What goes up must go down

Picking losers – naar een ander innovatiebeleid (2)

Wil je weten in hoeverre een bedrijf succesvol is, kijk dan eerst naar zijn marktaandeel. Bedrijven met een stijgend marktaandeel hebben blijkbaar producten in hun assortiment die bij de afnemers in een behoefte voorzien. Met een vergelijkbare indicator kan worden onderzocht hoe de internationale portfolio van de Nederlandse agrosector zich de laatste twee decennia heeft ontwikkeld. Door de levenscyclusbenadering – het onderwerp van de vorige aflevering – op de agrosector toe te passen, wordt duidelijk dat agrofood helemaal geen topsector meer is. En dat een topsectorenbeleid gericht op ‘backing winners’ de plank flink mis kan slaan.

Je hoeft geen econoom te zijn om te snappen dat ons land succesvoller is in een bepaalde bedrijfstak of productcategorie naarmate de Nederlandse export een groter deel uitmaakt van de totale wereldexport. Een hoog aandeel betekent immers dat Nederlandse bedrijven goed opgewassen zijn tegen buitenlandse concurrenten. Zo heeft ons land een superieure positie op de internationale markt voor ‘bloembollen en planten’: in 2010 kwam maar liefst 50 procent van de wereldexport in deze categorie uit Nederland. Dit is geen uitzonderlijk geval. In 2010 neemt ons land bij maar liefst vijf andere agroproducten meer dan een kwart van de wereldhandel voor zijn rekening (tabel 1 en 2).

Wereldhandel vs wereldproductie

Deze marktaandelen lijken heel hoog maar je moet dit soort percentages in het juiste perspectief plaatsen, zoals je met cijfers altijd moet doen. Zo is de totale wereldexport (de grensoverschrijdende handel) vaak maar een klein – zij het stijgend – deel van de totale wereldproductie. Dat geldt zeker voor landbouwproducten, die overwegend in eigen land worden geconsumeerd (behalve in een land als Nederland)

Afgezien van fiscale en andere voordelen die nationale overheden verstrekken om internationaal opererende bedrijven binnen hun landsgrenzen te krijgen, vindt internationale handel vooral plaats als a) de kosten voor internationaal vervoer relatief laag zijn, en b) de mogelijkheden voor schaalvoordelen onvoldoende in eigen land kunnen worden gerealiseerd. Voor de eerste factor geldt dat aan zee gelegen landen, zoals Nederland, relatief lage vervoerskosten kennen en dus een relatief groot deel van de wereldhandel voor hun rekening nemen. Nog veel belangrijker is de tweede factor: de meeste landen zijn groot genoeg om voldoende schaalvoordelen in eigen land te realiseren, zeker voor landbouwproducten. Daarom hebben grote landen meestal een relatief gering, en kleine landen een vrij aanzienlijk aandeel in de totale wereldexport. Het is om deze twee redenen niet verwonderlijk dat Nederland zo hoog scoort in de wereldhandel, en de export zo belangrijk is voor de Nederlandse economie. Ter vergelijking: in ons land wordt 32 procent van het bbp gerealiseerd door export, in de VS slechts 12 procent.

Top 40

We moeten dus niet teveel belang hechten aan de absolute hoogte van het Nederlandse aandeel in de wereldhandel, en zeker niet gebruiken om ons land te vergelijken met andere landen die hogere transportkosten kennen of kleiner zijn. Deze indicator is echter wel geschikt om een selectie te maken van producten waarmee Nederland internationaal goed scoort, of heeft gescoord.

Tabel 1 en 2 bevat de top-40 van Nederlandse producten die internationaal het meest concurrerend zijn, maar dan uitsluitend de agroproducten (in 2010 maar liefst 21). Daar zitten grote maar ook hele kleine bedrijfstakken bij; in de rechterkolom van beide tabellen staat het aandeel in de Nederlandse agro-export, hier beperkt tot het exportvolume van de 21 agroproducten in 2010. Ik maak onderscheid tussen producten wier aandeel in de wereldhandel is gestegen in de periode 1997-2010 (tabel 1) of juist gedaald (tabel 2).

Naast de eerder genoemde productgroep ‘bloembollen en planten’ kunnen in tabel 1 twee categorieën worden onderscheiden: de agro-toeleveringssector en de agrosectoren die voornamelijk gebruik maken van buitenlandse grondstoffen. De eerste bestaan uit twee subcategorieen waarvan de agrotechniek er een is. Vooral melkmachines (tegenwoordig vooral melkrobots ) zijn een Nederlandse successtory: had ons land in 1997 een aandeel van 10% in de wereldhandel van dit product, in 2010 lag dit aandeel al op 50 procent. Daarnaast is Nederland goed in machines die worden gebruikt in de voedselverwerkende industrie (nr. 7, 29 en 37 in de top-40)

Een andere subcategorie bestaat uit plantaardig zaadgoed (nr. 9) en ‘levende dieren’ (nr. 38). De laatste productgroep lijkt nogal onzuiver: naast fokstieren – het ‘zaadgoed’ voor de dierlijke sector – omvat deze groep wat meestal wordt aangeduid als ‘gesleep met dieren’ : vooral varkens en biggen, en koeien en kalveren, overwegend van en naar Duitsland en Belgie.

Binnenlandse vs buitenlandse grondstoffen

De tweede categorie in tabel 1 bevat agroproducten waarvan de grondstoffen grotendeels of uitsluitend uit het buitenland komen (gecursiveerd). Neem ‘papier en karton’, de nr. 5 op de Nederlandse ranglijst. Komen momenteel de meeste grondstoffen uit Scandinavië en andere bosrijke landen, van oorsprong kwam de grondstof voor karton vooral uit de Groningse Graanrepubliek, waar het kaf letterlijk van het koren werd gescheiden ten behoeve van de strokartonindustrie. De productgroep ‘oliën en vetten’ – denk vooral aan Unilever en margarine – kent een vergelijkbaar patroon: werd de oorspronkelijke margarine vervaardigd uit rundvet, afgeroomde melk, en gesnipperde koeienuiers, nu is palmolie de belangrijkste grondstof. Bij cacao, sigaretten en andere verwerkte tabak komen de grondstoffen van oorsprong vooral uit voormalige Nederlandse koloniën, en gaan de eindproducten inmiddels de hele wereld over.

Agroproducten met buitenlandse grondstoffen vinden we ook in tabel 2, te weten sigaren, bier en veevoer. Deze tabel bevat echter overwegend exportproducten die zijn gebaseerd op grondstoffen van eigen bodem. Het gaat om boter, kaas en eieren (nr. 8, 32 en 38 van de top-40) en om snijbloemen, vleesproducten en groenten (nr. 8, 23 en 33)

Tabel 3 is een samenvatting van de vorige twee tabellen. Tabel 1 is verwerkt in de cellen A en B, maar de volgorde is anders. De productgroep ‘melkmachines’ staat hier hoger dan ‘bloembollen en planten’ omdat in de periode 1997-2010 haar aandeel in de wereldexport sterker is gestegen: 40% tegenover 2%. Tabel 2 is terug te vinden in de cellen C en D, waarbij de grootste dalers bovenin staan. Verder is onderscheid gemaakt tussen agroproducten met een zeer hoog (A+C) en een minder hoog Nederlands aandeel in de wereldexport (B+D), waarbij de grens van 20% puur willekeurig is.

De gangbare manier is te kijken naar de hoogte van het aandeel op de wereldexportmarkt. In termen van winnaars en verliezers zijn de producten in de cellen A en C ‘betere winnaars’ dan die in de cellen B en D. Een hoger marktaandeel wijst immers op een groter comparatief voordeel. Volgens de backing winners benadering komen zij dus het meest in aanmerking voor ondersteuning vanuit de overheid.

De winnaars van gisteren zijn de verliezers van morgen

Mijn belangrijkste kritiek op deze benadering kan worden samengevat in de mededeling die tegenwoordig in alle financiële reclames verplicht is: “in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”. Vergelijk melkmachines en snijbloemen. Bij beide agroproducten heeft Nederland in 2010 een zeer hoog aandeel op hun wereldexportmarkten. Er is echter een groot verschil: bij melkmachines is het Nederlandse aandeel in de wereldexport flink gestegen, terwijl bij snijbloemen het Nederlandse aandeel op de wereldexportmarkt daalde van 49 naar 45 procent. In termen van de S-curve: het eerste product zit internationaal in de groeifase, de snijbloemen zijn als het ware al over hun hoogtepunt heen, en verkeren in de stagnatiefase van de S-curve.

We kunnen het algemener trekken door een vergelijking te maken tussen de producten die grotendeels afkomstig zijn uit de eigen primaire sector (zoals snijbloemen) en de agro-toeleveringssector, bestaande uit agrotechniek en zaadveredeling (zowel plantaardig als dierlijk zaad). Om een bekende vergelijking te maken uit de discussie over ontwikkelingssamenwerking: bij de eerste categorie probeert Nederland de wereldmarkt te veroveren met vis die wij hebben gevangen, bij de tweede categorie met hengels waarmee zij in het buitenland zelf (meer) vis kunnen vangen. Om het nog anders te stellen: met de tweede categorie ‘helpen’ we als het ware onze buitenlandse concurrenten in de eerste categorie. Dat lijkt dom maar is het niet, zoals ik hierna en in de volgende afleveringen zal betogen..

De primaire agrosector – en de daaraan gerelateerde verwerkende industrie – is de laatste 20 jaar duidelijk op haar retour als we kijken naar het Nederlandse aandeel op de wereldexportmarkt (zie tabel 2). Dat is niet zo verwonderlijk want in ons dichtbevolkte landje is er steeds minder ruimte beschikbaar voor de primaire landbouw, wat een extra probleem is wanneer de kostprijs belangrijk is en schaalnadelen daarop een sterk negatieve invloed hebben. Bovendien is de maatschappelijke acceptatie van allerlei landbouwactiviteiten een stuk minder geworden. Denk aan stankoverlast, verontreiniging van oppervlakte- en grondwater, verschraling van het landschap en de steeds grotere landbouwvoer- en werktuigen die over ‘s Heeren wegen razen. Op een of andere manier leidt dit tot hogere kosten voor boeren en tuinders.

Agrotechniek

Dat Nederland het zo goed doet op het gebied van de agrotechniek is opmerkelijk. Want bij de andere onderdelen van de machine- en apparatenbouw speelt ons land nauwelijks een rol van betekenis, zeker in vergelijking met Duitsland; andere uitzonderingen zijn in het verleden de chemische apparatenbouw en recentelijk chipsmachines (ASML). Opvallend is verder dat de agrotechniek nauwelijks grote bedrijven kent en één overkoepelende brancheorganisatie ontbeert. Dan wordt het een stuk moeilijker om aan te schuiven bij beleidscircuits waar belangrijke beslissingen worden genomen. Daar komt nog bij dat de agrotechniek niet in één of op beperkt aantal regio’s is geconcentreerd. Vindt bij voorbeeld de plantaardige zaadveredeling vooral in West-Friesland plaats (Seedvalley), de agrotechniek kent een brede geografische spreiding zodat zij nergens wordt gezien als een regionale specialisatie die door de plaatselijke politici in het voetlicht kan worden geplaatst.

Het is daarom niet zo verwonderlijk dat de agrotechniek een weinig prominente plaats heeft gekregen in het topsectorenbeleid. Dat geldt in mindere mate ook voor de zaadveredeling. Weliswaar is het uitgangsmateriaal – zoals het plantaardig zaadgoed ook wel wordt genoemd – een van de geselecteerde topsectoren maar deze bedrijfstak is samengebracht met de primaire tuinbouwsector die inmiddels op zijn retour is en dus een heel ander beleid nodig heeft.

Mijn conclusie is kort en bondig:  het ongericht stimuleren van agro(sub)sectoren die aanvankelijk een hoog en daarna een dalend aandeel op de wereldexportmarkt laten zien, is zinloos. De winnaars van gisteren zijn immers vaak de verliezers van morgen, zo laat de levenscyclus benadering zien. Mijn stellingname druist in tegen de backing winners benadering die uitgaat van de veronderstelling dat de (economische) toekomst niet veel zal afwijken van het verleden. Helaas zien we deze veronderstelling ook vaak bij onafhankelijke deskundigen, zoals wijlen Dany Jacobs, en niet alleen – om begrijpelijke redenen – bij de pleitbezorgers van tot dusver succesvolle bedrijfstakken, zoals de bobo’s van de brancheverenigingen en andere belangengroepen. De mensen die zelf in deze branches werken, hebben daarentegen meestal redelijk op tijd in de gaten dat de hoogtijdagen voorbij zijn, zo is mijn indruk. Maar ze kunnen vaak geen kant op, zoals ik in een van de volgende afleveringen zal betogen. Ze staan daarom gemakkelijk open voor de valse hoop die ze krijgen voorgeschoteld van de bestuurders van hun belangenorganisaties, en van de daarbij behorende politici.

picking losers

Wat moeten we ons voorstellen onder een beleid met de weinig flatteuze naam ‘picking losers’? Om te beginnen moet in dit beleid een belangrijke plaats worden ingeruimd voor historische analyses en toekomstverkenningen. Volgens de levenscyclusbenadering kunnen op basis van patronen in het verleden vrij globaal worden ingeschat hoe de nabije toekomst eruit zou kunnen zien. Met de nadruk op ‘kunnen’ want er is zeker geen sprake van determinisme. We moeten eerder denken aan de manier waarop de BCG-matrix wordt toegepast, maar dan op meso-niveau. Dit betekent dat we onderscheid moeten maken tussen enerzijds de (nieuwe) sterren aan het agrofirmament en anderzijds de cash cows en dogs die in het verleden succesvol waren en nu langzaam maar zeker op afscheidstournee moeten.

De belangrijkste taak voor de overheid: ervoor zorgen dat de ‘juiste feiten’ op tafel komen, door onderzoek te financieren naar de plaats en toekomst van de diverse onderdelen van de agrosector. Onderzoek is immers een collectief goed bij uitstek, en dus de primaire verantwoordelijkheid van de overheid. Het uitgangspunt daarbij moet zijn: voldoende diversiteit en creativiteit mogelijk maken. En dat is precies wat we in de huidige situatie node missen. Er is slechts één onderzoeksinstituut als het gaat om sociaaleconomische kennis over de agrosector, namelijk het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van de Wageningen University & Research (WUR). Daarnaast wordt het topsectorenbeleid voor deze sector gedomineerd door de grote bedrijven, dus door bedrijven die groot zijn geworden door de dynamiek van het verleden. Het zijn deze bedrijven die (willen) hopen dat de toekomst net zo goed wordt als het verleden, mits de overheid hen ondersteunt met financiering van R&D en innovatie.

Op het gebied van beleidsgericht onderzoek betekent ‘picking losers’ dat een groter deel van de onderzoeksgelden besteed moet worden aan de vraag welke onderdelen van de agrosector zich waarschijnlijk niet langer in Nederland kunnen handhaven, in de huidige vorm en omvang. Omdat op de wereldmarkt hun beste dagen voorbij zijn maar vooral omdat zij in eigen land voor steeds meer problemen en dus weerstand zorgen. Denk aan de mestproblematiek en de aantasting van landschapskwaliteiten door de moderne melkveehouderij. Denk ook aan een andere ‘interne’ graadmeter, zoals de voorkeuren van de Nederlandse jeugd: staan ze te trappelen om bij de agrarische topsectoren te werken of kiezen ze liever voor andere onderdelen van de agrosector? Een vraag die in een van de volgende afleveringen wordt behandeld.

S. de Beter m.m.v. M.E. Loen

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten