soms niet in staat om een nieuwe theorie of methode op haar merites te beoordelen. In zo’n situatie kan het helpen als een gerenommeerd instituut of groep van deskundigen een prijs uitreikt, ten teken dat er sprake is van iets nieuws dat voor het vakgebied de moeite waard is.

De tweede functie zou je kunnen aanduiden als de legitimeringsfunctie. De nieuwe theorie of methode is al wijd en zijd bekend– zeker onder de meeste vakgenoten – maar ze is (nog) omstreden. Een goed voorbeeld is de Efficiente Markt Hypothese (EHM). Deze ‘theorie’ – eigenlijk een vrijbrief voor event studies waarmee je zo gemakkelijk een publicatie kunt scoren – wordt al sinds het eind van de jaren ‘60 op grote schaal toegepast en kent dus geen gebrek aan belangstelling in het land der (financiële) economen. Zij stuit wel op nogal wat kritiek, met name na de financiële crisis. Dat de ‘grote man’ achter de EHM, Eugene Fama, in 2013 de Nobelprijs kreeg, kun je gerust opvatten als een poging om de EHM te legitimeren. Als doekje voor het bloeden moest hij deze ereprijs delen met Lars Peter Hansen en Robert J. Shiller; vooral de laatste heeft veel kritiek op de EHM.

“Citations are the currency”

Hoe kom je erachter welke van deze functies tot dusver dominant is geweest bij de toekenning van de Nobelprijs voor de Economie? Om te beginnen moet je een duidelijke maatstaf hebben voor de mate waarin de publicaties van een wetenschapper door zijn vakgenoten worden gelezen en gewaardeerd. Tegenwoordig is de citatie-index de meest gebruikte maatstaf in wetenschapsland. Zoals Bjork et al (2014) het formuleren: “citations are the currency of academic standing”. De citatie-index meet het aantal keren dat in vaktijdschriften naar een publicatie of haar auteur(s) wordt verwezen.

Bovendien moet je een duidelijk onderscheid kunnen maken tussen de twee functies, in conceptueel en in empirisch opzicht. Daartoe kunnen we de levenscyclustheorie benutten, die eerder in de serie ‘picking losers’ aan bod kwam.

Ik laat daar zien dat de levenscyclus van een nieuw product of bedrijfstak twee belangrijke scharnierpunten kent, sinds Malcolm Gladwell ook wel aangeduid als tipping points. Bij nieuwe wetenschappelijke theorieën en methoden zien we iets vergelijkbaar. Het eerste scharnierpunt ligt enkele jaren na publicatie: blijft de nieuwe loot aan de wetenschappelijke stam slechts in een beperkte groep bekend, of gaan andere economen op grotere schaal de betreffende auteur(s) citeren? Is dat laatste het geval dan treedt er algauw een soort olievlekwerking op, tot het tweede tipping point is bereikt: er is nog wel groei in het aantal literatuurverwijzingen maar die groei wordt steeds kleiner.

De S-curve van Samuelson

Een grafische weergave van het voorgaande vinden we in figuur 1 voor Paul Samuelson, die in 1970 de Nobelprijs in ontvangst mocht nemen en vooral bekend is van zijn leerboeken. Het linker gedeelte van figuur 1 vertoont de bekende vorm van de S-curve, het rechter gedeelte het aantal keren op jaarbasis dat hij werd geciteerd – in simpele wiskunde: de rechter helft is de eerste afgeleide van de linker. De frequentie waarmee Samuelson wordt geciteerd in wetenschappelijke tijdschriftartikelen neemt eerst langzaam toe tot hij rond 1945 ‘doorbreekt’(links onder in zowel de linker als de rechter helft). Het tweede tipping point (de top in de rechter grafiek) ligt in 1975, dus vijf jaar nadat hij de Nobelprijs kreeg. De citatie-frequentie is door Bjork c.s.. uitgedrukt in het aantal ‘Arrows’, genoemd naar Kenneth Arrow, de Nobelprijswinnaar die het hoogst scoort op de citatie-index.

 

Figuur 1: De citatie-curve van Paul Samuelson (bron: Bjork, Offer and Söderberg 2014, p. 188)

Welke functie heeft de Nobelprijs gehad als we Paul Samuelson als voorbeeld nemen? Duidelijk niet de signaleringsfunctie, want deze econoom zat in 1970 allang hoog in de citatie-boom. Was het rond 1970 nodig dat hij een keurmerk kreeg in de vorm van een Nobelprijs? Samuelson was een Keynesiaan, wat toen voor vrijwel iedere macro-econoom gold. Maar hij was ook de man die de Keynesiaanse theorie op neoklassieke leest schoeide en de comparatieve statica ontwikkelde, daarbij gebruik makend van wiskundige methoden die bij de studie van de thermodynamica werden toegepast. Zijn benadering wierp nogal wat discussie op, wat leidde tot het onderscheid tussen Neo- en Post-Keynesianen. Opmerkelijk is dat beroemde Post-Keynesianen als Joan Robinson en Nichalos Kaldor nooit in de prijzen vielen, gelijktijdig (zoals bij Fama als ‘oplossing’ werd gekozen) of in latere jaren.

Figuur 2: Gemiddelde citatie-curve van 57 Nobelprijswinnaars voor Economie (bron: Bjork et al. 2014; 193)

Figuur 2 laat zien dat Samuelson als representatief voor de gemiddelde Nobelprijswinnaar kan worden beschouwd voor de periode 1969-2005. De doorsnee winnaar krijgt deze hoofdprijs op het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke carrière, wanneer we de citatie-score als maatstaf nemen. Vergelijkbaar is ook wat Bjork c.s. de ‘prize citation premium’ noemen: na het toekennen van de hoofdprijs is er een opvallende stijging in de citatie-index. Maar daarna treedt onherroepelijk een daling op, zoals dat ook bij gewone innovaties meestal het geval is.

Twee patronen

Ik neig tot het standpunt dat tot dusver de legitimeringsfunctie de overhand heeft gehad bij de toekenning van de economische Nobelprijs. Belangrijkste richtsnoer is immers niet het eerste tipping point in de citatie-curve – zoals je bij de signaleringsfunctie kunt verwachten – maar de tweede (zie figuur 2). De Nobelprijs bevestigt dus de bestaande verhoudingen onder vakgenoten, door de bank genomen.

Dit verklaart waarom de economische Nobelprijswinnaars relatief oud zijn: gemiddeld 67 jaar. Veel ouder dan de ‘echte’ Nobelprijswinnaars: daar varieert het gemiddelde van 55 bij fysica tot 58 jaar bij medicijnen. Nog groter zijn de verschillen als we kijken naar de jongste winnaar: bij economie is dat 51 jaar (voor Kenneth Arrow), bij fysica 25 jaar, bij chemie 35 en medicijnen 32 jaar. Dit verschil doet vermoeden dat bij de echte Nobelprijzen de signaleringsfunctie een stuk belangrijker is.

Harrie van Dalen ziet een andere reden: “Binnen de natuurkunde kan men sneller vaststellen (dan bij economie, SdB) of een idee waardevol is”. Hij zou gelijk kunnen hebben als de economische Nobelprijs overwegend een signaleringsfunctie heeft, maar dat lijkt dus niet het geval.

Er is een tweede opvallend patroon bij de Nobelprijswinnaars voor Economie: de meesten hebben voorheen andere prestigieuze prijzen van Amerikaanse signatuur ontvangen, zoals de Clark medaille (voor veelbelovende economen onder de 40) en de Guggenheim fellowship. Deze laatste prijs is niet alleen weggelegd voor Amerikaanse staatsburgers. Latere Nobelprijswinnaars uit Frankrijk zoals Debreu en en Tirole waren bijvoorbeeld ook onder de uitverkorenen toen ze aan een Amerikaanse universiteit waren verbonden.

De natuurlijke voorsprong van de VS-economen

We stuiten hier op een intrigerend vraagstuk: waarom komen er relatief veel Nobelprijswinnaars voor Economie uit de VS? Zitten daar betere economen dan in Europa? Of dan in Japan, het land dat in de 21e eeuw na de VS op de tweede plaats staat in het aantal Nobelprijzen, maar geen daarvan voor Economie. Heeft de dominante positie van de Amerikaanse economen wellicht te maken met de twee kernvragen die bij de selectie lijken te worden gehanteerd: heeft de kandidaat eerder een belangrijke prijs ontvangen, en staat hij hoog genoeg in de citatie-index? Bij beide criteria hebben Amerikanen een ‘natuurlijke voorsprong’. Er zijn immers meer gerenommeerde Amerikaanse prijzen dan Europese. En bij de citatie-index geldt een speciale vorm van asymmetrie die in het voordeel van Engelstaligen werkt. Aangezien zij meestal geen tweede taal beheersen, zullen zij niet naar anderstalige publicaties verwijzen; terwijl omgekeerd anderstalige wetenschappers wel Engelstalige geschriften citeren.

Overigens zijn veel Amerikaanse Nobelprijswinnaars voor Economie niet in de VS geboren, zoals de Nederlandse Tjalling Koopmans, de Britse Ronald Coase of de Russische Wassily Leontieff (maar dat is het onderwerp voor een essay dat ik aan het eind van het jaar hoop te publiceren).

Het tweede gedeelte van dit dubbel-essay gaat over een vraag die opvallend weinig aandacht krijgt in het onderzoek naar de Nobelprijs voor Economie: wat zijn eigenlijk de gevolgen van zo’n prijs? Ik geloof niet dat dieren, organismen of moleculen zich anders gaan gedragen als iemand een nieuwe theorie over hun gedrag heeft ontwikkeld en daarvoor een Nobelprijs krijgt. Bij gammawetenschappen ligt dit echter wel wat anders. Mensen en organisaties nemen in het dagelijkse leven allerlei beslissingen waarover sociale wetenschappers theorieën en modellen hebben bedacht. Worden deze beslissingen beïnvloed door prestigieuze prijzen zoals de Nobelprijs? Gaan mensen zich anders gedragen als Nobelprijswinnaars daarover iets te melden hebben?

Een vergelijkbaar vraagstuk is de invloed van de Nobelprijs op het economengilde. Gedragen zij zich volgens het neoklassieke model? Oftewel, met minimale inspanningen het maximale resultaat realiseren, namelijk die prachtige prijs.

S. de Beter

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten