Economische wetten en praktische bezwaren tussen droom en daad?

Deze serie over basisinkomen en zijn varianten is een verslag van mijn expeditie om grenzen te overschrijden waar anderen ophouden. Vandaag de laatste en een extra lange etappe van deze ontdekkingsreis. Eerst een korte samenvatting van het voorafgaande.

Juni vorig jaar schreef ik mijn eerste stuk over het basisinkomen. Daar was ik toen nog vrij positief over. Sterker nog, ik vond dat sommige voordelen nog te weinig aandacht hadden gekregen. Daarmee was voor mij de klus geklaard, en werd het tijd voor een ander onderwerp dat een frisse blik goed kan gebruiken.

Totdat ik – bij toeval, en dat is de beste manier – Milton Friedman herontdekte. In velerlei opzichten een foute man, maar ook foute mannen en vrouwen kunnen goede gedachten hebben; en waarom zou je die onbenut laten? Zijn voorstel van een garantie-inkomen is hetzelfde als het onvoorwaardelijke basisinkomen van Rutger Bregman maar dan alleen voor mensen die het nodig hebben. Bovendien zorgt zijn voorstel voor een vorm van inkomensnivellering die niet gepaard gaat met een sterke verhoging van de marginale belastingtarieven, die in de praktijk zowel linkse als rechtse veelverdieners aanzet tot belastingontwijking.

Een ander voorstel van Friedman, de onderwijsvoucher, viel eveneens bij mij in vruchtbare aarde. Ik ergerde mij al langere tijd aan de elitaire opvatting van D66-ers en andere hoogopgeleiden dat ook de rest van de bevolking zou moeten (kunnen) doorleren. Voor de meeste van mijn broers en zussen – en vele anderen – zou dat een ramp zijn geweest; nu zijn ze toch heel goed terecht gekomen, en in menig opzicht wijzer en slimmer dan ik. Onderwijs is zeker belangrijk, ook voor laagopgeleiden, maar dan moet het iets heel anders zijn dan doorleren. Lees mijn artikel, dan weet u waarom en hoezo.

Basisbanen is een ander onderwerp dat ik niet kon overslaan op mijn expeditie. Ik ben allergisch voor overbodige bureaucratie, en dus zag ik de bui al hangen: allerlei ambtenaren en ZZP-ers verdienen een behoorlijke boterham en gaan na hun werk met een voldaan gevoel naar hun Vinex-wijk omdat ze een grote bijdrage hebben geleverd aan een of ander banenplan, dat eerst mooi lijkt en daarna weggezogen wordt in het politieke en bureaucratische moeras. Vandaar mijn poging in de vorige aflevering om een markt voor basisbanen te ontwerpen, zodat de bureaucratie tot een minimum beperkt zou blijven. Vandaag de onvermijdelijke en ook terechte vraag: heel mooi zo’n gedroomde markt, maar levert zij niet allerlei problemen op als we deze in daden gaan omzetten?

Bij nieuwe plannen om de werkloosheid aan te pakken, komen er steevast twee tegenwerpingen. Vanuit de linkerzijde, met name vanuit de vakbeweging, wordt de vrees geuit dat er verdringing op de arbeidsmarkt gaat ontstaan. Het rechtse kamp komt met de tegenwerping dat al die mooie plannen onbetaalbaar zijn, omdat de belastingbetaler een te hoge rekening krijgt gepresenteerd.

Zijn deze bezwaren ook van toepassing op het basisbanenplan dat ik in de vorige aflevering heb gepresenteerd? Of hebben we gewoon creatieve oplossingen nodig, en moeten dus op een andere manier gaan kijken en denken?

Verdringing op de arbeidsmarkt?

Een van de bezwaren die worden geopperd als het gaat om Melkert-banen, basisbanen, basis- of garantie-inkomen, is dat zij leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt, ook wel aangeduid als concurrentievervalsing. Bedoeld wordt dat gesubsidieerde banen de plaats innemen van ‘echte’ banen, wat betekent dat de lonen en andere arbeidsvoorwaarden gaandeweg verslechteren. Het maakt dan niet zoveel uit of het gaat om gesubsidieerde basisbanen dan wel om een meer sluipend proces waarbij mensen met een basis- of garantie-inkomen genoegen kunnen nemen met een lager salaris en minder zekerheden. Geldt dit bezwaar ook voor de markt voor basisbanen die ik voor ogen heb?

Dat lijkt mij niet. Ten eerste is er een duidelijk schot tussen de basisbanen en de ‘echte banen’, en dat moet vooral zo blijven. Zo mag de gemeenteraad zich helemaal niet bemoeien met de selectie van de gemeenschapsprojecten die binnen de gemeentelijke grenzen worden uitgevoerd. Meer in het algemeen: de parlementaire democratie moet bestaande en nieuwe vormen van directe democratie stimuleren en ondersteunen, dus niet doorkruisen en daarmee – opzettelijk of onbedoeld – om zeep helpen. De gemeente kan wel projecten starten die zij complementair acht aan de diverse wijkprojecten, maar krijgt het ongetwijfeld aan de stok met de betreffende Raad van Wijze Wijkers (RWW) als de wijk daar anders over denkt. Ook qua financiering is er een duidelijke scheidslijn, waarover straks meer.

Dat standaard het minimumloon wordt betaald bij alle activiteiten die bij de geselecteerde gemeenschapsprojecten plaatsvinden, is een tweede reden dat verdringing niet aan de orde is. Dat minimuminkomen is in de praktijk vaak meer dan veel flexwerkers nu in vergelijkbare banen verdienen, vooral als je rekening houdt met de ‘secundaire arbeidsbelasting’. Waarmee ik bedoel dat veel werknemers last hebben van zware werkdruk, weinig autonomie of lange reistijden om bij hun werk te komen – en daarvoor niet worden gecompenseerd. Het zou mij niet verbazen als een groot deel van deze werknemers liever meedoet aan gemeenschapsprojecten, zelfs als ze erop achteruit gaan in netto-inkomen. En dit ‘overstapproces’ zal in bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt kunnen leiden tot tekorten, zodat een loonstijging onvermijdelijk wordt; en de zogeheten verdringing juist een positief karakter krijgt.

Nogal logisch, zegt nu de cynicus, net als in het voormalige Oostblok worden deze basisbanen een excuus om liever lui dan moe te zijn. Deze cynici snappen blijkbaar niet dat het hier om een totaal andere constellatie gaat. Ook bij basisbanen volgt ontslag als mensen er de kantjes vanaf lopen. Niet alleen omdat de ‘trekker’ van het gemeenschapsproject, zoals Mark bij het project “Ga Bloemendal Beter Ruiken”, binnen zijn budget moet blijven. Van de mensen die door loting in de RWW terecht komen, verwacht ik veel meer verantwoordelijkheid en kostenbewustzijn dan bij menig bestuurder aanwezig is; kijk bijvoorbeeld naar wat er bij het ROC Leiden is gebeurd.

Hoge arbeidskosten slecht voor samenleving

Het succes dat de vakbeweging en de linkse partijen vanaf de jaren ‘60 hebben geboekt met de verbetering van primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden heeft als keerzijde dat de factor arbeid enorm duur is geworden, en dus door de werkgevers zoveel mogelijk wordt vervangen door machines en robots. Dat is een kwalijke ontwikkeling, althans bij producten en voorzieningen waar de menselijke factor belangrijk is, zoals zorg, onderwijs, allerlei collectieve voorzieningen, en zelfs de detailhandel. Als wij het als samenleving bovendien belangrijk vinden dat mensen door arbeid een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij en aan hun eigen zelfverwerkelijking, dan moeten we de inschakeling van de factor arbeid zo aantrekkelijk mogelijk maken. En dus moeten we de arbeidskosten voor werkgevers – en dat zijn niet alleen kapitalistische uitbuiters – zoveel mogelijk verlagen, natuurlijk zonder een daling van de netto-inkomens.

De laatste decennia is de kloof tussen bruto en netto juist groter geworden. Dat ‘werkend Nederland’ netto zo weinig overhoudt en dat de factor arbeid voor de werkgevers zo duur is geworden, komt vooral doordat inkomen uit arbeid méér, en andere inkomens steeds minder worden belast. In de periode 2000-2011 is het aandeel van de loonbelasting in het bnp gestegen van 6 tot 8 procent, terwijl het aandeel van de vennootschapsbelasting daalde van 4 naar 2 procent, aldus Heleen Mees. De effectieve belastingdruk op de grootste niet-financiële ondernemingen is gedaald van ruim 28 procent in 2004 tot minder dan 10 procent in 2011.

Alfred Kleinknecht vindt al bijna 25 jaar dat de arbeidskosten nóg hoger moeten worden want dat dwingt de werkgevers om zich meer te specialiseren op hoogwaardige producten, en allerlei laagwaardige activiteiten aan andere landen over te laten. Hij beseft blijkbaar na al die jaren nog steeds niet dat zijn pleidooi misschien wel geldt voor het bedrijfsleven – onder bepaalde voorwaarden – maar desastreus is voor de collectieve sector. Als de regering ‘gedwongen’ wordt om op de collectieve uitgaven te bezuinigen om het begrotingstekort binnen de perken te houden, dan leidt de loonstijging in de particuliere sector onvermijdelijk tot een inkrimping van de collectieve sector die immers veel arbeidsintensiever is. En dat leidt vervolgens weer tot schade aan het particuliere bedrijfsleven: ook individuele werkgevers zijn immers niet gebaat bij verslechtering van zorg en onderwijs, en van allerlei andere collectieve voorzieningen.

Gemeenschapsprojecten kunnen een begin maken met het doorbreken van deze negatieve spiraal, door met lage arbeidskosten projecten op te zetten die de maatschappij beter maken. De invoering van een maatschappelijke dienstplicht, zie hier punt 9, is een aanvullende manier om – in dit opzicht – weer terug te keren naar de jaren ‘60 toen arbeid nog betaalbaar was voor de kleine man en de kleine ondernemer – en voor de overheid. Het garantie-inkomen kan bovendien bewerkstelligen dat er allerlei dure sociale verzekeringen en voorzieningen overboord kunnen, zoals ik in een eerdere aflevering betoog.

Ik kan het ook anders zeggen: zijn in de afgelopen decennia steeds meer maatregelen genomen om het de factor kapitaal gemakkelijk te maken – bijvoorbeeld door Nederland fiscaal doorvoerland nr. 1 te maken –, de combinatie van gemeenschapsprojecten en garantie-inkomen moet de balans herstellen door de factor arbeid weer aantrekkelijk te maken. Dus niet door de robots tegen te houden, want bij sommige producten hebben we daar louter profijt van. Ook niet door werklozen een schep te geven en een nieuw Amsterdams bos aan te laten leggen. Maar door het ontwikkelen van eigentijdse oplossingen met allerlei combinaties van individuele voorkeuren en nieuwe gemeenschapszin.

Niet alles kan becijferd worden

Hoeveel geld hebben we daarvoor nodig, dat is meestal de eerste vraag bij nieuwe voorstellen. Economen hebben sinds de jaren ‘50 de neiging om te rekenen in plaats van te redeneren, en dat levert meestal niet de meeste meerwaarde op (maar wel de marginalisering van creatieve intellectuelen als Albert O. Hirschman) . Geldt dit laatste ook bij het Plan dat ik in de vorige aflevering heb geschetst?

De eerste lastige kwestie is hier het onderscheid tussen conjuncturele en structurele basisbanen. Aanvankelijk wordt in het pleidooi voor job guarantee sterk de nadruk gelegd op het anticyclische karakter van de basisbanen. Bedoeld wordt dat er meer basisbanen nodig zijn in een recessie dan in een periode van hoogconjunctuur. Sterker nog, in een hoogconjunctuur zijn helemaal geen basisbanen nodig want vrijwel iedereen is aan het werk bij bedrijven en overheidsorganisaties. Basisbanen zijn in die opvatting alleen nodig om mensen de gelegenheid te geven aan het werk te blijven in een periode dat ze niet op de officiële arbeidsmarkt terecht kunnen. De financieringskosten van deze conjuncturele basisbanen zijn dus sterk afhankelijk van de draagwijdte en lengte van de conjunctuurcyclus, wat het moeilijk maakt een raming te geven van de benodigde financiële middelen.

Inmiddels wordt de basisbaan vooral gezien als een middel om werk te geven aan mensen die permanent niet aan de bak komen, zoals we kunnen lezen in de reactie van Alfred Kleinknecht. In dat geval moet je tevens berekenen hoeveel mensen een structurele basisbaan nodig hebben, en welke directe en indirecte kosten zullen ontstaan – in verhouding tot de uitgaven die momenteel voor deze groep worden gedaan.

Daarmee kom ik op een andere reden waarom het zo moeilijk is om de financieringsbehoefte van basisbanen in kaart te brengen: de transactiekosten die nodig zijn om de benodigde basisbanen te ‘verzinnen’, te organiseren, in stand te houden, te managen en – vooral bij conjuncturele basisbanen – weer af te bouwen. Transactiekosten is typisch economentaal; gewone mensen hebben het liever over bureaucratische rompslomp of indirecte kosten. Ze bedoelen min of meer hetzelfde: de extra kosten van een basisbaan zijn niet alleen het verschil tussen de bijstanduitkering en het minimum, zoals Kleinknecht c.s. denken. In een vorige aflevering heb ik betoogd dat er al gauw een hele circustent van ambtenaren, bestuurders, adviseurs, coaches e.d. wordt opgetuigd, en de kosten daarvan worden snel hoger dan van de basisbaan zelf; deze brief van B&W Groningen geeft alvast een indruk wat ons te wachten staat. Vandaar mijn pleidooi om een markt voor basisbanen te creëren, want als deze goed functioneert zijn de transactiekosten betrekkelijk laag.

Een markt is echter evenmin zonder kosten, maar wel ‘kosten’ van geheel andere aard. Zoals ik in de vorige aflevering heb betoogd, kan een markt alleen goed functioneren als de diverse marktpartijen reële alternatieven tot hun beschikking hebben. Bij de markt voor basisbanen is belangrijk dat de baanlozen tevens de mogelijkheid hebben om een beroep te doen op een garantie-inkomen of gebruik te maken van een onderwijsvoucher. En dat betekent weer dat het van tevoren lastig is in te schatten hoe zij hun keuzes zullen maken, en dus ook hoe hoog de financieringskosten zullen uitpakken.

Baten in allerlei soorten en maten

Last but not least zou ik naar voren willen brengen dat tegenover de kosten ook heel veel baten kunnen staan. Althans als de verdeling van het basisbanenbudget niet wordt overgelaten aan politici en bestuurders maar aan de wijkraad die door loting is samengesteld. De praktijk moet het natuurlijk uitwijzen maar van een raad die per definitie alle lagen van de bevolking in haar midden heeft, verwacht ik dat het geld wordt besteed aan gemeenschapsprojecten die breed worden gedragen en dus optimaal voorzien in de collectieve behoeften van de wijkbevolking. Beter kan een econoom toch niet wensen!

Om wat voor projecten en baten gaat het dan, zult u zich wellicht afvragen. Ik raad u aan eens een wandeling te maken door buurten waar veel uitkeringsgerechtigden wonen, alsmede vluchtelingen en andere niet-westerse allochtonen (die natuurlijk niet in de dure buurten terecht komen), en uw ogen goed de kost te geven. Of ga eens praten met de mensen die daar wonen. Want die hebben er twee maal baat bij om gemeenschapsprojecten te verzinnen: hun wijk wordt er beter van en zij komen vaak als eerste in aanmerking voor een basisbaan. Het enige wat zij nodig hebben om met hun ideeën over de brug te komen: hun – vaak gegronde – wantrouwen tegenover de overheid overwinnen. Wat natuurlijk het beste kan door iedere relatie met de ambtenarij te vermijden, vandaar dat het zo belangrijk is dat de wijkraad door loting wordt samengesteld en autonoom over haar budget kan beschikken.

Terug naar de beginvraag: hoeveel moet dat allemaal gaan kosten? Mijn samenvatting van het voorgaande: dat kunnen we niet berekenen, en dat hoeven we ook niet te berekenen. Sociale wetenschappers – en daar vallen economen ook onder – moeten zich beperken tot de basisvraag: hoe ervoor te zorgen dat mensen zodanige beslissingen kunnen én zullen nemen dat individuele keuzes leiden tot sociaal wenselijke uitkomsten. Ongeveer zoals de onzichtbare hand van Adam Smith. Verafgood door de neoliberalen en (daardoor) verafschuwd door linkse mensen. Beide kampen hebben het echter over de vrije markt, en niet over een georganiseerde markt die is gebaseerd op simpele en maatschappelijk aanvaarde principes, zoals hier wordt voorgesteld.

Hoe te financieren?

Dat het niet mogelijk en niet nodig is te berekenen hoeveel een en ander gaat kosten, betekent geenszins dat we financieringsvraagstukken buiten beschouwing kunnen laten. Bij elk plan moet immers worden vermeld hoe het gefinancierd moet worden, ook wanneer van tevoren niet duidelijk is hoe groot de financieringsbehoefte is.

Nieuwe plannen in de collectieve sector kunnen op drie manieren worden gefinancierd: door hogere belastingen, door extra overheidsleningen of door monetaire financiering. De eerste oplossing zou de Grote Recessie nog langer laten duren, zeker als sommige deelnemers aan het economisch verkeer zo gemakkelijk belastingen kunnen ontwijken (legaal) of zelfs ontduiken (illegaal). De financiering van garantie-inkomen en basisbanen zou een stuk makkelijker zijn als de belastingontwijking door bedrijven wordt aangepakt, maar daarover moeten we ons voorlopig niet teveel illusies maken.

De tweede oplossing heeft volgens sommige economen tot gevolg dat de rente gaat stijgen (door extra vraag naar kapitaal) en toekomstige generaties met nog meer overheidsschulden worden opgezadeld. Deze opvatting wordt bestreden door aanhangers van de Modern Monetary Theory, een theorie die in het economie-curriculum nauwelijks aandacht krijgt, zelfs niet bij Rethinking Economics. Ook hier geldt dat deze oplossing voorlopig erg veel ‘politieke tegenwind’ oproept.

De derde oplossing komt overeen met wat de ECB in de EMU, de Fed in de VS en andere centrale banken al jarenlang doen: het opkopen van overheidsobligaties en andere waardepapieren bij de banken met als doel de inflatie aan te wakkeren. Tevergeefs, zeggen de meeste economen inmiddels over deze ‘kwantitatieve versoepeling’. Dat klopt echter niet helemaal: het gigantische opkoopprogramma zorgt wel degelijk voor inflatoire tendensen, maar dan in de vorm van ‘asset price inflation’. En dat betekent dat niet het prijsindexcijfer voor de consumptie stijgt, maar de koers van aandelen, obligaties, onroerend goed e.d. En op dit soort financiële markten kan plotseling heel snel een bubble ontstaan, zoals we nu wederom kunnen waarnemen.

Monetaire financiering

Mijn voorstel komt grotendeels overeen met het plan dat door Jeremy Corbyn is omarmd, en hier uitgebreid wordt beschreven, inclusief een verwijzing naar respectabele economen die zijn plan steunen. Ik pleit voor de oprichting van een Nederlandse Gemeenschapsbank (NGB) met als enige taak de financiering van gemeenschapsprojecten op rijks-, provinciaal, gemeentelijk en vooral op wijk-niveau. Met het selecteren van deze projecten hoeft de NGB zich niet bezig te houden, want dat is op wijkniveau de taak van de RWW. Voor de financiering van al die geselecteerde projecten geeft de NGB obligaties uit, die vervolgens – afhankelijk van het aantal en de omvang van de goedgekeurde gemeenschapsprojecten – door De Nederlandsche Bank (DNB) worden opgekocht. Deze financiering is dus vergelijkbaar met wat de ECB doet bij de banken, maar nu is niet het doel het opkrikken van de bankbalansen en het vruchteloos stimuleren van de inflatie, maar het financieren van werkgelegenheidsprojecten die de mensen op lokaal niveau zelf de moeite waard vinden.

Sommige mensen zullen nu meteen opspringen: “Wij hebben bij de invoering van de euro alle DNB-bevoegdheden op dit punt toch weggegeven aan de ECB!”. Dat is grotendeels waar, maar dat hoeft niet zo te blijven, zeker wanneer meer EU-landen het voorbeeld van Corbyn willen volgen. Het gaat immers om de monetaire financiering van gemeenschapsprojecten die voornamelijk plaatselijke, regionale of nationale effecten hebben, en dus nauwelijks grensoverschrijdende werking. Anders gezegd: het extra geld dat op die manier wordt gecreëerd, komt alleen indirect in andere eurolanden terecht, en is dus niet tegenstrijdig maar eerder complementair – en hopelijk zelfs corrigerend – aan het ECB-beleid. Economisch en monetair gezien lijkt er dus geen probleem met mijn financieringsplan. Het is vooral een kwestie van politieke wil, wat met de komende verkiezingswinst van de populistische partijen geen groot probleem zou moeten zijn.

Het inflatiespook

Er zijn altijd economen of beleggingsdeskundigen die nu gaan roepen dat monetaire financiering de inflatie wordt aangewakkerd, die binnen de kortste keren in hyperinflatie ontaardt. En iedere keer halen zij dezelfde standaardvoorbeelden van stal: de Weimar-republiek, Zimbabwe, Argentinië en nog een paar andere schrikbeelden – zonder erbij te vertellen dat hyperinflatie alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden optreedt, zie hier. Deze onheilsprofeten voeren het inflatiespookbeeld echter al jarenlang en bij iedere aanleiding ten tonele, wat hun geloofwaardigheid behoorlijk aantast. En ondanks het ontbreken van stevig empirisch bewijsmateriaal, komen economen nog steeds op de proppen met de Philipscurve die een uitruil van werkloosheid en inflatie suggereert: als je het eerste te stevig aanpakt, krijg je onvermijdelijk het tweede. Zelden tot nooit komen zij met een antwoord op de enige vraag die ter zake is: leidt de extra geldhoeveelheid inderdaad tot veel extra bestedingen. En vervolgens: leiden de extra bestedingen inderdaad tot een volledige bezetting van de beschikbare productiecapaciteit? Want dat is volgens de neoklassieke theorie de enige bron van inflatie.

Waarom zijn mensen eigenlijk zo gevoelig voor inflatiespookbeeld, en zal dus de monetaire financiering van de NGB op veel emotioneel verzet stuiten?

Is werkloosheid het doemscenario voor de arme arbeider, zeker als een sociaal vangnet ontbreekt, inflatie is het schrikbeeld voor de rijken. Bij werkloosheid denken de meeste mensen dat het hen niet zal treffen, alleen de anderen. Inflatie daarentegen lijkt iedereen te treffen die wat heeft gespaard en daarom denken de meeste mensen dat vooral zij het slachtoffer zullen zijn. Nederlandse onheilsprofeten als Mujagic en Eijffinger die al jarenlang waarschuwen voor inflatie die maar niet wil komen, hoeven dus alleen maar in te spelen op onderbuikgevoelens – wat hun analyse niet ten goede komt. Vreemd genoeg hoor je hen niet protesteren tegen de geldschepping die door commerciële banken wordt uitgevoerd – door extra kredieten aan financiële handelaars en onroerend goed bezitters. Vergeleken met die massale geldschepping, die mede heeft geleid tot de financiële crisis, is de monetaire financiering van de NGB slechts een schijntje.

Wat ook vreemd is: economen en andere sociale wetenschappers worden nooit ter verantwoording geroepen wanneer ze het grote publiek misleiden met verkeerde adviezen en voorspellingen. Neem de enorme groei van de rentederivaten die mede heeft geleid tot de financiële crisis. We kijken altijd boos naar de financiële wereld – en terecht – maar niemand lijkt zich af te vragen waarom zoveel bedrijven, organisaties en gezinnen zich rentederivaten en rommelhypotheken lieten aansmeren. Zouden we dat ook hebben gedaan als spraakmakende economen en financiële experts niet voortdurend hadden voorspeld dat de rente en de inflatie gingen stijgen?

Medici die een verkeerde diagnose stellen, krijgen al snel te maken met het Medisch Tuchtcollege. Economen en andere zogeheten experts daarentegen gaan helemaal vrijuit als ze jarenlang miskleunen met hun voorspellingen. En daarmee veel bange burgers en bestuurders tot verkeerde beslissingen verleiden, waarvan de negatieve gevolgen meestal op de gemeenschap worden afgewenteld. Maar dat is eigenlijk stof voor een heel ander blogbericht.

Proberen en leren

Het echte Carnaval is al ruim een week voorbij. Het politieke carnaval duurt nog een paar dagen. Daarna zijn de rituele spelletjes van peilingen, kieswijzers en CPB-doorrekenen – die de reputatie van de parlementaire democratie eerder verzwakken dan versterken – ook weer achter de rug.

Hopelijk kunnen na 16 maart snel knopen worden doorgehakt over een betere inrichting van de Nederlandse maatschappij. Ik hoop met mijn ideeën over garantie-inkomen, onderwijsvouchers en een markt voor basisbanen een klein steentje te hebben bijgedragen. En wellicht hebben ze bij de kabinetsformatie ook nog iets aan mijn alternatief van het Wilders-verkiezingsprogramma.

Ik ben mij er terdege van bewust dat knopen doorhakken nogal wezensvreemd is aan de Nederlandse politiek; kijk maar naar de belastingaftrek van de hypotheekrente. In ons poldermodel moeten we het eerder hebben van lokale experimenten. Daar ben ik ook een warm voorstander van, mits goed geëvalueerd door integere onderzoekers; en dat zijn meestal niet de universitaire wetenschappers, die uiteindelijk worden afgerekend op publicaties in veel geciteerde en weinig gelezen toptijdschriften. En mits deze experimenten kunnen plaatsvinden geheel zonder inmenging van politici, bestuurders en zelfs gedetacheerde ambtenaren – die immers arbeidsrechtelijk afhankelijk zijn van B&W.

De huidige experimenten met een basisinkomen – gelukkig niet voor iedereen, zoals Rutger Bregman wil – lijken niet aan deze twee voorwaarden te voldoen. Bovendien is het basisinkomen niet zo geschikt voor lokale experimenten, omdat een Tilburgse schilder mét basisinkomen veel goedkoper kan werken dan zijn concurrent uit Breda zonder basisinkomen. Basisbanen lenen zich daar veel beter voor want het gaat om gemeenschapsprojecten op wijkniveau. Het experiment kan zelfs binnen dezelfde gemeente plaatsvinden, door iedere wijk met andere opties te laten werken.

Wat we bij deze experimenten zeker niet moeten vergeten, is de ‘interactie’ tussen basisbanen, garantie-inkomen en onderwijsvouchers. Gemeenschapsprojecten met basisbanen lijken zich heel goed te lenen voor beroepsonderwijs aan jongeren én ouderen die niet een school maar de praktijk nodig hebben om iets te leren. Ik zie – wellicht tijdelijke en wisselende – meester-gezel relaties ontstaan bij gemeenschapsprojecten, waarbij ouderen levenservaring doorgeven aan jongeren, die op hun beurt ouderen wegwijs maken in de digitale wereld.

Naast een ‘gratis verzekering’ is het garantie-inkomen ook geschikt voor mensen die om fysieke of mentale redenen niet zo goed passen in de vaak harde en kromme discipline van de officiële arbeidsmarkt. Maar die evenmin optimaal functioneren bij gemeenschapsprojecten, die onvermijdelijk een duidelijk afgebakende structuur moeten hebben. Ze willen vooral de ruimte om zelf iets te doen of neer te zetten wat zij de moeite waard vinden.. De Raad van Wijze Wijkers kan hun ambities benutten door ze op een losse manier te koppelen aan sommige gemeenschapsprojecten. Of zij kan proberen om bij de gemeente en andere officiële instanties voldoende experimenteerruimte voor hen ‘los te weken’.

Denk aan al die troosteloze buitenwijken waar alleen een supermarkt, een cafetaria en een kapper gevestigd zijn. Hoe mooi zou het zijn als allerlei ondernemende mensen daar een winkeltje of werkplaats kunnen beginnen. Als de helft daarvan binnen een jaar mislukt, hebben ook zij wat geleerd. En de andere helft kan uitgroeien tot grotere ondernemers. Ondertussen biedt de buurt een betere aanblik dan voorheen, en dat is voor iedereen maatschappelijke winst.

S. de Beter

NAWOORD:

De komende maanden kunt u op mijn blog onder meer artikelen verwachten over plaats en toekomst van de Nederlandse landbouw en agrosector. Maar als er iets tussendoor komt, dat nog interessanter is, dan gaat dat voor. Aarzel niet om met suggesties te komen.

Niettemin ben ik nog een paar weken bereid vragen te beantwoorden over mijn bijdragen aan de discussie over basisbanen, garantie-inkomen en onderwijsvouchers. En ik zal wellicht nog wat extra materiaal over deze thema’s aanleveren. Zoals nu het lezenswaardige artikel van Paul de Beer over deze problematiek, dat ik aanvankelijk wel had gezien maar vervolgens blijkbaar in de verkeerde map had gestopt. Sorry Paul.

Share

1 Reactie

  1. Beste S. de Beter, gefeliciteerd met uw prima bijdrage aan de discussie over een betere inrichting van de Nederlandse maatschappij. Jammer genoeg is hiervan maar weinig te vinden in de huidige progamma´s van de politieke partijen. Waarschijnlijk is in navolging van Frankrijk ook in Nederland een nieuwe beweging noodzakelijk. Ik beschouw uw voorstellen als Links liberaal. Laat dus de Nederlandse Macron opstaan!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten