Hoe de Hiding Hand van Hirschman weer te voorschijn komt

Vrijwel iedereen kent de Onzichtbare Hand van Adam Smith. Minder bekend is de Zichtbare Hand van Alfred D. Chandler Jr. Vrijwel onbekend is de Hiding Hand van Albert O. Hirschman. Juist dankzij een kritisch artikel van Bent Flyvbjerg en Cass Sunstein, die de plank flink mis slaan, zou de Hiding Hand weleens opnieuw furore kunnen maken. Hun oplossing, om betere cost-benefit-analyses te maken, kan als een Hopeless Hand worden betiteld, zoals recente ontwikkelingen op het gebied van planning duidelijk maken.

Wie het boeiende boek van Jeremy Adelman over Hirschman heeft gelezen (voor een mooie bespreking, zie hier), kan zich voorstellen dat Hirschman zich zeer vermaakt zou hebben met de voorletters van Flyvbjerg en Sunstein (F&S). Want het kan toch geen toeval zijn dat deze critici genoegen moeten nemen met de tweede en derde plaats in het alfabet, terwijl hij samen met twee andere grootheden de eerste plaats bezet. Zoals F&S over hem schrijven: “He loved serendipity”.

Even een korte toelichting op de eerste twee varianten van de ‘Drie-eenheid van de Heilige Hand’. Zonder dat maar één planner er de hand in heeft, bewerkstelligt het prijsmechanisme volgens Adam Smith dat ontelbare individuele beslissingen op elkaar worden afgestemd. Als bijvoorbeeld de vraag naar bepaalde grondstof of halffabricaat toeneemt, gaat de prijs stijgen zodat enerzijds sommige afnemers op alternatieven overstappen en anderzijds nieuwe aanbieders op de markt verschijnen. Beide reacties hebben tot gevolg dat na verloop van tijd de prijs weer gaat dalen. Deze Onzichtbare Hand functioneert volgens Adam Smith het best wanneer iedereen zijn eigen belang nastreeft: “It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker that we expect our dinner, but from their regard to their own interest”. Wat neo-liberalen graag vergeten: hij vond het marktmechanisme niet zo geschikt voor het bankwezen en vergelijkbare maatschappelijke sectoren.

In zijn boek “The Visible Hand: The Managerial Revolution in American Business” (1977) stelt Chandler dat de wereld van Adam Smith grotendeels is verdwenen. In de economie van de 20e eeuw spelen niet langer de slager en andere kleine ondernemers de hoofdrol , maar grote ondernemingen als General Motors, Du Pont, Standard Oil en Sears, Roebuck. Deze giganten van de 20e eeuw komen overigens niet meer voor in de huidige lijstjes van grootste ondernemingen.

De beroemde uitspraak van Ronald Coase, de ‘uitvinder’ van het begrip transactiekosten, vat het verschil tussen de Onzichtbare en de Zichtbare Hand goed samen: “If a workman moves from department Y to department X, he does not go because of a change in relative prices, but because he is ordered to do so” (1937: 387). Binnen de onderneming is het prijsmechanisme uitgeschakeld en neemt de ondernemingsleiding de allocatie-beslissingen voor haar rekening; de Onzichtbare hand is vervangen door de Zichtbare Hand.

Tien jaar eerder kwam Hirschman met zijn essayThe Principle of the Hiding Hand”. Op basis van zijn onderzoek naar de gang van zaken bij elf grootschalige infrastructurele projecten in diverse ontwikelingslanden, constateert hij het volgende mechanisme. Bij dit soort projecten worden meestal de investeringskosten te laag en de opbrengsten te hoog ingeschat. Dat komt pas aan het licht zodra het project is voltooid en wordt geëxploiteerd. Vervolgens worden allerlei creatieve oplossingen bedacht die uiteindelijk tot een beter resultaat opleveren dan in de oorspronkelijke opzet was voorzien. Het is volgens Hirschmann maar goed dat beslissers te optimistisch zijn want anders zouden dit soort projecten geen doorgang hebben gevonden, terwijl nu de creativiteit van de betrokken mensen – die juist meestal wordt onderschat, vooral in ontwikkelingslanden – tot volle bloei komt.

Het meest uitvoerig illustreert hij dit mechanisme aan de hand van de Karnaphuli Paper Mills in het huidige Bangladesh, toen Oost-Pakistan. Deze fabriek was gebouwd om gebruik te maken de uitgebreide bamboebossen van Chittagong Hill Tracts. Toen de fabriek net begon te draaien, sloeg een ziekte toe die – zoals nader bleek – eens in de 50 jaar alle bamboe in de regio aantast. Daardoor kwam de fabriek zonder grondstoffen te zitten. Directie en werknemers van de fabriek begonnen snel naar alternatieven te zoeken, zo vernam Hirschman die voor de Wereldbank het project evalueerde. Ze verzamelden bamboe uit de andere regio’s in Bangladesh, gebruikten andere houtsoorten die ook geschikt bleken te zijn, en startten een onderzoeksproject om snelgroeiend bamboe te telen. Kortom, de nieuwe supply chain was meer divers en daardoor minder kwetsbaar dan in de oorspronkelijke opzet.

De Hiding Hand getoetst

In 2015, drie jaar na de dood van Hirschman, doen F&S verslag van hun onderzoek naar infrastructurele projecten in de periode 1952-2011. Hun sample is wel wat groter dan de 11 cases van Hirschman. Bij 327 projecten hebben ze informatie over zowel de investeringskosten als de opbrengsten. Bij 1603 projecten hebben ze alleen data over de kosten, bij 786 alleen over de opbrengsten. In totaal ruim twee duizend projecten, zodat ze allerlei statistische testen kunnen toepassen, en dus een hoge statistische significantie kunnen scoren.

Bij alle projectcategorieën die zij onderscheiden – van wegen tot electriciteitscentrales – constateren zij een ‘cost overrun’: gemiddeld zijn de investeringskosten 40 procent hoger dan van tevoren was ingeschat. De opbrengsten in het eerste jaar na voltooiing, de ‘benefit overrun’, zijn gemiddeld 80 tot 90 procent van de oorspronkelijke schattingen. Bij 78 procent van de projecten in de kleine sample (N=327) is de benefit overrun kleiner dan de cost overrun. Tot dusver geen schokkend nieuws, ook Hirschman zou van deze uitkomsten niet verbaasd hebben gestaan. We hebben Kahneman en Tversky, de ‘uitvinders’ van de planning fallacy, niet nodig om te weten dat de meeste mensen in hun ramingen eerder optimistisch zijn dan pessimistisch, vooral als ze iets graag willen. Wel schokkend is de interpretatie van F&S: bij de overgrote meerderheid van de projecten is in hun ogen sprake van een Malevolent Hiding Hand, en niet van een Benevolent Hiding Hand zoals Hirschman beweerde.

Top’ is geen garantie

Ik heb hun artikel met stijgende verbazing gelezen. F&S zijn hoogleraar aan twee topuniversiteiten, resp. Oxford en Harvard, en Social Research wordt als een toptijdschrift beschouwd. Blijkbaar zijn dat geen voldoende garanties voor goed onderzoek.

Om te beginnen beschuldigen zij Hirschman ten onrechte van ‘sampling on the dependent variabele’. Waarmee ze bedoelen dat hij zich heeft beperkt tot de gevallen waarin de Hiding Hand goed heeft uitgepakt, en heeft nagelaten te zoeken naar vergelijkbare projecten waar dat niet het geval is. Blijkbaar vergeten ze hier het verschil tussen explorerend en toetsend onderzoek. De studie van Hirschman valt niet onder de tweede categorie – waar ‘sampling on the dependent variabele’ inderdaad een doodzonde is – maar onder de eerste, want hij wilde een nieuw principe over het voetlicht brengen.

Wél hadden zij Hirschman kunnen verwijten dat hij zelf geen antwoord geeft op de kernvraag: “What, exactly, is Hirschman’s hypothesis, and how do we know that is true” (p. 4). Want F&S komen na veel overbodige omzwervingen aanzetten met het volgende antwoord: “If the basic idea of the Benevolent Hiding Hand is correct, average benefit overrun would be larger than average cost overrun” (p.7). Dat lijkt mij echter volkomen in strijd met het principe dat Hirschman naar voren bracht. Integendeel, juist omdat de feitelijke gang van zaken negatiever uitpakt dan de oorspronkelijke schattingen – wat F&S betitelen als de Malevolent Hiding Hand – worden de betrokkenen volgens Hirschman gedwongen hun creativiteit aan te spreken, wat uiteindelijk goed uitpakt.

Een betere aanpak

Een betere manier om het principe van de Hiding Hand te toetsen, lijkt mij de volgende procedure. Begin met een onderscheid te maken tussen projecten met en zonder cost overrun. Bij de laatste categorie ontbreekt volgens Hirschman de prikkel om op zoek te gaan naar aanpassingen van het oorspronkelijke business model, zoals we dat tegenwoordig noemen. Alleen bij de eerste categorie moet eventueel naar alternatieve oplossingen worden gezocht.

Dit geldt nog sterker als niet alleen de kostenramingen maar ook de opbrengst-ramingen veel te optimistisch blijken uit te vallen. Zoals ik Hirschman lees, kun je dan verwachten dat opbrengsten in de latere jaren veel positiever uitvallen dan in de eerste. Denk aan het eerdere voorbeeld van de Karnaphuli Paper Mills. Door het wegvallen van de geplande grondstof waren er in de eerste zeven jaren geen opbrengsten en louter (vaste) kosten. Pas vele jaren later was er perspectief op een rendabele exploitatie. Een toetsbare hypothese zou derhalve als volgt kunnen luiden: hoe negatiever de benefit overrun in de eerste jaren, hoe groter de benefit overrun in de latere jaren (of hoe groter het verschil tussen deze twee tijdvakken).

Hier wreekt zich de keuze van F&S om te volstaan met de benefit overrun in het eerste jaar, dus het verschil tussen de opbrengstramingen op het moment dat de beslissing werd genomen en de opbrengsten in het eerste jaar dat de exploitatie is gestart. Zij verdedigen hun keuze allereerst door te verwijzen naar “international convention” waarin het blijkbaar gebruikelijk is “to measure cost/difficulties by the proxy of construction costs and benefit/problem-solving abilities by the proxy of first-year benefits” (p.7). Dit is al erg genoeg, behalve voor economen die vinden dat je rustig allerlei proxies kunt gebruiken zonder te controleren of die proxies nog steeds een geschikte indicator zijn. Nog erger is dat zij niet lijken te beseffen dat deze keuze volledig indruist tegen de gedachtegang van Hirschman. Ze verwijzen naar een onderzoek van Flyvbjerg (2013), waaruit zou blijken dat “projects with lower-than-estimated benefits during the first year of operations also tend to have lower-than-estimated benefits in later years” (p. 766-767). Het is echter onduidelijk op welke (sub)sample deze uitspraak is gebaseerd, en welke periode als ‘later years’ is genomen.

Korte versus lange termijn

De vraag rijst waarom ze deze informatie niet hebben gebruikt om twee groepen te onderscheiden: de projecten met en zonder een (groot) positief verschil in opbrengsten tussen de eerste en de latere jaren, dus tussen de korte en de lange termijn. Ik vermoed dat Hirschman bij de eerste groep een (grotere) cost en/of benefit overrun zou verwachten. Immers, juist de aanwezigheid van een cost en/of benefit overrun in de eerste jaren geeft volgens Hirschman een prikkel om naar nieuwe wegen te zoeken om de benefits omhoog te schroeven of de exploitatiekosten te verlagen.

Het zou mij niet verbazen als zou blijken dat F&S hebben besloten om de opbrengsten te beperken tot het eerste jaar teneinde de sample zo groot mogelijk te maken en dus significante resultaten te boeken. We kunnen dat echter niet verifiëren omdat F&S hebben nagelaten hun database online te zetten.

F&S schrijven dat Hirschman niet zo zwaar tilde aan al te optimistische inschattingen van kosten en opbrengsten; de Hiding Hand zou er immers voor zorgen dat na verloop van tijd de resultaten blijken mee te vallen. Aan het eind van zijn essay stelt hij echter uitdrukkelijk dat teveel optimisme alleen is toegestaan voor ontwikkelingslanden en regio’s die zich in een overgangsfase bevinden. In die fase is het ‘alles of niets’. Blijven bepaalde infrastructurele projecten achterwege, dan komt er niets op gang. Dan is het beter – zo lees ik zijn analyse – om optimistische ramingen tijdelijk voor lief te nemen omdat alleen op die manier er tenminste iets gebeurt, en de broodnodige creativiteit wordt aangeboord. En hij voegt er aan toe: “ it is much to be desired that this transitional phase be short.”

The Hopeless Hand

De aanbeveling van F&S is vreemd en naief. Om te voorkomen dat de Malevolent Hiding Hand toeslaat – dus dat de cost overrun groter is dan de benefit overrun (in het eerste exploitatiejaar) – moeten “unbiased analysis of cost and benefits” worden toegepast. Ja, dank je de koekoek. Het probleem is nu juist dat die “unbiased analysis” alleen vooraf en op papier mogelijk is; in de praktijk blijkt achteraf dat er toch weer een bias geconstateerd kan worden. Anders gezegd: je kunt wel proberen om de ene bias te elimineren maar dan duikt er wel weer een andere op.

Dat doet mij denken aan de gang van zaken bij de FBI die ik in mijn vorige blog-essay beschrijf. Het eerste project om een Virtual Case Filer (VCF) te bouwen heeft een cost overrun van 70 procent. Van een benefit overrun kunnen we moeilijk spreken want het systeem heeft nooit gedraaid.

Het nieuwe project, Sentinel, kost volgens de ramingen meer dan 2,5 keer zoveel als het VCF-project, maar ook nu dreigt een cost overrun. En het project schiet niet op: “New defects in the software were being discovered faster dan old ones were being fixed”. We kunnen hier spreken van het principe van de Hopeless Hand: naarmate een project meer in detail wordt voorbereid (met de Waterval-methode of met een kosten-baten analyse), hoe groter de kans op mislukken. In de woorden van Bob Dylan: “You can’t win with a losing hand”. Zou het kunnen zijn dat dit principe van toepassing was bij de meeste projecten die volgens F&S gebukt gingen onder de Malevolent Hiding Hand?

In dit licht gezien kan Scrum worden opgevat als de Benevolent Hiding Hand in het planningsproces. Zoals Hirschman zag hoeveel creativiteit kan vrijkomen als de nood aan de man komt, zo laat Scrum zien dat de kosten veel lager en de opbrengsten veel hoger worden wanneer het planningsproces als uitgangspunt neemt dat “every project involves discovery of problems and bursts of inspiration”.

Misschien kan een masterstudent of promovendus eens uitzoeken in hoeverre de toepassing van Scrum en ander Agile benaderingen inderdaad tot minder Malevolent Hiding Hand leidt.

S. de Beter

P.S. Nadat ik deze blog-essay had afgerond en geplaatst, kwam ik het volgende artikeltje tegen  https://muse.jhu.edu/article/649543 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten