CPB, hofleverancier van schijnzekerheden

Heeft de economische keizer geen kleren aan? (1)

Ongetwijfeld kent u het sprookje van Hans Christian Andersen waarin de keizer zijn kleermakers opdracht geeft een gewaad te maken van “de stof die niet bestaat”. Hun oplossing is een stof die alleen zichtbaar is voor slimme mensen. Het spreekt voor zich dat alle leden van zijn hofhouding de keizer prijzen om de prachtige kleren die hij draagt. Daarom besluit hij zich aan het volk te vertonen in zijn nieuwe gewaad. Het publiek ziet zijn Adamskostuum, maar houdt zich stil. Behalve het kind dat roept: “Hee, kijk, de keizer loopt in zijn blootje!

Economen staan niet bepaald bekend om hun bescheiden opstelling. Zij voelen zich de koning, nee de keizer van de sociale wetenschappen. Kunnen zij die pretentie waarmaken? Laten we eerst gaan kijken naar hun kroonjuweel, het Centraal PlanBureau (CPB)

De Oude Grieken hadden het Orakel van Delphi, de Fransen Nostradamus, de Duitsers Paul de Octopus (die in 2010 de uitslagen van hun voetbalelftal voorspelde), en wij hebben het CPB. Onder leiding van Jan Tinbergen ging dit Haagse Orakel op 15 september 1945 van start. Kunnen we de komende drie jaar benutten om het CPB op een andere leest te schoeien, zodat bij het 75-jarig jubileum een nieuwe start wordt gemaakt. Of ligt een plechtige begrafenis meer voor de hand?

Zeker, het CPB heeft in de jaren van de wederopbouw een nuttige rol gespeeld. En aan de goede bedoelingen van Tinbergen en zijn opvolgers hoeft niet te worden getwijfeld. Maar inmiddels is het instituut verworden tot een ivoren toren waarin econometrische modellen geruisloos hun werk doen. Voor vrijwel ieder beleidsvoorstel is het mogelijk om de economische effecten even door te rekenen.

Bijvoorbeeld voor de invoering van het basisinkomen. Een actueel voorbeeld, vanwege de Internationale Week van het Basisinkomen die van 18 tot 24 september wordt gehouden. Tik de zoekterm ‘basisinkomen’ in op de CPB-website, en het rapport “De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid” verschijnt bovenaan. Van de 18 pagina’s is er slechts één gewijd aan het basisinkomen. Meer is blijkbaar niet nodig. Er is immers het econometrisch model dat de gevraagde voorspellingen genereert. Die stop je in een tabel, die alleen nog maar kort toegelicht hoeft te worden.

En naar dat tabelletje op die ene pagina verwijzen vervolgens alle macro-economen die gekant zijn tegen het basisinkomen. Zoals Gradus en het komische duo VVP: Vermeend en Van der Ploeg. Zelfs economen die wél serieus naar het basisinkomen kijken, zoals Kleinknecht c.s. en Ligteringen, nemen deze CPB-voorspelling klakkeloos over.

Hoe komt zo’n tabel eigenlijk tot stand, en wat is ze waard? We gaan op bezoek bij Peter-Egbert de Boer, de fictieve hoofdauteur van het CPB-rapport.

Bij het CPB aan huis

Peter-Egbert is blij verrast dat op 14 februari 2015 (Valentijnsdag!) ‘s avonds bij de koffie zijn vrouw Martina hem vraagt of hij die dag nog iets bijzonders heeft meegemaakt. “Jazeker, vandaag was de presentatie van ons rapport, waarin wij beweren dat invoering van een basisinkomen van 750 euro per maand, ik citeer nu letterlijk: een averechts effect heeft. Dit geeft tweede verdieners een financiële prikkel om te stoppen met werken en deze groep reageert daar relatief sterk op.”. Waarop zij antwoordt: “Natuurlijk lieverd, ik hang mijn master-diploma Fiscale Economie aan de wilgen, en neem afscheid van mijn uitdagende baan met leuke collega’s en een inkomen van ruim 3000 euro! Want met dit fantastische basisinkomen ga ik lekker thuis zitten in onze Vinex-wijk waar overdag iedereen weg is of met de kinderen bezig. Ik ga gewoon een hobby zoeken en zorg iedere avond dat het eten – en de pantoffels – voor je klaar staan. Ik weet alleen niet of we onze hypotheeklasten dan nog kunnen betalen, en onze kids al die clubjes nog kunnen doen”

Ik vraag mij soms af hoe het voor een CPB-er moet zijn om te werken met veronderstellingen en uitkomsten die zo flagrant in tegenspraak zijn met wat hij buiten zijn werkplek kan waarnemen. Waarschijnlijk gebruikt hij onwillekeurig twee vluchtroutes die een econoom ter beschikking staan. De eerste heet ‘N= 1’, in de woorden van Peter-Egbert: “Jij bent een uitzondering, schat. Andere tweede verdieners reageren heel anders, zo blijkt uit de empirie”. De tweede ontsnappingsclausule biedt het onderscheid tussen conjuncturele en structurele voorspellingen. Als conjuncturele voorspellingen niet uitkomen, kan het CPB dat wijten aan structurele veranderingen. En omgekeerd, zoals bij dit rapportje: “Omdat personen tijd nodig hebben om hun gedrag aan te passen, en omdat de conjunctuur invloed kan hebben op de effecten, kunnen de effecten op korte termijn afwijken van de langetermijneffecten.”(p.4). In gewoon Nederlands: “Over tien jaar praat je wel anders, Martina”.

Opvallende gelijkenis

De vraag dringt zich op waarom in het CPB-rapportje slechts één variant is onderzocht, en waarom juist deze. Het antwoord laat zich raden als je kijkt naar de enige vergelijkbare studie die in Nederland is uitgevoerd, door Jacobs, De Mooij en Folmer (2006), dus vóór de financiële crisis. Ook zij onderzochten de effecten van een basisinkomen van 50% van het sociaal minimum, toen ongeveer 550 euro per maand. Hun conclusie, zoals verwoord door Jacobs: “Het totale arbeidsaanbod neemt met ruim 5% af.” En wat lezen we op die ene bladzijde van het CPB: “De arbeidsparticipatie daalt met ruim 5%.”(p.10). De eerste studie constateert: “De arbeidsparticipatie van vrouwen daalt met 10%.” Het recente onderzoekje maakt onderscheid tussen “vrouwen in samenwonende stellen, jongste kind 0-17” en “vrouwen in andere samenwonende stellen”. Bij de eerste categorie daalt de arbeidsparticipatie met 18%, bij de tweede met 7%; dus het gewogen gemiddelde zal ongeveer op 10% uitkomen. Dezelfde uitkomsten dus, maar ligt dat eigenlijk voor de hand?

Waarschijnlijk is de CPB-schatting als volgt tot stand gekomen. Bij econometrische modellen moeten allerlei parameters worden geschat, en dat is een kwestie van trial and error, en soms van na-aperij. Je begint met een soort actualisering van een eerdere studie, en voor het basisinkomen in Nederland is alleen dat onderzoek van Jacobs c.s. voorhanden. Je speelt wat met verschillende varianten en vergelijkt de uitkomsten met die eerdere studie. “Dat is mooi”, zegt Peter-Egbert na enkele vingeroefeningen tegen zijn medewerkers, “deze variant levert ongeveer dezelfde resultaten op als bij Jacobs, dus deze lijkt de beste”.

In zijn enthousiasme is hij echter vergeten om naar die studie van Jacobs c.s. te verwijzen. Bovendien zag hij blijkbaar over het hoofd dat er in de tussenliggende periode een financiële crisis heeft plaatsgevonden. Zodat vele ‘tweede verdieners’ inmiddels niet kunnen stoppen met werken vanwege de hypotheeklasten en de huizenmarkt die begin 2015 nog op slot zat. En dat anderen graag willen werken maar door de bezuinigingen hun baan zijn kwijt geraakt.

“Beetje dom, lieverd”, zegt Martina als zij hoort hoe die schatting over de arbeidsparticipatie tot stand is gekomen. Daarmee komt hij nog goed weg, misschien omdat hij Valentijnsdag dit jaar niet vergeten was – tot haar blijde verrassing.

Kritiek van Keynes

Denkt u dat dit een uitzondering is? Dan raad ik u aan willekeurig een paar CPB-rapporten te selecteren die na 2007 zijn verschenen, en dan bij elk rapport de zoekterm ‘financiële crisis’ – of ‘Grote Recessie’ – te gebruiken.

Overigens is het CPB in dit opzicht niet uniek. In vrijwel alle officiële onderzoeksrapporten wordt de financiële crisis niet of nauwelijks genoemd. Economen weten kennelijk geen raad met deze ‘spelbreker’. Of hun opdrachtgevers willen het woord ‘crisis’ niet horen.

Na een lezing in 2010 van de toenmalige CPB-directeur Coen Teulings, komt het CPB pas in 2014 met een uitgebreide studie over de naweeën van de financiële crisis: “Roads to Recovery”. Maar die ‘recovery’ betreft de Nederlandse economie, niet de econometrische modellen die het CPB tot dusver heeft gebruikt. Dezelfde modellen die niet in staat bleken de voortekenen van de financiële crisis te signaleren, worden nu nog steeds gebruikt.

Terwijl juist in het gebruik van modellen de kern van het probleem ligt, zoals John Maynard Keynes al constateerde in 1938, toen Jan Tinbergen en Hein Vos volop bezig waren met de eerste contouren van een wetenschappelijk planbureau dat na de oorlog – in afgezwakte vorm – het CPB zou worden. In een brief aan Roy Harrod, vriend en eerste biograaf van Keynes, bestreed hij de opvatting van Tinbergen dat economen op dezelfde manier te werk kunnen gaan als natuurwetenschappers. Keynes legt uit dat je in de natuurwetenschappen kunt werken met formules die eerst uitgebreid met laboratoriumonderzoek worden gespecificeerd onder uiteenlopende condities. Als dit monnikenwerk – saai maar noodzakelijk – is afgerond, dan ligt de formule vast, in principe tot het einde der tijden. De snelheid waarmee over 10 jaar een appel van de boom is voor een natuurkundige niet moeilijk te berekenen, uitgaande van bepaalde basisvariabelen zoals luchtdruk.

Een econoom daarentegen, zo schrijft Keynes, moet zelfs bij een voorspelling voor de korte termijn proberen te achterhalen “wat de motieven van de appel zullen zijn, of het moeite loont om te vallen, in hoeverre de appel eigenlijk welkom is op de tuinbodem, en welke onjuiste berekeningen de appel heeft gemaakt”. Al deze motieven, verwachtingen en onzekerheden zijn voortdurend aan verandering onderhevig, zeker na een fikse crisis. We kweken dus schijnzekerheden, zegt hij, als deze variabelen in cijferbeton worden gegoten.

Driedubbel monopolie

Hoe is het mogelijk dat vrijwel geen enkele econoom aan de bel trekt? Het meest aannemelijke antwoord, dat zelden wordt genoemd, is de driedubbele monopoliepositie van het CPB. Economen zijn er altijd als de kippen bij om te wijzen op de nadelen van monopolievorming maar blijkbaar geldt dat niet voor hun eigen clubhuis.

Waarom driedubbel? Ten eerste qua organisatie: het is de hofleverancier van economische voorspellingen en macro-economische beleidsanalyses. Ooit heeft Eduard Bomhof geprobeerd een concurrent op te tuigen maar zijn Nyfer speelt nauwelijks een rol van betekenis.

Is de situatie beter in Duitsland, waar ze vijf van dit soort instituten hebben? Nauwelijks, want ook daar is er de facto een bijna-monopolie op het niveau van de theoretische benadering: de neoklassieke theorie. Andere economische scholen zijn er wel, maar ze spelen in het beleidsonderzoek nauwelijks een rol.

Het derde monopolie betreft de methode van analyse. Het CPB hoeft niet te verantwoorden hoe zijn voorspellingen tot stand zijn gekomen. Over de gebruikte modellen geeft het CPB wel wat informatie – alleen begrijpelijk voor een select groepje economen – maar hoe op basis van die modellen allerlei schattingen worden gemaakt en vervolgens varianten geselecteerd, blijft voor de buitenwereld verborgen.

John Kenneth Galbraith zei het al: “The only function of economic forecasting is to make astrology look respectable.”

Back to basics

Het wordt tijd dat we vooruitgang in de economische wetenschap niet langer zoeken in steeds verfijnder en ingewikkelder econometrische modellen en geavanceerde regressietechnieken. Back to basics zou beter zijn!

Back to basics betekent onder meer dat het onderscheid tussen conjuncturele en structurele effecten moet verdwijnen, althans bij beleidsonderzoek. Hoe lang moet de huidige economische stagnatie nog duren om economen èn beleidsmakers te laten beseffen dat dit analytisch wel nuttig is maar empirisch niet langer zinvol. Als de huidige CPB-modellen een obstakel vormen, dan moeten ze – voor dit element – maar in de prullenmand, in afwachting van betere.

Tevens wil ik bepleiten dat economische onderzoekers niet alleen gebruik maken van bestaande databases, maar ook andere data gaan verzamelen, zoals Thomas Piketty heeft gedaan – met opmerkelijke resultaten, waar zelfs Paul Krugman jaloers van werd. Of nieuwe data genereren met experimenten en veldonderzoek.

Ik vermoed dat veel economen – ook of juist bij het CPB – positief reageren op mijn pleidooi, en de beschuldigende vinger uitsteken naar hun opdrachtgevers die niet bereid zijn voldoende geld te steken in vernieuwend onderzoek, en de voorkeur geven aan snelle resultaten op basis van de bestaande modellen en data. Een kwestie van centen maar ook een schrijnend gebrek aan politieke en intellectuele moed.

Maar als het om moed gaat, moet economen ook de hand in eigen boezem steken. Waar blijft de oproep van gezaghebbende economen om te stoppen met onderzoek dat pure windowdressing is en eerder non-informatie oplevert dan bruikbare kennis? Waarbij ze concreet zouden moeten aangeven welke onderzoeksopdrachten niet langer acceptabel zijn omdat ze vooral schijnzekerheden genereren. Maar we moeten deze kwestie niet alleen overlaten aan economen, of andere academici. Gewone mensen zijn heel goed in staat de maatschappelijke problemen te selecteren die nader onderzoek vereisen. En bij dat onderzoek hebben we vooral behoefte aan onderzoeksjournalisten en andere creatieve geesten.

Wat doen we met het CPB?

Mij gaat de oproep van Peter Ester en Esther-Mirjam Sent, leden van de Eerste Kamer voor PvdA en CU, niet ver genoeg. Zij bepleiten dat over belangrijke politieke en maatschappelijke kwesties niet alleen het CPB maar ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een advies uitbrengen. Zij willen zelfs dat alle drie instituten hun zegje doen over de Rijksbegroting bij Prinsjesdag en over de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen. Hun voorstel gaat niet werken, vrees ik. Want de praktijk zal zijn dat politici en journalisten toch de meeste aandacht geven aan uitkomsten met euro’s en percentages, bij voorkeur over de portemonnee en de Schatkist, en daarin heeft het CPB nu eenmaal een ‘voorsprong’ op SCP en PBL. Kijk maar naar de laatste loodjes van de nieuwe regeringsformatie: alleen het CPB is gevraagd om hun plannen ‘door te rekenen’.

Het lijkt mij beter om deze drie instituten voor beleidsonderzoek eerst op één hoop te gooien (ze zitten al in hetzelfde gebouw), en vervolgens enkele kleine instituten op te richten die elk een eigen koers gaan varen wat betreft het uitvoeren van beleidsondersteunend onderzoek. Een van die nieuwe instituten zou bijvoorbeeld de aanpak van het Britse Behavioural Insights Team kunnen hanteren. Belangrijkste inzet van deze reshuffling zou moeten zijn dat er een gezonde wedijver ontstaat tussen de uiteenlopende benaderingen.

We zouden zelfs nog een stap verder kunnen gaan door te experimenteren met de mogelijkheden om maatschappelijke groeperingen een eigen onderzoeksbudget te geven, zodat ze zelf hun onderzoeksbehoefte kunnen definiëren.

Tot slot, om misverstanden te vermijden: ik verwijt de economen bij het CPB (en daarbuiten) louter intellectuele en morele luiheid, want de meesten werken enorm hard. Maar dat gezwoeg levert nauwelijks méér output op, gemeten als bruikbare kennis over de economische werkelijkheid. Niet bepaald efficiënt dus, om hun eigen criterium te gebruiken.

S. de Beter

Dit blog-essay is in een iets kortere versie tevens gepubliceerd in Argus nr. 10 (19/9/17)

Met hartelijke dank aan Pieter Geenen vor zijn strip, die op 21/9/17 in Trouw verscheen.

Sommige fragmenten zijn eerder verschenen in http://eco-simpel.nl/2016/08/21/luie-donders-economen/ en http://eco-simpel.nl/2017/02/24/valse-voorspellingen-basisinkomen-en-basisbanen/

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten