Who is afraid of Virginia P.?

Wie denkt dat wij tegenwoordig vrij zijn van taboes, althans in het ruimdenkende Nederland, vergist zich deerlijk. Als er oude verdwijnen, komen er nieuwe voor terug. Zoals het gebruik van pseudoniemen. Het past niet in de tijdgeest van BN-ers en toponderzoekers. En het staat haaks op de nieuwe Intellectuele Code: je krijgt pas erkenning (of een diploma) als je de juiste celebrities kent of citeert.

“Omdat X een expert is, moeten we zijn opmerking wel als een sterk argument opvatten”. Deze uitspraak wordt in het Latijn aangeduid als een argumentum ad verecundiam, in het Engels als arguments from authority. Carl Sagan zegt hierover:One of the great commandments of science is, “Mistrust arguments from authority.” … Too many such arguments have proved too painfully wrong. Authorities must prove their contentions like everybody else.

“We hoeven zijn redenering niet erg serieus te nemen, want Y slaat wel vaker de plank mis”. Ook deze uitspraak, in het Latijn een argumentum ad hominem, beschouwt de argumentatieleer als ondeugdelijk. Want evenals het argumentum ad verecundiam kan de kracht of relevantie van een argument niet worden afgelezen aan de positie of de eigenschappen van de persoon die het argument of de redenering naar voren brengt. Anders gezegd: informatie over de boodschapper zegt in principe niets over zijn boodschap. Een variant: don’t shoot the messenger (Shakespeare).

Klonen

Studenten van tegenwoordig lijken deze en andere fallacies niet meer te kennen. Dat nog maar weinigen Latijn beheersen, is niet de oorzaak. Want het aantal scholieren dat van hun ouders het Gymnasium moeten volgen neemt juist toe, zoals deze cijfers laten zien. De belangrijkste reden is dat een vak als argumentatieleer tegenwoordig bij vrijwel alle studies ontbreekt, behalve bij filosofie en incidenteel bij Nederlands (UvA) en Rechten (RL). Met wat geluk is argumentatieleer een (klein) onderdeel van het vak onderzoeksmethodologie, dat vooral tot statistische trukendoos is gedegradeerd.

De geringe aandacht voor kritische vakken als argumentatieleer of geschiedenis van het vakgebied is niet toevallig. De universiteit lijkt veranderd in een ‘klonenfabriek’, waar zelf kritisch denken als hinderlijk obstakel wordt beschouwd. Kijk maar naar een willekeurige bachelor- of masterscriptie in de gamma-wetenschappen. De literatuurlijst is meestal indrukwekkend want het eerste gebod van het huidige ‘informele universitaire reglement’ luidt dat iedere bewering op een literatuurverwijzing moet zijn gebaseerd. De gemiddelde student neemt geen enkel risico en begint zijn scriptie door achter vrijwel iedere zin een literatuurreferentie te zetten. Zoals een goede kloon betaamt, heeft hij goed gekeken naar de wetenschappelijke artikelen die hij moest doorploegen bij de eerste verkenning van zijn scriptie-onderwerp.

De Faculteit Managementwetenschappen van de Open Universiteit maakt expliciet wat andere gamma-faculteiten de facto eisen. Het beoordelingsformulier voor de masterscriptie stelt als algemene eis dat deze “minimaal 20 wetenschappelijke publicaties” gebruikt. Heeft een student bijvoorbeeld maar vijf wetenschappelijke publicaties nodig om tot een goede fundering van zijn onderzoek te komen, omdat hij een goede selectie van de relevante literatuur heeft gemaakt, dan moet hij dus nog 15 publicaties erbij sprokkelen om te vermijden dat hij in de problemen komt, en zijn begeleider erbij. Eigenlijk zou hij die 15 publicaties, die dus in feite voor hem niet relevant zijn, ook nog moeten lezen, maar gelukkig heeft de begeleider of beoordelaar nooit voldoende tijd om dat te controleren.

Doorgestoken kaart?

Vooral verwijzen naar toptijdschriften, zo luidt het tweede gebod in de kloonfabriek die Universiteit heet. Ieder zichzelf respecterende studierichting, onderzoeksgroep, hoogleraar of docent heeft zo zijn eigen lijstje van favoriete tijdschriften, die natuurlijk toptijdschriften worden genoemd. In dit tijdperk van allerhande ranglijstjes zijn er allerlei organisaties die elk hun eigen criteria ontwikkelen zodat je al gauw het etiket ‘top’ kunt gebruiken voor je eigen collectie. Voorwaarde is wel dat je het tijdschrift met anonieme reviewers werkt, waarbij het double blind principe als norm geldt. Dit principe wordt vooral bij medisch onderzoek toegepast: de patient weet niet of hij het echte medicijn krijgt of het placebo, en degene die het medicijn toedient weet dat ook niet.

Het review-systeem kent een vergelijkbaar principe. Degene die een artikel inzendt krijgt twee of meer anonieme reviewers toegewezen. Ook de reviewer weet officieel niet wie het artikel heeft geschreven. Dit lijkt allemaal pico bello maar het systeem is niet bepaald waterdicht. De redactie die op zoek moet gaan naar reviewers weet natuurlijk wel wie het artikel heeft ingezonden. Met name als het onderwerp enigszins buiten het expertisegebied van de redactie ligt, krijgen de auteurs de gelegenheid om enkele geschikte reviewers te noemen. Het gevolg laat zich raden: als auteur geef je jouw vriendjes op en dat laat je die vriendjes natuurlijk ook weten.

Ik herinner mij de eerste keer dat ik mij liet verleiden om als reviewer op te treden. De betreffende auteur wist dat ik de reviewer was want hij had zelf mij als geschikte kandidaat opgegeven bij de redactie. Omdat ik dat wist, en hem niet wilde beschadigen met mijn stevige kritiek, heb ik hem mijn eerste beoordeling gestuurd, zodat hij in ieder geval de gelegenheid had om mij te wijzen op misverstanden en onterechte conclusies. Mijn oordeel werd uiteindelijk een stuk milder, zoals u zich kan voorstellen.

Ook op andere manieren zijn er volop mogelijkheden om de anonimiteit van het review-systeem te omzeilen. De kortste klap: ga als reviewer even googlen met een typerende zin uit het manuscript. Binnen de kortste keren heb je een conceptversie te pakken die al op internet circuleert, met naam en toenaam. Als deze truuk niet lukt, kijk dan even naar de literatuurlijst. Bevat deze teveel collega’s die je niet erg hoog hebt zitten, of mis je juist jouw vakvriendjes, dan is je enige taak om andere argumenten te vinden om het artikel af te wijzen.

Iedereen een pseudoniem?

Stel, u bent redacteur van een toptijdschrift, bijvoorbeeld bij Social Research (om mijn betoog wat breder te trekken dan economische tijdschriften). Twee vooraanstaande wetenschappers van topuniversiteiten, bijvoorbeeld van Harvard en Oxford, bieden een artikel aan. Stel, u heeft een kritische geest en vindt dat hun stuk nogal rammelt. Maar u kent beide heren (of dames) goed genoeg om te weten dat zij zich heel wat vinden. Het is toch niet voor niets dat zij aan een topuniversiteit zijn verbonden! Daarnaast hebben zij ook enkele prestigieuze prijzen gewonnen en scoren zij hoog op de publicatie- en citatie-indexen. Van zulke lieden wil je graag een artikel want dat straalt uit op jouw tijdschrift, en op jou als redacteur. Omdat ze bovendien nogal lange tenen hebben, ga je geen reviewers inschakelen die hun stuk gaan afkraken. Dus kom je uit bij ‘mindere goden’ die niet zo moeilijk doen. Doen ze dat toch, dan is het bij de meesten voldoende om hen op hun plek te zetten: “want je begrijpt toch wel, amice ……………… En je wilt je plekje als reviewer toch niet kwijt?!”.

De trouwe lezers van mijn blog snappen dat ik het artikel van Flyvjberg en Sunstein als voorbeeld heb gebruikt. Zo moet het ongeveer zijn gegaan op de burelen van Social Research, of in de hoofden van de betreffende redacteuren. Anders kan ik niet verklaren dat ze zo’n ondermaats artikel hebben gepubliceerd, en zelfs zonder te eisen dat ze hun database ter inzage stellen aan de lezers.

Eigenlijk zou dus iedere (sociale) wetenschapper anoniem of onder pseudoniem moeten publiceren. Al begrijp ik ook wel dat een pseudoniem tegenwoordig moeilijk geheim kan blijven

Maakt een pseudoniem verschil?

Het is een speciale vorm van dialectiek dat buiten de wetenschap juist iedere vorm van anonimiteit wordt uitgebannen. Dan heb ik het niet over artiestennamen, zoals Bob Dylan, want iedereen kan achterhalen dat hij als Robert Zimmerman is geboren. Of over Nederlandse musici als Vader Abraham en Junkie XL.

Er is eigenlijk maar één domein waar het gebruik van pseudoniemen nog usance is, namelijk de literatuur. Althans onder beginnende schrijvers, want eenmaal bekend zul je toch je ware naam moeten onthullen om uitgenodigd te kunnen worden bij DWDD of een andere talkshow. Is Banksy buiten de literatuur nog de enige succesvolle artiest die dapper volhoudt met zijn pseudoniem? Wel knap trouwens voor een straatkunstenaar.

Wat velen niet weten, bij The Economist worden nog steeds columns geschreven onder pseudoniemen als ‘Bagehot’, ‘Lexington’ en ‘Schumpeter’. En bij hun artikelen wordt vrijwel nooit een naam vermeld. “The Economist is 160+ years old, and back then anonymity was the norm. Then the industry went on a slightly disturbing path toward writer celebrity, and we simply chose not to participate”. Voor deze en andere redenen die de redactie aanvoert, zie hier. In Nederland heeft de columnist – ja zelfs de gewone journalist – tegenwoordig de opdracht om uit te groeien tot een BN-er, want dat zorgt voor de broodnodige abonnees. Denken ze.

Met weemoed denk ik terug aan de tijd dat je in Nederland nog een column kon lezen zonder geconfronteerd te worden met de kop van de columnist.

Dat een pseudoniem op een andere manier verschil maakt, heb ik het afgelopen jaar zelf mogen ondervinden. Regelmatig stuur ik een van mijn blog-essays naar collega’s waarvan ik vermoed dat zij belangstelling hebben voor de onderwerpen die ik daar behandel. De reacties zijn zeer uiteenlopend, niet zozeer over de inhoud maar over mijn gebruik van een pseudoniem. Sommigen vinden het geen enkel probleem, en antwoorden gewoon van mens tot mens. De andere helft – opvallend: vaak de meer bekende economen – reageert geprikkeld: “ik wil weten wie u bent alvorens ik reageer”. Want, zo schrijft iemand, “wetenschap is mensenwerk”. Een vreemd argument als je beseft dat de wetenschap juist met anonieme reviewers werkt.

Het wordt vooral hilarisch als de ander pas later ontdekt dat S. de Beter een pseudoniem is. Aanvankelijk is de reactie bijna hartelijk, al heeft hij de nodige kritiek – deels ook terecht – op mijn verhandeling. Hij verkeert blijkbaar in de veronderstelling dat ik een nog onbekende vakbroeder ben. Maar zodra hij mijn pseudoniem ontdekt, slaat hij om als een blad aan de boom. Ondertekent hij eerst met zijn voornaam, daarna sluit hij af met Prof. dr.

Ik kan u het gebruik van een pseudoniem ten zeerste aanraden: je weet meteen wie van je collega’s ruimdenkend of bekrompen is. Bovendien zijn de reacties van de laatste categorie vaak een bron van vermaak, gevolgd door enige treurnis.

Bang voor wat?

Door de media worden ingezonden stukken consequent geweigerd als je een pseudoniem hanteert, zelfs als je meldt dat de redactie wél mijn echte naam mag weten. Om deze hypothese te toetsen, stuur ik af en toe een stuk op waar ik redelijk tevreden over ben én dat actueel is. Dat laatste is tegenwoordig een basisvoorwaarde: alleen de Waan Van De Dag (WVDD) verdient aandacht, de rest is passé want de wereld draait door.

Tot dusver is mijn hypothese steeds bevestigd. Dat geldt niet alleen voor de kwaliteitskranten maar ook voor moderne digitale kranten als De Correspondent, Foodlog en Follow the Money (FTM). Alleen FTM heeft het bijna een jaar aangedurfd om mijn stukken te publiceren, tot ook zij bezweek onder de druk van …………

Ja, van wie en wat eigenlijk? Waarom durft een redactie tegenwoordig haar hoofd niet boven het maaiveld uit te steken, door schrijfsels te publiceren van iemand die zij wél kennen maar het lezerspubliek alleen onder pseudoniem? Waarom moet The Economist nog steeds de uitzondering op de regel zijn?

Dat er sprake is van een maatschappelijk taboe, blijkt meestal uit de argumentatie: zij ontbreekt of is tegenstrijdig. Zo geldt het verbod op pseudoniemen niet voor de lezers die willen reageren op artikelen in De Correspondent, FTM en de oude kranten. Deze hebben alle gelegenheid om vuil te spuien onder een of andere schuilnaam. En dat zijn mensen die de redactie niet kent, en ook niet kan corrigeren; wat FTM bij mij wél kon doen. Het enige wat zij kan doen is de reaguurders digitaal blokkeren, al of niet na een waarschuwing.

In dit opzicht is Foodlog consequenter. Ook dit portal accepteert geen pseudoniem bij de auteurs maar dat geldt tevens voor de mensen die willen reageren. Zij moeten eveneens een fotootje inleveren als zij zich registreren.

Andere tijden?

Me Judice is naar eigen zeggen “een gerenommeerd online forum voor het onafhankelijk denken op het gebied van economie en economisch beleid”. Toen ik een van mijn kritische columns instuurde, kreeg ik als antwoord dat zij een pseudoniem niet accepteren, en geen stukken publiceren die eerder elders zijn verschenen. Het laatste is aantoonbaar niet waar. Het eerste werd verder niet toegelicht. In hun ogen had de Max Havelaar blijkbaar pas gepubliceerd mogen worden als Eduard Douwes Dekker zijn eigen naam had gebruikt en niet het pseudoniem Multatuli. Weten ze dan niet waarom hij een schuilnaam moest gebruiken?

Ongetwijfeld zijn de redactieleden van Me Judice voorstander van vrijhandel. Zouden zij weten dat de eerste pleitbezorgers van vrijhandel hun schrijfsels niet onder eigen naam publiceerden? Ik doel bijvoorbeeld op Henry Martyn, die anoniem publiceerde. Hij was in 1701 de eerste die de voordelen van vrijhandel aantoonde; dus nog vóór David Ricardo die we allemaal wél kennen als pleitbezorger van internationale arbeidsverdeling. En op Thomas Malthus die An Essay on the Principles of Population schreef onder het pseudoniem Joshua Johnson.

In de hoogtijdagen van het mercantilisme was het riskant om te wijzen op de voordelen van vrijhandel. Want een pleidooi voor internationale arbeidsverdeling druiste in tegen de belangen van de heersende klasse, die – zoals immer geldt – zich graag liet bedienen door de toenmalige geleerden om hun comfortabele positie te legitimeren.

Things have changed, zingt Bob Dylan. De voorstanders van vrijhandel – en andere neoklassieke dogma’s – zitten nu in de positie waar de mercantilisten vroeger zaten: in het centrum van de macht. Is dat de reden dat ze willen weten wie aan hun poorten komt rammelen? Zodat ze geen steekhoudende argumenten hoeven te leveren maar zich kunnen bedienen van een argumentum ad hominem of een argumentum ad verecundiam.

S. de Beter

Share

3 Reacties.

  1. Voor huis-, tuin- en keukengebruik vind ik het argumenten ad verecundiam wel gemakkelijk. Je bent onwetend op een bepaald gebied en je zoekt de waarheid bij een erkende autoriteit, liever dan bij een charlatan. Het is op school dan ook nuttig om het onderscheid tussen autoriteiten en charlatans aan te leren. Natuurlijk moet je dan ook aanleren dat een gezagsargument in laatste instantie geen echte bewijskracht heeft.
    (Overigens is argumentum ad hominem de correcte benaming, en nog beter: argumentum ad personam).

    • Ik wil toch nog even uitgebreider reageren op uw commentaar. Ik deel uw mening, vooral dat jongeren (en ouderen als het systeem van onderwijsvouchers zou worden ingevoerd http://eco-simpel.nl/2017/02/16/ook-onderste-helft-nederland-recht-op-eigen-onderwijs/) op school zouden moeten leren hoe ze onderscheid kunnen maken tussen deskundigen en charlatans. Het probleem is immers dat ze dat nu juist NIET leren. Hebben de sociale wetenschappen op dit punt niets te bieden? Welke vuistregels zijn het meest geschikt om (snel) dit onderscheid te kunnen maken? Deze vraag lijkt mij relevanter dan: hoe maak ik een boeiende presentatie, want dat leren ze buiten school spelenderwijs.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten