Heeft de Balassa-index eigenlijk zelf een comparatief voordeel?

Picking losers – naar een verstandig bedrijvenbeleid (3)

Is de agrofood eigenlijk wel een topsector voor Nederland? Nee, steeds minder. Tenminste, als het gaat om de primaire landbouw en de daarbij behorende verwerkende industrie. Ons land heeft wel internationaal een groeiend marktaandeel in de agro-toeleveringssector, zo liet ik in de vorige aflevering zien.

Blijven deze conclusies overeind als we naar andere studies kijken? Of naar de Balassa-index, een maatstaf die academische economen liever gebruiken dan het internationaal marktaandeel? Maar heeft deze maatstaf zelf eigenlijk wel een comparatief voordeel?

Vraag economen naar de eerste bijdrage die de economische wetenschap heeft geleverd aan de maatschappelijke vooruitgang, dikke kans dat de meesten aankomen met het model van David Ricardo over internationale handel. Niet dat Ricardo de eerste econoom was, want dan komen Francois Quesnay en Adam Smith eerder in aanmerking. Maar hij leverde wel het eerste economische model, en voor hedendaagse economen zijn modellen belangrijker dan economische inzichten. Sterker nog, economen zijn dol op modellen, en dat mogen anderen best weten. Trots tonen ze hun koffiebeker of T-shirt met het opschrift “ Economists do it with models”.

Het model van Ricardo – verplichte stof voor iedere middelbare scholier die economie in zijn pakket heeft – is ontstaan in een tijd dat het Mercantilisme hoogtij vierde. Volgens deze economische zienswijze stijgt de welvaart van een land door zoveel mogelijk te exporteren, met name bij producten waar het een absoluut kostenvoordeel heeft tegenover andere landen.

Maar stel, zo schreef Ricardo, dat Portugal 80 manuren nodig heeft om een bepaalde hoeveelheid wijn te produceren en 90 manuren voor een bepaalde hoeveelheid textiel, terwijl dezelfde hoeveelheden in Engeland de inzet van respectievelijk 120 en 100 manuren vereisen. Met logisch redeneren is te bewijzen dat beide landen een hogere welvaart realiseren wanneer Portugal zich specialiseert in wijn en Engeland zich toelegt op textiel. Dit simpele economische model maakt duidelijk dat de voordelen van internationale handel niet alleen kunnen worden gerealiseerd bij absolute maar ook bij relatieve – oftewel comparatieve – kostenverschillen.

Eerder wees ik erop dat Ricardo een analytisch en geen empirisch model heeft gemaakt. Je zou het ook een normatief of prescriptief model kunnen noemen: landen zullen door internationale handel profiteren van comparatieve kostenverschillen als bestuurders en burgers een bepaalde logica zouden hanteren. Anders gezegd: onder bepaalde veronderstellingen heeft Ricardo helemaal gelijk volgens de wetten van de logica en de wiskunde, maar de werkelijkheid gedraagt zich anders.

Neem Griekenland en Duitsland, de hoofdrolspelers van het Euro-drama want in economisch opzicht elkaars tegenpolen. Bij vrijwel alle producten – m.u.v. olijven, strandvakanties en andere mediterrane producten – hebben Duitse bedrijven een betere prijs-kwaliteitverhouding dan de Griekse, wat zich weerspiegelt in hun handelsbalans. Volgens het model van Ricardo zouden beide landen beter af zijn als Duitsland meer producten aan de Grieken zou overlaten, namelijk de producten waar de Duitsers een comparatief nadeel hebben. Naar mijn weten heeft geen enkele econoom tijdens de euro-crisis geopperd om deze boodschap van Ricardo in de praktijk te brengen.

Balassa-index

Hier wil ik het hebben over de meest gangbare maatstaf om de comparatieve voordelen van een land in beeld te krijgen, de Balassa-index. Als je over de benodigde data beschikt, is deze vrij gemakkelijk te berekenen en te interpreteren. Als product X bijv. 5% van de Nederlandse export voor haar rekening neemt, terwijl het aandeel van X in de totale wereldexport 1,25 bedraagt, dan heeft X voor Nederland een score van 4. Heeft product Y een Balassa-index van 2, dan heeft ons land voor dit product eveneens een comparatief voordeel (want groter dan 1) maar dat is kleiner dan voor product X. Voor alle producten met een index kleiner dan 1 heeft Nederland een comparatief nadeel, wat volgens het model van Ricardo zou betekenen dat wij deze producten aan andere landen moeten overlaten. Academische economen spreken in dit verband over Revealed Comparative Advantage (RCA) omdat de Balassa-index niets zegt over de oorzaken van het relatieve voordeel – die ze dan ook weinig aandacht geven

De meerwaarde van de Balassa-index lijkt evident, althans in theorie. Maar wat heb je eraan bij het voeren van een innovatiebeleid? Is deze maatstaf beter bruikbaar dan de internationale marktaandelen die ik in de vorige aflevering heb gehanteerd? Alles hangt af van hoe zo’n maatstaf in de praktijk wordt gebruikt, en in hoeverre hij beleidsmakers op het goede of juist op het verkeerde been zet. Ik beperk mij in deze aflevering tot rapporten met een analyse van de Nederlandse agrofood: hoe wordt daarin de Balassa-index gehanteerd en wat is de meerwaarde? In het verlengde daarvan: hoe toegankelijk en bruikbaar zijn deze rapporten eigenlijk?

Ik kijk vooral naar recente cijfers, om na te gaan of de ontwikkelingen na 2010 corresponderen met de trends die ik in de vorige aflevering heb gesignaleerd – op basis van het databestand ICCP van Harvard-hoogleraar Michael Porter.Vanwege de levencyclus-benadering behandel ik alleen onderzoek dat aandacht besteedt aan veranderingen wat betreft de positie van Nederland op de internationale markt. En dan vallen er heel veel studies af, want de meeste houden het op een momentopname.

CBS-special over Agribusiness

Eigenlijk zou ook de speciale aflevering over agribusiness van de Internationalisation Monitor van het CBS (2016) moeten afvallen, want bij de Balassa-index biedt zij slechts een momentopname – voor 2015. Bovendien gebruikt zij Eurostat, en niet UN Comtrade of een andere mondiale statistische database. Dit betekent dat de export van Nederland wordt vergeleken met die van de 28 EU-landen, en niet met de wereldexport. Ook qua classificatie is er verschil met de ICCP-cijfers. Zo heeft de categorie ‘bloemen en planten’ de hoogste Nederlandse Balassa-index (19,8), wat betekent dat in 2015 het aandeel van deze categorie in de Nederlandse export bijna 20 keer zo groot is als in de totale EU-export. Bij de ICCP-cijfers daarentegen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘bloembollen en planten’ (met een stijgend marktaandeel) en snijbloemen (met een dalend aandeel in de wereldexport).

Verschuivingen in de tijd laat het CBS wel zien voor andere indicatoren, uitgesplitst naar drie categorieen: primaire, secundaire en tertiare agroproducten. Het onderscheid tussen eerste en de tweede categorie heeft betrekking op wel of niet bewerkt. De derde categorie bevat goederen die in hoofdzaak in de agrosector worden toegepast, wat ik in de vorige aflevering agro-toeleveringssector noemde. De hoogste Balassa-index heeft Nederland volgens het CBS (p. 53) daar bij dierlijke vaccins (4,8), gevolgd door kunstmest (1,8) en machines voor de voedingsmiddelenindustrie (1,7). Bij de export van machines en apparaten voor de primaire landbouw daarentegen scoort Nederland onder het EU-gemiddelde (0,8). Blijkbaar is het hoge en sterk gestegen wereldexportaandeel voor Nederlandse melkmachines een positieve uitzondering binnen deze categorie.

In de periode 2000-2015 hadden de secundaire (bewerkte) agroproducten onveranderd het hoogste aandeel in de totale Nederlandse agro-export, namelijk 56 procent. Het aandeel van de primaire agroproducten daalde van 37 naar 35 procent, terwijl de tertiaire agrosector haar aandeel opkrikte van 7,5 naar 9,6 procent (p. 49-50)

Ondanks de uitbreiding van de EU was er een lichte daling van het aandeel van de Nederlandse agro-export dat naar de overige EU-landen ging, van 82 procent in 2000 naar 79 (primaire) en 76 (secundaire) procent in 2015 Maar dat laatste kwam vooral voor rekening van de sterk gestegen – en inmiddels gedaalde – export van babypoeder naar China en Hong Kong. De export van de tertiaire agroproducten is veel minder op de EU gericht: 73% in 2000 en 62% in 2015.

Een ander verschil is dat – uitzonderingen daargelaten – de tertiaire agro-export voor een gering percentage (gemiddeld 19 procent) bestaat uit wederuitvoer. Daarbij gaat het om ingevoerde producten die zonder noemenswaardige bewerking het land weer verlaten. Ter vergelijking: in 2015 was bij de Nederlandse topper ‘bloemen en planten’ 49% van de import bestemd voor de wederuitvoer (p.35).

Al met al geven de CBS-cijfers ongeveer hetzelfde beeld als ik vorige keer op basis van ICCP-cijfers heb geschetst: de primaire en secundaire agrosectoren zijn op hun retour, de kracht van Nederland zit steeds meer in bepaalde onderdelen van de agro-toeleveringssector. Maar wat een overvloed aan grotendeels overbodige gegevens hebben de CBS-onderzoekers daarvoor nodig! Wie neemt de moeite om door hun bomen het bos te zoeken? Alleen S. de Beter, vermoed ik.

Doet LEI het beter?

De beste bron voor informatie over de agrofoodsector zou Wageningen Economic Research – WUR moeten zijn, vroeger bekend als het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Hun publicatie Competitiveness of the EU food industry (2016) – over de voedselverwerkende industrie (food and beverages), in de bovengenoemde CBS-Monitor aangeduid als secundaire agrosector – bevat een vergelijking tussen twee tijdvakken: 2000-2007 en 2008-2012, dus zeg maar de perioden voor en na de financiële crisis. Niettemin komt het woord ‘crisis’ in het geheel niet voor in het rapport, terwijl zeker in 2008 de internationale handel een flinke klap heeft gekregen, die voor sommige landen en sommige sectoren relatief hard aankwam (zodat je 2008 beter uit de analyse kunt gooien).

Overigens wordt de financiële crisis in vrijwel alle onderzoeksrapporten niet of nauwelijks genoemd, evenmin in de CBS-Monitor en in CPB-rapporten. Economen weten duidelijk geen raad met deze ‘spelbreker’. Of hun opdrachtgevers willen het woord ‘crisis’ niet horen.

Blijkbaar denken de LEI-onderzoekers – of hun opdrachtgevers – dat je betere informatie levert als je zoveel mogelijk maatstaven hanteert. Ze maken onderscheid tussen drie economische en twee handelsindicatoren. Hun economische concurrentie-indicatoren zijn de groei in (real) toevoegde waarde, arbeidsproductiviteit en ‘share added value in manufacture industry’. Hun eerste handelsindicator is de Revealed Trade Advantage (RTA): het verschil tussen de export en import in termen van de Balassa-index. De tweede is het aandeel van Nederland op de wereldmarkt voor ‘food and beverages’(M1 en M2).

De figuur hieronder (een fragment uit figuur 5.1, p. 70, waarbij links als ‘weak’ en rechts als ‘strong’ wordt aangegeven) geeft hun beoordeling van de Nederlandse en Belgische voedselverwerkende industrie op deze vijf indicatoren. In termen van het aandeel op de wereldmarkt (M1 en M2) is de positie van de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie behoorlijk verzwakt in de periode 2000-12, al is de teruggang niet zo groot als voor België. Dit bevestigt mijn bevindingen in de vorige aflevering, op basis van ICCP-cijfers. Deze cijfers waren voldoende gedetailleerd om een onderscheid te maken tussen secundaire agroproducten die buitenlandse grondstoffen gebruiken, en de verwerking van grondstoffen van eigen bodem (zoals snijbloemen, vlees, groenten, boter, kaas en eieren). Bij de eerste categorie zagen we overwegend een stijging van het internationale marktaandeel, bij de tweede een daling. In termen van de levenscyclusbenadering: de laatste subcategorie zit internationaal in de teruggangsfase, terwijl de eerste nog de groeifase zit – zolang de wereldhandel groeit en Rotterdam belangrijk blijft voor ons Europese achterland, vooral voor Duitsland.

Gedetailleerde oftewel gedesaggregeerde cijfers zouden misschien enig licht kunnen werpen op het merkwaardige contrast tussen de teruggang van de Nederlandse voedselindustrie in termen van internationaal marktaandeel en de sterke stijging van de economische concurrentie-indicatoren (zie figuur). Vreemd genoeg doen de onderzoekers geen poging om verklaringen te zoeken voor dit grote contrast, dat we overigens ook bij sommige andere landen kunnen zien. Het is toch raar dat een land beter scoort op economische indicatoren en slechter op handelsindicatoren, vooral voor een land als Nederland dat zoveel exporteert en importeert. Met name omdat bij België – waar internationale handel eveneens belangrijk is – dit contrast niet wordt geconstateerd.

Op basis van de levenscyclusbenadering zou een mogelijke verklaring kunnen zijn dat de meeste secundaire agroproducten die in Nederland worden geproduceerd aan het eind van hun levenscyclus zitten, oftewel de groei is eruit. In deze marktsituatie (zie uitgebreider ‘De Dynamische Markttheorie’ van H.W. de Jong, hier te downloaden, een boek dat helaas in de vergetelheid lijkt te zijn geraakt) proberen bedrijven te overleven door rationalisatie en andere maatregelen om de arbeidsproductiviteit omhoog en de kostprijs omlaag te brengen. Overigens zonder veel succes want de enige manier om marktaandeel terug te winnen is het ontwikkelen van nieuwe producten en niches die in een groeiende vraag kunnen voorzien, dus het starten van een nieuwe levenscyclus.

Op het verkeerde been?

Het Amsterdamse onderzoeksbureau SEO, waar ik eerder zo kritisch over was, lijkt op het eerste gezich beter te scoren dan CBS en LEI. Hun recente rapport (2017), dat overigens niet alleen over de agroproducten gaat, kijkt naar veranderingen in de Balassa-index in de periode 2000-15. Deze maatstaf wordt niet alleen toegepast op de bruto-export maar ook op de toegevoegde waarde die met deze export wordt gerealiseerd – en bovendien genormaliseerd (p. 18-19).

De volgende figuur uit hun rapport (p. 22) schetst voor vijf productcategorieën de ontwikkeling van de Normalized Revealed Comparative Advantage (NRCA). Voor de categorie agrofoodproducten is deze in de periode 2000-15 gezakt van 0,70 naar 0,24. Betekent dit dat de Nederlandse agroproducten minder concurrerend zijn geworden op de wereldmarkt? Niet noodzakelijkerwijs, althans op basis van NRCA-cijfers, zoals SEO zelf ook zijdelings constateert. En daarbij kom ik op het grootste probleem van de Balassa-index: de daling suggereert dat Nederlandse bedrijven marktaandeel hebben verloren in de agrarische wereldexport – of in verhouding minder toegevoegde waarde hebben gerealiseerd – maar dat hoeft helemaal niet het geval te zijn. Als Nederlandse bedrijven in andere sectoren hun marktaandeel of toegevoegde waarde hebben uitgebreid tegenover hun buitenlandse concurrenten, zoals bij fossiele brandstoffen en vooral ‘finance and insurance’het geval is geweest, leidt dat per definitie tot een daling van de NRCA voor agrofood, en andere categorieen.

Daarom moet je altijd kritisch kijken naar de ‘stijgers’, vooral met het oog op de toekomst – en juist dàt laat SEO achterwege, zoals eigenlijk alle economen doen die de Balassa-index gebruiken. De eerste stijger is voor een belangrijk deel gebaseerd op de export van Gronings gas en vooral op de positie van Rotterdam bij de raffinage van olie uit olielanden. Vooral in het licht van de dringende energietransitie richting niet-fossiele brandstoffen – en de Groningse aardbevingen – kunnen we voor Nederland eerder spreken van een comparatief nadeel.

De sterke stijging van de NRCA voor de financiële sector moet ons eveneens zorgen baren. Deze berust immers grotendeels op de belastingvoordelen die internationaal opererende bedrijven hier kunnen realiseren door bepaalde transacties via Nederland te laten lopen. Het is zeer de vraag of Nederland daar veel beter van wordt, zoals ik hier aan de orde stel. Bovendien is deze Nederlandse positie niet bepaald toekomstbestendig, aangezien we mogen verwachten – en zelfs hopen – dat de internationale belastingontwijking flink aan banden wordt gelegd. Of dat andere ‘fiscale doorvoerlanden’ als Hong Kong en Singapore hun opmars nog verder voortzetten.

Met name als de Balassa-index wordt toegepast op categorieen met een hoog aggregatie-niveau (wat meestal gebeurt) worden beleidsmakers – en jongeren die een toekomstbestendig beroep kiezen – al snel in de verkeerde richting gestuurd. De SEO-cijfers suggeren dat zonen en dochters uit de primaire en secundaire agrosector zich beter kunnen richten op een carriere in de financiele sector. Ga je echter op detailniveau kijken naar de agrosector, dan zie je dat sommige onderdelen het heel goed hebben gedaan, en ook veel toekomstmogelijkheden lijken te hebben hebben (zie de vorige en de volgende aflevering).

Overigens lijken de SEO-auteurs zelf ook wel in de gaten te hebben dat hun NRCA niet zo bruikbaar is, want bij hun eigenlijke onderzoek – over de Nederlandse exportsuccessen en – mogelijkheden in Azie – speelt deze indicator nauwelijks een rol van betekenis.

Teveel aggregatie

In deze blessay (blog-essay) heb ik gekeken naar recente studies over de economische kracht van de Nederlandse agrosector. Het meest opvallend is het hoge aggregatieniveau van de gebruikte data. Had mijn analyse in de vorige aflevering betrekking op specifieke agroproducten – in allerlei soorten en maten – in de andere studies worden de meeste uiteenlopende producten in de diverse hoofdcategorieën ondergebracht, die vervolgens worden ‘beoordeeld’ aan de hand van enkele standaardindicatoren.

Dat heeft allerlei nadelen. Een daarvan is het gebrek aan herkenbaarheid. Ik kan mij niet voorstellen dat mensen en bedrijven die in een van de onderzochte bedrijfstakken werken of investeren, bruikbare informatie halen uit deze onderzoeksrapporten. Want de data en analyses zijn niet of nauwelijks uitgesplitst naar concrete producten Of naar andere categorieën en indicatoren die in de praktijk worden gehanteerd, zoals marktaandeel.

Werken met data op geaggregeerd niveau heeft verder als nadeel dat al gauw verkeerde conclusies worden getrokken. Wat geldt voor het grote geheel hoeft niet op te gaan voor de diverse onderdelen waaruit het geheel is opgebouwd – wat je als een variant van de fallacy of composition kan beschouwen. Bij geaggregeerde data gaat dus veel informatie verloren. Hetzelfde geldt voor de gemiddelden en medianen die vrijwel altijd worden gebruikt – informatie over de twee uiteinden van de frequentieverdeling is meestal veel interessanter, zeker bij een levenscyclusbenadering.

Deze twee problemen gelden in het bijzonder voor de Balassa-index. Want deze index meet het succes van een bedrijfstak of sector af aan hoe de overige bedrijfstakken en sectoren scoren. Zo vertoont de agrosector – waar zeer uiteenlopende bedrijfstakken en producten onder vallen – een dalende Balassa-index doordat twee andere sectoren een groter deel van de export en de daarmee verbonden toegevoegde waarde voor hun rekening hebben genomen. Hier wreekt zich het feit dat academische economen genoegen nemen met de ‘revealed’ en de ‘comparative’ voordelen van bepaalde economische activiteiten, en niet meer op zoek (hoeven te) gaan naar de oorzaken van bepaalde verschuivingen. In die zin is de Balassa-index het product van de neoklassieke denkers die in de economische wetenschap nog steeds de overhand hebben, want volgens deze stroming wordt onder druk van prijsbewegingen alles vloeibaar. In hun optiek kan bijvoorbeeld onder druk van een dalende melkprijs een melkveehouder op middelbare leeftijd zonder grote problemen overstappen naar de financiële sector, wanneer deze een hogere Balassa-index heeft gekregen.

Fixatie op export

Een probleem van een heel andere orde is de overdreven aandacht voor exportcijfers – een mercantilistisch trekje dat we blijkbaar nog steeds niet zijn kwijt geraakt. De principiële vraag is waarom deze cijfers beter of bruikbaarder zouden zijn dan andere indicatoren. Doorslaggevend zou toch moeten zijn in hoeverre goederen en diensten in een behoefte voorzien en voldoende netto-marge opleveren, ongeacht of de afnemers in het binnen- of in het buitenland woonachtig zijn.

Als we bovendien innovatie belangrijk vinden, kleeft aan exportcijfers nog een ander bezwaar: het is vooral een achteraf-indicator. Exporteren is immers meestal een tweede of derde stap voor nieuwe bedrijven, of voor bestaande bedrijven met nieuwe producten. Eerst moet het nieuwe product de thuismarkt veroveren. Vervolgens moeten de condities worden geschapen om op grotere schaal te produceren – voor binnen- en buitenland. Naast financiële middelen hebben snelgroeiende bedrijven voldoende gemotiveerde en competente arbeidskrachten nodig. Als jongeren nauwelijks belangstelling hebben voor een groeidiamant, dan is de economische schittering snel verdwenen. Wat het geval blijkt te zijn voor de agrarische topsectoren, zoals ik in de volgende aflevering zal aantonen.

S. de Beter m.m.v. M.E. Loen

PS is het beleidsonderzoek failliet?

Bedrijvenbeleid levert meer op als het wordt gericht op ‘picking losers’, zoals ik in een aantal afleveringen hoop duidelijk te maken. Daarbij gaat het om het identificeren van bedrijfstakken die voor Nederland op hun retour zijn, maar het geldt eigenlijk ook voor de onderzoeksrapporten die de benodigde informatie moeten leveren. De drie rapporten die ik hier heb bekeken, zijn volgens mijn ervaring exemplarisch voor het beleidsonderzoek waarmee zoveel onderzoekers en beleidsmakers zich ledig houden. Ze leveren een overvloed aan gegevens, doch weinig informatie over de dynamiek van bedrijven en bedrijfstakken die het relatief goed – of juist slecht – doen op de internationale markt, of bij het aanpakken van maatschappelijke problemen. Ze maken gebruik van methodieken en maatstaven die voor alles en nog wat toepasbaar lijken. Zodat de onderzoekers niet de moeite hoeven te nemen zich daadwerkelijk te verdiepen in de materie. Met als gevolg dat hun rapporten door vrijwel niemand worden gelezen of begrepen. Hoogstens door enkele beleidsambtenaren die een beleidsdocument moeten maken dat eveneens vrijwel niet gelezen wordt. Ook op dit terrein is innovatie hard nodig.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten