Picking losers – naar een ander innovatiebeleid (1)

We vinden het vanzelfsprekend, in ieder geval verstandig, dat in een topper in de sport – of in een of andere vorm van kunst, amusement of wetenschap – zich op tijd realiseert dat zijn beste jaren voorbij zijn. Want dan kun je voorkomen dat je door anderen voorbij wordt gestreefd dat het publiek zich eerder jouw latere nederlagen herinnert dan jouw vroegere overwinningen. Op tijd stoppen heeft twee voordelen: er komt ruimte voor nieuwe toppers, en de oude toppers hebben nog voldoende gelegenheid om aanverwante activiteiten aan te pakken, zoals het coachen van jong talent.

Zouden we dit inzicht ook toe kunnen passen in de economische politiek? Er zijn immers bedrijfstakken die aanvankelijk in Nederland heel succesvol waren en na verloop van tijd zijn weggevaagd door buitenlandse concurrentie, of door andere problemen werden getroffen. Denk aan de textiel, de ijzergieterijen,de zware scheepsbouw en de consumenten-elektronica. Voor vrijwel alle bedrijven in deze bedrijfstakken geldt dat ze (in Nederland) te lang zijn doorgegaan met de activiteiten waarmee ze aanvankelijk veel succes hadden. Te lang hebben ze gedacht dat ze nog steeds superieur waren aan buitenlandse concurrenten, en dat de tegenslagen slechts tijdelijk zouden zijn. Met als gevolg dat de klap nog harder aankwam toen deze gedachten op drijfzand bleken te rusten. Met als indirect gevolg dat er nauwelijks nieuwe activiteiten in aanverwante bedrijfstakken ontstonden. En dat is een gemiste kans, zoals ik in latere afleveringen van deze serie zal betogen aan de hand van de Nederlandse landbouw en de agro-industrie.

Waarom blijken bedrijven en overheden onvoldoende in staat om vroegtijdig te signaleren welke economische activiteiten een heroriëntatie nodig hebben, teneinde een koude sanering te voorkomen? Naast de genoemde kortzichtigheid – de problemen worden als tijdelijk en niet als structureel gezien – speelt het politieke systeem hier een belangrijke rol. Zodra een bedrijfstak in zwaar weer terecht komt, weten werkgevers en vakbonden en andere belangenorganisaties elkaar snel te vinden om gezamenlijk in Den Haag of in Brussel te pleiten voor tijdelijke steunverlening, die al heel snel een permanent karakter krijgt. We zien dit verschijnsel ook in veel agrarische bedrijfstakken, zoals recentelijk in de melkveehouderij (waarover ik hier schreef).

Dominantie van macro-economen

Andere redenen waarom meestal te laat duidelijk wordt dat bepaalde bedrijfsmatige activiteiten slechts beperkte toekomstmogelijkheden bezitten in eigen land, hebben in belangrijke mate te maken met de economische wetenschap en haar beoefenaars. Om te beginnen wordt de publieke discussie gedomineerd door macro-economen. De overgrote meerderheid van hen leeft in de veronderstelling dat de economische activiteiten van individuen, ondernemingen en andere organisaties gevoelig zijn voor veranderingen in het loonniveau, de rentestand en andere aanbod-gerelateerde variabelen. Ja serieus, macro-economen denken dat ondernemers meer arbeidskrachten in dienst nemen als de loonkosten niet of minimaal stijgen. Terwijl een ondernemer zal zeggen dat hij pas extra personeel aantrekt wanneer hij meer werk heeft, dus als de vraag naar zijn producten toeneemt. Loonmatiging is natuurlijk welkom vanwege de winstmarge, maar de afzetontwikkeling is doorslaggevend.

Bij investeringen hetzelfde liedje: macro-economen denken echt dat bedrijven meer gaan investeren als de rente daalt of laag is. Ondernemers weten wel beter: je gaat pas investeren in nieuwe machines en fabrieken als je – gezien (jouw verwachtingen over) de veranderingen in de afzet – verwacht dat de bestaande productiecapaciteit op termijn niet meer voldoende is – qua omvang of qua stand van de techniek.

Loon- en renteveranderingen en andere aanbodvariabelen zijn vooral relevant voor rekenaars die meer naar hun modellen kijken dan naar de economische realiteit. Zouden ze dat laatste wél doen, dan blijkt de aanbodkant minder belangrijk te zijn dan de vraagzijde, maar die vraagkant is minder makkelijk in een geavanceerd wiskundig model te stoppen. En wanneer economen moeten kiezen tussen (modelmatig) rekenen of (economische) relevantie, dan kiezen ze volgens Nobelprijswinnaar Coase vrijwel altijd voor de wiskundige modellen – want daar kunnen ze beter mee overweg dan met de complexe economische werkelijkheid, waarin vraagfactoren veel belangrijker zijn.

Voorspellen is heel makkelijk, als het om modellen gaat

Een tweede reden is dat economen niet goed zijn in voorspellen. Natuurlijk denkt u meteen aan de Financiële Crisis, die slechts door een paar economen is voorspeld zoals Dirk Bezemer laat zien.. Economen zullen tegenwerpen dat het hier om een zeer uitzonderlijke gebeurtenis ging. Vanuit de neoklassieke theorie bezien is zo’n opmerking wel te begrijpen want daarin is geen ruimte voor regelmatige crises. De meeste economen laten zich graag in slaap sussen met het sprookje van de evenwichtsprijs, waar geen plaats is voor bubbels en draaikolken. Ook in normale tijden zitten economen er vaak naast met hun voorspellingen, zo betoogt Olivier Blanchard van het IMF

Wat zij wél kunnen: de uitkomsten van hun modellen ‘voorspellen’. Want daar geldt de ceteris paribus ontsnappingsclausule: zus en zo zijn de modeluitkomsten als we alle andere variabelen constant houden. Ook het onderscheid tussen structurele en conjuncturele modellen biedt ruimte voor uitvluchten: bij de structurele modellen laat je de vraagzijde buiten beschouwing – zoals in het CPB-rapport over het arbeidsmarktbeleid – bij de conjuncturele modellen de aanbodzijde.

In het economische wetenschapsdomein kom je daar nog steeds mee weg, terwijl ze in de bètawetenschappen pas tevreden zijn als ze kunnen voorspellen of bijvoorbeeld een brug altijd voldoende sterk is voor het verkeer dat daarover heen moet. In dit opzicht houden economen zich bezig met vrijblijvende Spielerei.

Van Macro naar Meso

Is het dan helemaal onmogelijk om economische voorspellingen te doen? Nee, dan zouden we doorslaan naar het andere uiterste. Er zijn heus wel concepten en methoden die enig houvast geven bij het inschatten van toekomstige ontwikkelingen, maar dan moeten we geen cijfers achter de komma verwachten. Bovendien moeten we ons niet richten op de macro- maar op de meso-economie: het gebied tussen macro- en micro-economie dat betrekking heeft op de ontwikkeling van afzonderlijke bedrijfstakken en de samenhang daartussen.

De macro-econoom veronderstelt dat de bedrijfstakportfolio wordt beïnvloedt door de ontwikkeling van generieke grootheden zoals het (gemiddelde) loonniveau, de kapitaalvoorraad, arbeidsproductiviteit, R&D e.d. In zijn ogen leidt bijvoorbeeld een stijging van de relatieve loonvoet tot een verschuiving van arbeidsintensieve naar kapitaalsintensieve bedrijfstakken. De meso-econoom gaat eerder uit van de omgekeerde relatie: veranderingen in de gemiddelde arbeidsproductiviteit zijn juist het gevolg van de opkomst van hoogproductieve bedrijfstakken en de neergang van sectoren met een lage productiviteit. En deze verschuiving is op haar beurt het resultaat van veranderingen in de vraag.

Neem de uitgaven voor Research & Development (R&D) en andere inputs voor innovatie. Macro-economen gaan er vanuit dat fiscale stimulering daarvan een effectief middel is om de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te vergroten. Volgens meso-economen is het echter beter om sommige bedrijfstakken met weinig R&D af te remmen en veelbelovende bedrijfstakken te stimuleren, inspelend op veranderingen in de vraag..

Vergelijk het met een siertuin: de macro-econoom zal als tuinman de hele tuin meer mest of kalk geven, terwijl de meso-econoom bepaalde planten weghaalt of terug snoeit, en nieuwe bloemen en planten toevoegt, door stekjes of zaad. Een meso-econoom kan alleen een goede tuinman worden als hij voldoende kennis en ervaring heeft, terwijl de macro-econoom zich nauwelijks hoeft te verdiepen in de plantenwereld. Het verschil laat zich raden en is zichtbaar voor iedere tuinliefhebber.

De S-curve

Meso-economen maken veel gebruik van het concept ‘bedrijfstak’. Dat is een verzameling bedrijven die min of meer dezelfde producten maken en zich overwegend op dezelfde afzetmarkten bewegen. Het uitgangspunt van de meso-economie is dat de economie van een land of regio is samengesteld uit een aantal onderling gerelateerde bedrijfstakken die elk een eigen ontwikkeling doormaken. Deze uiteenlopende ontwikkelingen hebben echter wel globaal hetzelfde patroon dat kan worden gevisualiseerd met de S-curve, een logistische functie om verschijnselen met een begrensde exponentiële groei te beschrijven.De curve begint met de introductie van een nieuw product, bijvoorbeeld GSM-apparaten zoals de Nokia (figuur 1). Deze noviteit wordt eerst opgepikt door een beperkt aantal early adaptors. Wordt het product positief beoordeeld door deze voorlopers, dan volgt de grote meute en stijgt de afzet exponentieel. Op een gegeven moment raakt de markt verzadigd, met name omdat vrijwel iedereen het betreffende product in huis heeft. De afzetgroei zwakt dus af en na verloop van tijd is er alleen vervangingsvraag. Komt er een alternatief product op de markt, zoals de iPhone, dan gaat de afzet snel omlaag. Figuur 2 schetst de productlevenscyclus in algemene termen.

figuur 2

Deze S-curve kun je op verschillende niveaus waarnemen: bij een specifiek product zoals de Nokia of de iPhone, maar ook bij een bepaalde categorie producten, zoals de smartphone. Op een nog hoger niveau heb je over de bedrijfstak van de consumenten ict-apparatuur, die naast smartphones vooral laptops en PC’s omvat. Deze bedrijfstak kent opeenvolgende S-curven, want toen de markt voor PC’s verzadigd raakte, begon de afzetgroei van de laptops, die de laatste jaren lijkt plaats te maken voor tablet, smartphones en phablets.

Gebruiken marktonderzoekers de S-concept om de veranderingen in de vraag te voorspellen, de meso-econoom gaat een stapje verder. Hij onderzoekt tevens hoe onder invloed van afzetveranderingen de bedrijfstakstructuur verandert, dus de wijze waarop de aanbieders zijn georganiseerd. Een nieuwe bedrijfstak begint vaak met een monopoliepositie, omdat één bedrijf een nieuw product heeft ontwikkeld, al of niet beschermd met een patent (figuur 3). Als dit bedrijf succesvol is, komen er kapers op de kust die proberen een graantje mee te pikken op de snelgroeiende markt. Vaak – maar zeker niet altijd – beschikken deze bedrijven over capaciteiten die beter geschikt zijn voor de expansiefase waarin de nieuwe markt inmiddels terecht is gekomen. Ook de aard van het innovatieproces verandert: productinnovaties maken plaats voor procesinnovaties, gericht op het goedkoper produceren van het nieuwe product, meestal in de vorm van massaproductie.

figuur 3

Zelfs op macro-niveau kun je het S-concept gebruiken: naarmate meer bedrijfstakken waarop Nederlandse bedrijven actief zijn in de stagnatiefase zijn beland, zien we onvermijdelijk een stagnatie van de Nederlandse economie. Omgekeerd betekent dit dat de economische groei kan worden aangewakkerd als meer Nederlandse bedrijven nieuwe activiteiten ontwikkelen en zich specialiseren in snelgroeiende producten.

Vier opties in het beleid

In figuur 4 onderscheid ik vier oriëntaties in het meso-beleid, ook wel aangeduid als structuur- of industriebeleid. Gerelateerd aan de vier fasen in de bedrijfstakcyclus gaat om: picking winners (introductiefase); backing winners (groeifase); picking losers (maturity oftewel stabilisatiefase) en backing losers (krimpfase). Verder maak ik onderscheid tussen proactief en reactief beleid. In het laatste geval reageert de overheid op ontwikkelingen in het bedrijfsleven, en dat kunnen zowel negatieve ontwikkelingen (backing losers) als positieve zijn (backing winners). Bij proactief beleid daarentegen probeert de overheid duidelijke maatschappelijke keuzes te maken, in de hoop dat de introductiefase van bepaalde bedrijfstakken snel overgaat in een groeifase (picking winners) of dat de overgang van de stabilisatie- naar de teruggangsfase zonder al te grote maatschappelijke problemen verloopt (picking losers). Hieronder een korte toelichting.

Picking winners heeft als uitgangspunt dat overheid – in samenwerking met het bedrijfsleven – als het ware nieuwe bedrijfstakken uit de grond moet stampen, door bepaalde nieuwe veelbelovende activiteiten te initiëren. Deze vorm van meso-beleid was vooral in de jaren ‘50 tot ‘80 vrij populair, toen kernenergie, micro-elektronica en biotechnologie als bedrijfstakken van de toekomst werden gezien. Een van de problemen was dat sommige innovaties toch niet zo veelbelovend bleken te zijn als aanvankelijk werd ingeschat. Denk aan kernenergie. Een ander probleem was dat vrijwel alle landen min of meer dezelfde toekomstsectoren selecteerde om hun nationale economie op te stoten in de vaart der volkeren. Het laat zich raden dat er een soort ‘innovatieoorlog’ ontstond, zodat sommige landen hun ambitieuze plannen drastisch moesten bijstellen en soms zelfs opgeven.

Ongeveer vanaf de jaren ‘90 krijgt de tweede categorie meer populariteit: backing winners. De centrale gedachte is dat ieder land – ja zelfs iedere regio – specifieke bedrijfstakken heeft die in de internationale concurrentiestrijd excelleren. De overheid moet zich beperken tot het ondersteunen van deze winners, dus de bestaande concurrentievoordelen beter uitbouwen en benutten. Michael Porter geldt als de grote inspirator van deze vorm van meso-beleid, met zijn boek The Competitive Advantages of Nations (1990). Zijn benadering werd in Nederland vooral gepropageerd en toegepast door wijlen Walter Zegveld en Dany Jacobs van TNO.

Overheidsbeleid gericht op bedrijfstakken die zich in de tweede helft van de cyclus bevinden, duid ik aan met picking losers en backing losers. De term ‘losers’ is prikkelend bedoeld, en gebruik ik louter en alleen als contrast met de term ‘winners’ die een uiterst positieve connotatie heeft. Ik wil erop wijzen dat in de volwassenheidsfase de meeste bedrijven behoorlijke winsten boeken want ze plukken de vruchten van de investeringen die ze in eerdere fasen hebben gedaan. Dit geldt soms zelfs voor de neergangsfase, maar dan is tevens duidelijk dat de omzetgroei (voorlopig) ten einde is. Vergelijk het met topsporters die nog grote successen boeken maar de grenzen van hun kunnen hebben bereikt: als ze niet op tijd stoppen, en overschakelen op andere activiteiten, kunnen ze in korte tijd in de achterhoede belanden en als loser worden getypeerd.

De slechte reputatie die het economische structuurbeleid heeft gekregen, geldt vooral voor backing losers. Vraag een wat oudere econoom of ambtenaar waarom hij weinig vertrouwen heeft in structuurbeleid, dikke kans dat hij of zij over het Verolme-concern begint. Dit bedrijf, gespecialiseerd in supertankers, is veel te lang met veel te veel geld in leven gehouden, terwijl al vrij snel duidelijk werd dat Nederland op dit terrein niet kon opboksen tegen de buitenlandse concurrentie. Wie nog even zijn herinnering wil opfrissen, bekijke de aflevering van Andere Tijden over de roemruchte RSV-enquete.

Wat voor een soort structuurbeleid is dat nu eigenlijk, dat zich tooit met de weinig flatteuze benaming picking losers? Meer hierover in de volgende afleveringen, waarin ik onder meer een vergelijking maak met backing winners, toegespitst op de landbouw en voedingsindustrie.

Tevens zal ik daar parallellen trekken met twee andere theoretische benaderingen die op een of andere manier gebruik maken van de S-curve. De eerste is de transitietheorie, die wordt gebruikt om te beschrijven en te verklaren hoe bijvoorbeeld in de energievoorziening de fossiele brandstoffen geleidelijk worden verdrongen door meer duurzame vormen van energieopwekking. Voor een mooi overzicht, toegespitst op de rol van diverse ‘users’ in energietransitie, zie hier.

Van een iets andere orde is de beroemde matrix van de Boston Consulting Group (BCG). In de volgende afleveringen gebruik ik deze op meso-niveau, terwijl zij tot dusver uitsluitend op micro-niveau is toegepast (figuur 5). Namelijk voor het uitstippelen van een portfoliobeleid van een individuele onderneming die haar continuïteit wil waarborgen door een evenwichtige portfolio met vier soorten producten:

  1. Nieuwe producten waarvan nog niet zeker is – vandaar het vraagteken – dat de onderneming daarmee een hoog marktaandeel kan veroveren om te profiteren van de (potentieel) hoge groei op de afzetmarkt.

  2. Ster-producten met een hoog aandeel op een groeiende markt, wat vaak een tijdelijke situatie is, een soort intermezzo tussen een succesvolle introductiefase en een afname van de marktgroei.

  3. De term ‘melkkoe’ wordt gebruikt voor voorheen succesvolle producten (stars) die inmiddels met een afname van de marktgroei worden geconfronteerd.

  4. De laatste fase in de cyclus die een product meestal doormaakt in het portfoliobeleid, wordt aangeduid als ‘dog’, wat in BCG-kringen blijkbaar werd gezien als de dier waar je vroegtijdig afscheid van moet nemen.

Figuur 5

S. de Beter m.m.v. M.E. Loen

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten