Nobelprijs voor Economen richt vooral schade aan

Heeft de economische keizer geen kleren aan? (2)

Sinds God dood is verklaard – niet alleen door Nietzsche – zijn prijzen en rankings de afgoden die ons bestaan zin moeten geven. Het leven lijkt van weinig waarde zonder tenminste ‘15 minuten roem die volgens Andy Warhol (maar eigenlijk zijn toenmalige fotograaf Nat Finkelstein) voor ieder mens is weggelegd. Om dit streefcijfer te halen worden steeds meer prijzen, wedstrijden en rankings georganiseerd. De Nobelprijs geldt nog steeds als de hoofdprijs. Ook voor economen, die op 9 oktober a.s. zich weer eens extra superieur mogen voelen aan de andere sociale wetenschappers.

Naast de Nobelprijs voor de Literatuur en de Vrede zijn er drie wetenschapsgebieden waar deze ereprijs vanaf 1901 jaarlijks wordt toegekend: fysica, chemie en medicijnen of fysiologie. Sinds 1969 mogen ook de economen een Nobelprijs uitreiken – al moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat het geen echte Nobelprijs is. Want officieel heet zij de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economie. In de praktijk echter denkt vrijwel iedereen aan een gewone Nobelprijs – en dat willen de economen graag zo houden. Daarom zijn ze erg blij dat hun prijs gelijktijdig met de echte Nobelprijzen wordt uitgereikt. En dat de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen zo vriendelijk geweest om de hele organisatie voor haar rekening te nemen, en op die manier voor de benodigde academische status te zorgen. Voormalig CPB-directeur Jan Tinbergen is samen met de Noor Ragnar Frisch de eerste econoom die deze nieuwe Nobelprijs in ontvangst krijgt uitgereikt.

In The Guardian van 12 oktober 2015 ziet Joris Luyendijk het niet als een probleem “dat er een Nobelprijs voor de economie is, maar dat er geen vergelijkbare prijzen zijn in de psychologie, sociologie of antropologie. Economie, zo lijkt dit te zeggen, is geen sociale wetenschap maar een exacte wetenschap, zoals fysica of scheikunde – een onderscheid dat niet alleen overmoed aanwakkert bij economen, maar ook de manier waarop we denken over de economie.” Zijn oplossing om andere sociale wetenschappen dan ook maar een Nobelprijs te laten uitdelen, valt echter in de categorie ‘van kwaad tot erger’.

Hayek heeft gelijk

In zijn dankwoord noemt Friedrich Hayek twee nadelen van de Nobelprijs die hem in 1974 wordt toegekend. Een prijs die hij eigenlijk overbodig en zelfs schadelijk vindt; blijkbaar voor hem echter geen reden deze te weigeren. Bij beide bezwaren heeft Hayek het bij het rechte eind, maar op een iets andere manier dan hij toen suggereerde.

Allereerst vreest hij dat deze prijs vooral gaat naar economen die in de mode zijn. Deze vrees is nu weggenomen, zo zegt hij, want de selectiecommissie heeft zich niet laten weerhouden door zijn gebrek aan populariteit. Dat andere wetenschappers hem inderdaad steeds minder serieus nemen, blijkt uit de ontwikkeling van zijn citatiecurve: het aantal keren dat in vakbladen naar zijn publicaties wordt verwezen. Deze begint bij hem omstreeks 1955 weer te dalen. Want hij is in die periode duidelijk de grote verliezer in het debat met Keynes en diens volgelingen.

Hayek heeft niet de mogelijkheid voorzien van een omgekeerd causaal verband: de Nobelprijs leidt ertoe dat een econoom (weer) populair wordt. Zoals dat bij hem het geval is: vanaf 1975 vertoont zijn citatiecurve weer een sterk stijgende lijn.

Als tweede nadeel ziet hij dat een Nobelprijswinnaar ten onrechte op een voetstuk wordt geplaatst. Bij dit laatste ziet hij voor de bètawetenschappers geen probleem, omdat iedere prijswinnaar door zijn collega’s zal worden teruggefloten zodra deze buiten zijn eigen vakgebied treedt. Bij economen ligt dat anders, want zij hebben vooral invloed op politici, journalisten, ambtenaren en andere leken. En hebben de neiging om overal hun mening te geven, zeker als ze na het toekennen van een belangrijke prijs door het publiek op handen worden gedragen. Is zijn bezwaar terecht?

De regel en de uitzonderingen

Kijken we naar het algemene patroon, dan is tot dusver bij de toekenning van de economische Nobelprijs een behoudende koers gevaren. Om te beginnen krijgen economen de Nobelprijs pas op relatief late leeftijd, het gemiddelde ligt 67 jaar. Veel hoger dan bij de ‘echte’ Nobelprijswinnaars: daar varieert het gemiddelde van 55 bij fysica tot 58 jaar bij medicijnen. Nog groter zijn de verschillen als we kijken naar de jongste winnaar: bij economie is dat 51 jaar (voor Kenneth Arrow), bij fysica 25 jaar, bij chemie 35 en medicijnen 32 jaar. Bovendien vallen de meeste Nobelprijswinnaars voor Economie pas in de prijzen als ze al vrij hoog in de citatiecurve zitten – Hayek is duidelijk een uitzondering. Ten derde heeft de meerderheid voorheen al belangrijke prijzen in de wacht gesleept, zoals de Clark medaille (voor veelbelovende Amerikaanse economen onder de 40) en de Guggenheim fellowship. Zoals Hayek al vermoedde: bij de selectie van de kandidaten voor de Nobelprijs wordt overwegend gelet op de populariteit bij vakgenoten, in de vorm van citatenfrequentie en eerdere prijzen.

Er zijn echter uitzonderingen op deze regel. In de jaren ‘90, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, viert het Neoliberalisme zijn triomfen, niet alleen in de politiek maar ook in de economische wetenschap – zoals de gestegen citatiecurve van Hayek al laat zien. Bij de toekenning van de Nobelprijs voor Economie zien we dan een duidelijke trendbreuk. Voor het eerst wordt deze prijs toegekend aan economen die de werking van de financiële markten hebben onderzocht en allerlei beleggingsmodellen hebben ontworpen. Het is opvallend dat deze Nobelprijswinnaars relatief jong zijn, nog relatief weinig worden geciteerd en bovendien niet eerder een belangrijke prijs hebben gekregen; kortom, ze wijken nogal af van het standaardpatroon.

Do as I say, not as I do

Twee van die uitzonderingen zijn Robert Merton en Myron Scholes, die in 1997 de Nobelprijs voor Economie krijgen voor het ontwikkelen van een nieuwe methode om de waarde van derivaten te bepalen. Beide heren hebben dan al de nodige dollars verdiend met hun methode, door hun intensieve betrokkenheid bij het hedge fund Long-Term Capital Management (LTCM) dat in 1994 wordt opgericht. Blijkbaar is hun methode niet onder alle omstandigheden de kip met de gouden eieren, want na een explosieve groei gaat LTCM in 1998 failliet.

In 1999 richt Scholes alweer een nieuw hedge fonds op. Twijfel over de methode wordt weggewuifd. Dat het misging met LTCM, kwam louter en alleen door de unieke en onvoorspelbare Russische crisis in 1998. Bovendien, ze hebben voor hun methode toch de Nobelprijs gekregen! In november 2008 gaat ook dit bedrijf failliet. Hetzelfde geldt twee maanden later voor het bedrijf waar Merton de wetenschappelijke directeur is.

Al eerder, in 1990, kreeg Harry Markovitz de Nobelprijs voor zijn Moderne Portfoliotheorie. Toen hem werd gevraagd of hij zijn – zeer geavanceerde – model ook had toegepast bij zijn eigen beleggingen, moest hij bekennen dat hij simpelweg de ene helft van zijn vermogen in aandelen, de andere in obligaties had belegd. Hij is zeker niet de enige beleggingseconoom die in zijn persoonlijke leven heel andere keuzes maakt dan hij op grond van zijn eigen theorie zou aanbevelen.

 

 Luyendijk heeft ongelijk

Zodra een econoom een Nobelprijs heeft gekregen, wordt dat niet onder stoelen of banken gestoken. Vooral journalisten vermelden dan standaard dat ze een Nobelprijswinnaar hebben gestrikt. Sinds de jaren ‘90 is nieuw dat de status van de Nobelprijs eveneens wordt misbruikt in de financiële wereld om nieuwe, vaak ingewikkelde producten te slijten. Wie gaat eens uitrekenen hoeveel mensen schade hebben geleden – direct of indirect – door blind te varen op een of andere winnaar van de Nobelprijs of een andere toonaangevende prijs of ranking?

Als we het voorstel van Luyendijk zouden overnemen, zal het met de financiële schade wel meevallen. Maar sociale wetenschappers zullen ongetwijfeld deze hoofdprijs op andere terreinen misbruiken om het gezond verstand naar de achtergrond te verdrijven. De Nobelprijs enkel reserveren voor de ‘harde wetenschappen’ is dus het beste. Ik vrees echter met grote vreze dat onkruid niet vergaat.

S. de Beter

Deze blogpost is ook gepubliceerd in Argus nr. 15 (3/10/16)

Een gedocumenteerde en uitgebreidere versie vindt u in de volgende twee blogposten.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten