Het Sprookje van de Evenwichtsprijs

Functioneert het prijsmechanisme eigenlijk wel? (5)

In de serie over het prijsmechanisme gingen drie afleveringen over de vraagcurve, en een over de aanbodcurve. Waar die twee lijnen elkaar snijden is er evenwicht, zeggen de neoklassieke economen. Het blijkt te mooi om waar te zijn.

Misschien is het ons oerverlangen naar harmonie en evenwicht. Misschien bevat ons onderbewuste – waar zoveel beslissingen, oordelen en zienswijzen worden ‘geboren’ – nog sterke herinneringen aan vroegere tijden toen geschillen nog met gekruiste degens werden uitgevochten. Hoe dan ook, een econoom kan altijd goede sier maken met een grafiek waar vraag- en aanbodcurve elkaar snijden. En het is daarom niet zo vreemd dat zo’n grafiek een prominente plaats inneemt in elk inleidend economieleerboek.

Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend en logisch. De vraagcurve loopt van linksboven naar rechtsonder omdat consumenten – en andere kopers – meer exemplaren van een product willen hebben zodra dit goedkoper wordt. En aangezien producenten hun spullen liever bij een hoge prijs verkopen dan bij een lage, ligt het voor de hand dat de aanbodcurve van linksonder naar rechtsboven loopt: meer aanbod bij een hogere prijs. Het kan toch niet anders dat de prijs daalt als het aanbod groter is dan de vraag, en stijgt in de omgekeerde situatie.

De prijsbeweging komt tot rust wanneer vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Er is evenwicht op de markt, zegt dan de neoklassieke econoom. Niet dat er altijd evenwicht is, maar de markt tendeert wel altijd naar een evenwicht. Tijdelijk kunnen er verstoringen optreden in het aanbod (bijvoorbeeld door een misoogst bij landbouwproducten) of in de vraag (een invloedrijke voedselexpert waarschuwt tegen een bepaald levensmiddel). Maar uiteindelijk ontstaat er altijd een nieuw evenwicht tussen vraag en aanbod.

Schijnzekerheden

Het is te mooi om waar te zijn, zegt de scepticus bij dit soort happy end verhalen. Het probleem is eerder: het is altijd waar. In de wetenschap spreek je dan van een niet-falsifieerbare uitspraak. Het is namelijk een loze bewering om te zeggen dat de markt altijd naar een evenwicht tendeert. Zij lijkt op de bewering dat het binnenkort weer gaat regenen. Iedere meteoroloog die de kwalificatie ‘binnenkort’ niet specificeert, wordt uitgelachen en niet serieus genomen. Economen en financiële analisten daarentegen echter ongestraft voorspellingen doen die ooit uitkomen – als je maar lang genoeg wacht. Maar zegt Keynes: “on the long run we’re all dead.”

Ondertussen worden scholieren en studenten die het vak economie willen of moeten kiezen, opgezadeld met allerlei definities en sommetjes die zijn gebaseerd op deze ideaaltypische vraag- en aanbodgrafiek. Bijvoorbeeld met het definiëren en berekenen van de prijselasticiteit van de vraag of van het aanbod. Of van het consumenten- en producentensurplus. Ik zeg niet dat de prijselasticiteit een onzinnig begrip is – het surplus overigens wel, maar dat is voer voor een ander essay – maar je hebt geen differentiaalberekeningen nodig om te weten dat (de meeste) consumenten of producenten bij bepaalde producten extreem gevoelig (kunnen) zijn voor prijsveranderingen, en bij andere juist ongevoelig. Het berekenen van de prijselasticiteit geeft scholieren en studenten teveel schijnzekerheid, terwijl (voorbereidend) wetenschappelijk onderwijs juist erop gericht zou moeten zijn om schijnzekerheden en valse voorspellingen te leren ontmaskeren.

En ondertussen staan de academische economen nog steeds met lege handen wanneer er weer een huizenbubbel ontstaat, zoals nu in de Noordelijke Randstad. En wanneer na het verdwijnen van het melkquotum de melkprijs als een draaikolk naar beneden gaat, zoals ik in de vorige aflevering beschrijf.

Een matrix van mogelijkheden

Neoklassieke economen gaan er automatisch vanuit dat het verband tussen de prijs (p) en de hoeveelheid (q) altijd negatief is bij de vraag, en altijd positief bij het aanbod: situatie A in de matrix hieronder, die overeen komt met de grafiek hierboven. Maar in principe zijn er ook andere mogelijkheden.

Situatie B betekent dat zowel de vraag- als de aanbodcurve van linksonder naar rechtsboven gaan, dus min of meer evenwijdig aan elkaar. Volgens de logica van de grafiek kan er dan geen evenwicht op de markt ontstaan. Er is sprake van een ‘bubbel’, de situatie waarin de prijzen voortdurend stijgen.

Situatie C, waar beide lijnen van linksboven naar rechtsonder lopen, noem ik een draaikolk omdat – zoals na de afschaffing van het melkquotum – de prijzen voortdurend naar beneden gaan, tot de overheid (of een ander externe partij) maatregelen neemt om de prijsval te stoppen.

In situatie D daarentegen zullen vraag- en aanbodcurve elkaar wél kruisen, als een soort spiegelbeeld van situatie A. Maar het is natuurlijk onzinnig om te beweren dat de markt in situatie D naar een evenwicht tendeert.

Kortom, de grafiek hierboven lijkt logisch, vanzelfsprekend en universeel, maar schijn bedriegt. In drie van de vier mogelijke situaties ontstaat er juist géén evenwicht.

Irrationeel gedrag?

In de vorige afleveringen van de serie over het prijsmechanisme, zie vooral hier, laat ik zien dat situatie B steeds vaker lijkt voor te komen in de westerse wereld: bij veel producten wordt juist méér gekocht als de prijs gaat stijgen of op een hoger prijsniveau wordt geïntroduceerd, de zogeheten Veblen-producten. Ook zien we steeds meer bubbels. Niet alleen op de huizenmarkt of op andere markten voor onroerend goed. Ook op de aandelenmarkt (zoals bij de Internet-bubbel), op de markt voor kunstobjecten, alsmede bij bepaalde artiesten en topsporters. Denk aan de steeds hogere prijs die voetbalclubs moeten betalen voor topvoetballers.

De meeste economen zullen situatie B wijten aan irrationeel gedrag van consumenten. Sinds psycholoog Kahneman de Nobelprijs voor de Economie kreeg, is dat een argument dat je als econoom altijd en overal kunt gebruiken wanneer je verschijnselen aantreft die je met de neoklassieke theorieën niet kunt verklaren. En inmiddels zijn er zoveel biases ‘ontdekt’ (meer dan 150) dat de vraag rest wat er dan nog overblijft dat wél overeenkomt met de neoklassieke uitgangspunten.

Dat situatie A niet voorkomt, kun je volgens een neoklassieke econoom eigenlijk alleen verwachten op consumentenmarkten – waar consumenten de kopers zijn – en niet op producentenmarkten waar zowel de vraag als het aanbod van bedrijven afkomstig is. Situatie C en D zullen dus niet optreden want in tegenstelling tot consumenten zijn ondernemers wél rationeel. Die zullen toch niet zo gek zijn om méér te (willen) verkopen als de prijs daalt, of minder als de prijs stijgt.

De recente ontwikkelingen op de zuivelmarkt, die ik in de vorige blogpost beschrijf, laten echter zien dat een dalende aanbodcurve (meer aanbod bij een dalende prijs) helemaal niet zo vreemd is, en niets te maken heeft met irrationeel gedrag of met speculatie. Dat moderne melkveehouders steeds meer melk gaan produceren bij een lagere prijs kan worden toegeschreven aan de hoogte van de benodigde investeringen, én met het feit deze investeringen heel erg specifiek zijn (= moeilijk alternatief aanwendbaar). De kosten om over te schakelen op andere manieren om een redelijk inkomen te verdienen – economen praten over uittredingsdrempels – zijn tegenwoordig zeer hoog, en worden zelfs hoger naarmate de melkprijs daalt. Vandaar dat de melkprijs in een draaikolk terecht kwam toen het melkquotum werd afgeschaft.

Misverstanden

Neoklassieke economen zullen beweren dat in 99 procent van de markten die we in de praktijk aantreffen, sprake is van situatie A – en zeker “on the long run”. Dit lijkt een empirische uitspraak maar is het niet. Zij kunnen hun bewering niet staven met empirische gegevens, en hun tegenstanders evenmin. Vraag- en aanbodcurven zijn namelijk theoretische constructen, en het is lastig deze empirisch te ‘vertalen’.

“We kunnen toch aan consumenten vragen wat ze zouden kopen bij verschillende prijsniveaus”, zult u wellicht tegenwerpen. Zeker, dat kan maar het levert niets op. Consumenten kunnen wel zeggen wat ze zouden doen in een hypothetische situatie maar dat betekent nog niet dat ze dat gedrag daadwerkelijk vertonen als die situatie werkelijkheid wordt. Ik zeg niet dat mensen notoir onbetrouwbaar zijn of geen zelfkennis hebben, maar wel op het terrein van consumptie, en zeker “on the long run”. De reden is dat consumenten zich niet alleen door de hoogte van de prijs laten leiden maar door tal van andere factoren, en dat gaat grotendeels onbewust.

“De prijs is wel degelijk belangrijk, want als ik het ergens anders goedkoper kan krijgen, dan ga ik dáár mijn inkopen doen”. Dit is echter een hele andere kwestie, en ook een heel andere prijselasticiteit, dan we tot dusver bespraken. Het gaat er hier om in hoeverre de totale vraag verandert onder invloed van prijsveranderingen, en die staat los van de beslissing bij welke aanbieder de spullen worden gekocht. Misschien is dat een andere reden waarom de vraag- en aanbodcurve zo logisch lijkt: we denken dat de totale vraag reageert op prijsverlagingen zoals de meeste consumenten reageren bij prijsverschillen tussen de diverse aanbieders.

Over de regel en de uitzondering

“U gaat toch niet beweren, S. de Beter, dat de prijs helemaal geen rol speelt bij de vraag of bij het aanbod. Als consument stap ik toch over op macaroni of rijst als aardappels enorm in prijs stijgen”. Bij dit soort producten die makkelijk door andere te vervangen zijn, doet het prijsmechanisme zeker haar werk, op bescheiden schaal. Op z’n minst kunnen vijf kanttekeningen worden geplaatst. Om te beginnen kan de afnemende populariteit van bijvoorbeeld tafelaardappelen niet aan de prijsontwikkeling worden toegeschreven, maar aan veranderingen van culturele en culinaire patronen. De vraagcurve is opgeschoven naar linksonder, zeggen de neoklassieke economen dan, maar dat is geen verklaring doch slechts een andere manier om hetzelfde te zeggen. Verder wordt in de meeste behoeften voorzien door een combinatie van producten, zoals tafelaardappelen in combinatie met groenten en vlees(vervangers). Of de combinatie van hard- en software. Gaat de vraag naar auto’s omhoog of omlaag als deze goedkoper worden maar de brandstoffen en het onderhoud duurder?

Ten derde, bij de meeste producten heeft de gemakkelijke substitueerbaarheid vooral betrekking op de vraagzijde en veel minder op de aanbodzijde: aardappelboeren kunnen bij extreem lage prijzen niet overstappen op rijstteelt. Daarnaast geldt zij aan de vraagzijde vooral voor consumenten en veel minder wanneer bedrijven als vrager optreden op de markt: je kunt als voedingsmiddelenfabrikant niet zo gemakkelijk overstappen op andere grondstoffen als jouw producten een bepaald verwachtingspatroon, dus imago, hebben bij de consumenten.

Tot slot blijft onverklaarbaar waarom bedrijven doelbewust het prijsmechanisme uitschakelen door allerlei transacties binnen de onderneming onder te brengen. If a workman moves from department Y to department X, he does not go because of a change in relative prices, but because he is ordered to do so” aldus Ronald Coase (1937: 387). Binnen de onderneming is het prijsmechanisme uitgeschakeld en neemt de ondernemingsleiding de allocatie-beslissingen voor haar rekening; de Onzichtbare hand is vervangen door de Zichtbare Hand. De reden is dat het prijsmechanisme kan leiden tot hoge transactiekosten, terwijl de neoklassieke economen met hun vraag- en aanbodcurven suggereren dat deze kosten niet of nauwelijks van betekenis zijn.

Hoe lang kun je volhouden dat de uitzondering de regel bevestigt?

Niet langer handelen in Haarlemmerolie

Ik weet geen alternatief model dat beter is. We moeten af van theoretische modellen – zoals het neoklassieke marktmodel – die proberen alles te verklaren en juist daarom lege hulzen blijken te zijn. Hoe lang blijven we nog geloven in deze Haarlemmerolie?

Er wordt vaak gezegd dat economen teveel de methoden uit de bètawetenschappen hebben overgenomen door op zoek te gaan naar algemeen geldende wetten. Dat is zeker waar maar aan de andere kant hebben ze juist te weinig naar de bèta’s gekeken. Want die besteden veel meer aandacht aan de empirische condities – niet te verwarren met veronderstellingen – waaronder bepaalde effecten wel of juist niet optreden. Economen zijn nog veel te veel in de ban van de rational choice theory, en moeten overschakelen op de ecological rationality benadering, die als uitgangspunt hanteert dat de rationaliteit van een bepaalde beslissing afhankelijk is van de omstandigheden waarin die beslissing wordt genomen.

Verder zouden economen – in navolging van de bèta’s – meer aandacht moeten besteden aan het ontwerpproces, bijvoorbeeld door markten te construeren die in maatschappelijk opzicht betere uitkomsten opleveren. De bijlage bevat een fragment uit een eerdere blogpost waarin ik een eerste poging doe een markt voor basisbanen te ontwerpen. Een andere blogpost die in dit opzicht relevant is, vindt u hier.

Tot slot wil ik van harte een uiterst lezenswaardig boek aanbevelen dat indirect mijn inspiratiebron was bij deze blogpost; “Why Markets Fail” van John Cassidy. Zeer geschikt voor studenten die op een toegankelijke manier – Cassidy is journalist en blogger – ingewijd willen worden in de fascinerende geschiedenis van het economisch denken.

S. de Beter

BIJLAGE: een markt voor basisbanen

Op deze markt wordt ‘gehandeld’ in basisbanen. Het gaat om een georganiseerde markt die parallel aan maar wel gescheiden van de ‘officiële arbeidsmarkt’ moet gaan functioneren. De aanbieders zijn de mensen die niet aan deze arbeidsmarkt kunnen of willen deelnemen, maar wél willen en kunnen participeren in gemeenschapsprojecten die zij de moeite waard vinden. Aan de vraagzijde staan de mensen die voorstellen hebben ingediend over gemeenschapsprojecten, en andere mensen nodig hebben om die projecten uit te voeren.

Laat ik het zo concreet mogelijk maken. Een zekere Mark heeft een plan ontwikkeld om in wijk Bloemendal tien ‘reukpaadjes’ aan te leggen waar allerlei welriekende planten worden neergezet. Zijn project, met de titel “Ga Bloemendal weer ruiken” (GBWR), en het bijbehorende budget is zojuist goedgekeurd door de wijkraad (waarover straks meer). Mark staat te popelen om het uit te voeren en heeft daar wat ‘hoofdjes en handjes’ bij nodig. Zoals een bepaalde expertise die zowel bij Geert als Jesse voorhanden is.

Elk van deze drie personen heeft alternatieve opties. Mark kan kiezen voor Geert, of juist voor Jesse, maar hij kan ook beiden in dienst nemen voor X aantal dagen. Geert en Jesse hebben elk eveneens alternatieven. Als ze het project van Mark – of Mark zelf – niet zien zitten, kunnen ze hun expertise inzetten voor een project van Emile, of dat van Lodewijk.

Hoe gaat de selectie van gemeenschapsprojecten in haar werk? Ook hier zou je eventueel van een markt kunnen spreken maar er komt geen (financiële) prijs tot stand. Aan de ene kant staan de wijkbewoners die allerlei wensen hebben, en opvattingen over wat het leven in Bloemendal aangenamer maakt. Aan de andere kant van de ‘markt’ heb je mensen zoals Mark – of Emile, of Lodewijk – die concrete plannen hebben ontwikkeld om te voorzien in die plaatselijke behoeften.

Evenals op een echte markt het geval is, kunnen niet alle wensen van alle wijkbewoners worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor de projecten door Mark en zijn concullega’s zijn ingediend, omdat het beschikbare budget voor de wijk Bloemendal te klein is om alle aanvragen te honoreren. Er moeten dus keuzes worden gemaakt, en naar oer-Hollands gebruik wordt het budget verdeeld door de Raad van Wijze Wijkers (RWW).

Het lot bepaalt wie welke wijkbewoners zitting mogen nemen in de RWW, voor een beperkte periode. Het pleidooi van David van Reybrouck om loting in te voeren lijkt mij bij uitstek geschikt voor de selectie van projecten op wijkniveau; je hebt immers geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de wijk. Omdat iedere wijkbewoner dezelfde kansen heeft om in de wijkraad nieuwe stijl terecht te komen, zijn per definitie alle lagen van de wijkbevolking vertegenwoordigd. De leden van de RWW – die à titre personnel optreden – beslissen over de helft van het wijkbudget zodat de geselecteerde projecten snel kunnen starten. Over de andere ingediende projecten vindt een stemming plaats waaraan uitsluitend wijkbewoners mogen meedoen die minimaal twee jaar in de wijk wonen.

Ongetwijfeld zult u hierboven enkele principes van de perfecte markt hebben herkend, zoals:

  1. Vrije toe- en uittreding, bij vragers en bij aanbieders. Zelfs een miljonair kan zich – full- of parttime – beschikbaar stellen voor een basisbaan, maar wel tegen een minimum-uurtarief. En iedereen kan een gemeenschapsproject indienen, om op die manier te profiteren van het beschikbare budget en van gemotiveerde ‘hoofdjes en handjes’ (zie 4.).

  2. Invoering van een garantie-inkomen en van onderwijsvouchers moet garanderen dat die vrije toe- en uittreding gebaseerd is op reële alternatieven; een criterium dat neoklassieke economen meestal vergeten. Zo negeren ze dat talloze mensen tegen een hongerloontje moeten werken omdat ze hun arbeidskracht nergens anders kunnen ‘verhuren’

  3. Geen van de partijen heeft invloed op de prijs en op andere uitkomsten van het marktproces. Dit principe wordt gerealiseerd door te werken met één prijsniveau, namelijk het minimum-uurtarief.

  4. Er zijn financiële en andere prikkels die op algemeen aanvaarde morele principes berusten. Wanneer je als baanloze meedoet aan een gemeenschapsproject krijg je een minimumloon, en dus meer dan het garantie-inkomen dat ongeveer op bijstandsniveau zit. Kies je voor een opleiding, dan teer je in op jouw beschikbare onderwijsrechten.

  5. Tevens is belangrijk dat deze vorm van directe democratie – of mag je deze markt voor basisbanen zo niet noemen? – niet wordt gedwarsboomd door ijdele politici. Het enige waar politici zich mee mogen bemoeien, is het totale bedrag dat per gemeente, provincie of Rijk voor gemeenschapsprojecten ter beschikking worden gesteld, alsmede de ‘verdeelsleutel’. Met dat laatste bedoel ik dat de hoogte van het wijkbudget voor gemeenschapsprojecten gebaseerd kan worden op het aantal bewoners in de wijk of het dorp, maar ook op de samenstelling van de wijkbevolking. Ouderen, mindervaliden uitkeringsgerechtigden, en werknemers met een submodaal inkomen hebben meer belang bij wijkvoorzieningen dan jongeren, yuppen en bovenmodalen, en zouden bijvoorbeeld dubbel geteld kunnen worden.

  6. Tot slot is belangrijk dat er voldoende mogelijkheden zijn voor variatie en experimenten, want die heb je nodig om leerprocessen op gang te brengen zodat de regels van het marktmechanisme steeds beter worden afgestemd op maatschappelijke behoeften.

Voor een uitgebreidere versie, zie hier.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten