Verbeter de maatschappij, begin met een markt voor basisbanen

Samen met onderwijsvouchers is de combinatie van garantie-inkomen en basisbanen veel beter dan het onvoorwaardelijke basisinkomen waarbij ook miljonairs ‘gratis geld’ krijgen. Dat beweert S. de Beter in zijn serie over nieuwe vormen van sociale zekerheid en een menswaardig bestaan. Vandaag de vijfde en voorlaatste aflevering.

 
In de vorige aflevering was ik behoorlijk kritisch over voorstellen om de werkloosheid aan te pakken door het scheppen van basisbanen. Ik ben echter absoluut geen tegenstander van basisbanen, integendeel. Mijn kritiek heeft alleen betrekking op de manier waarop Kleinknecht c.s. de kosten van een basisbanenplan hebben berekend, alsmede op hun uitgangspunt dat de benodigde basisbanen door de (gemeentelijke) overheid gecreeerd en georganiseerd moeten worden. Beide punten van kritiek kunnen niet los van elkaar worden gezien.

De kosten zijn volgens Kleinknecht c.s. het verschil tussen de bijstandsuitkering die baanlozen momenteel ontvangen, en het minimuminkomen dat zij bij een basisbaan zouden krijgen. Dat klopt alleen onder de veronderstelling dat er geen kosten zijn verbonden aan het scheppen van de benodigde basisbanen en het ‘begeleiden’ van de mensen die deze banen gaan bezetten ; kosten die economen meestal als transactie- of organisatiekosten bestempelen. Ik voorspel dat deze kosten behoorlijk uit de hand gaan lopen; zeker als de overheid zich met deze basisbanen gaat bemoeien, zoals vrijwel alle voorstanders van basisbanen bepleiten. Zoals ik toen schreef: “Ik vrees met grote vreze dat het voorstel van de basisbanen binnen de kortste keren zal ontaarden in een uitdijende paternalistische overheidsbureaucratie waarin middelbaar opgeleide ambtenaren, aangestuurd door hoger opgeleide managers en deskundigen, gaan voorschrijven aan laagopgeleide baanlozen welke werkzaamheden zij moeten uitvoeren, en wie het meest geschikt is voor de bij elkaar gesprokkelde basisbanen”.

Ik hou hier een pleidooi voor een totaal andere benadering, namelijk het creëren van een markt voor basisbanen. Natuurlijk wel een markt waarin het marktmechanisme is onderworpen aan simpele en maatschappelijk geaccepteerde principes, zoals ik in een eerder artikel heb geschetst.

De markt voor basisbanen

Alvorens deze principes te beschrijven, de hamvraag: wat wordt er precies verhandeld op de markt die ik in gedachten heb? Het kortste antwoord: basisbanen tegen een minimumloon. Het gaat om een georganiseerde markt die parallel aan maar wel gescheiden van de ‘officiële arbeidsmarkt’ moet gaan functioneren. De aanbieders zijn de mensen die niet aan deze arbeidsmarkt kunnen of willen deelnemen, maar wél willen en kunnen participeren in gemeenschapsprojecten die zij de moeite waard vinden. Aan de vraagzijde staan de mensen die voorstellen hebben ingediend over gemeenschapsprojecten, en andere mensen nodig hebben om die projecten uit te voeren.

Laat ik het zo concreet mogelijk maken. Een zekere Mark heeft een plan ontwikkeld om in wijk Bloemendal tien ‘reukpaadjes’ aan te leggen waar allerlei welriekende planten worden neergezet. Zijn project, met de titel “Ga Bloemendal weer ruiken” (GBWR), en het bijbehorende budget is zojuist goedgekeurd door de wijkraad (waarover straks meer). Mark staat te popelen om het uit te voeren en heeft daar wat ‘hoofdjes en handjes’ bij nodig. Zoals een bepaalde expertise die zowel bij Geert als Jesse voorhanden is.

Elk van deze drie personen heeft alternatieve opties. Mark kan kiezen voor Geert, of juist voor Jesse, maar hij kan ook beiden in dienst nemen voor X aantal dagen. Geert en Jesse hebben elk eveneens alternatieven. Als ze het project van Mark – of Mark zelf – niet zien zitten, kunnen ze hun expertise inzetten voor een project van Emile, of dat van Lodewijk.

Zijn er geen andere gemeenschapsprojecten die hun expertise kunnen gebruiken? Niets belet hen dan zich aan te bieden op de ‘officiële arbeidsmarkt’. Of om aanspraak te maken op een garantie-inkomen – om hun vrije tijd te besteden aan de zorg voor hun kinderen of hun ouders, aan het schrijven van een boek of aan het volgen van een studie (gefinancierd door een onderwijsvoucher). Mark van zijn kant heeft ook de mogelijkheid om zijn project ‘commercieel’ uit te voeren, door een opdrachtgever in het bedrijfsleven of bij de overheid te zoeken. Hij kan dan echter geen gebruik maken van het financiële budget dat de wijkraad hem ter beschikking heeft gesteld.

Om te participeren op deze markt voor basisbanen stel ik als belangrijkste regel dat bij de uitvoering van de gemeenschapsprojecten een minimum-uurloon wordt gehanteerd. Ik praat met opzet over een uurloon op minimumniveau omdat ik de mogelijkheid wil open laten dat deelnemers bijvoorbeeld twee dagen een basisbaan hebben en twee dagen een ‘gewone’ baan met – meestal – een hoger uurloon. Deze mensen hanteren dus twee verschillende uur- en dagtarieven.

Loting

Hoe gaat de selectie van gemeenschapsprojecten in haar werk? Ook hier zou je eventueel van een markt kunnen spreken maar er komt geen (financiële) prijs tot stand. Aan de ene kant staan de wijkbewoners die allerlei wensen hebben, en opvattingen over wat het leven in Bloemendal aangenamer maakt. Aan de andere kant van de ‘markt’ heb je mensen zoals Mark – of Emile, of Lodewijk – die concrete plannen hebben ontwikkeld om te voorzien in die plaatselijke behoeften. Als we ons hier beperken tot de fietsende wijkbewoner, kan dat variëren van het schilderen van een saaie fietstunnel tot de bouw van een fietsbrug over een drukke autoweg.

Evenals op een echte markt het geval is, kunnen niet alle wensen van alle wijkbewoners worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor de projecten door Mark en zijn concullega’s zijn ingediend, omdat het beschikbare budget voor de wijk Bloemendal waarschijnlijk te klein is om alle aanvragen te honoreren. Er moeten dus keuzes worden gemaakt, en naar oer-Hollands gebruik wordt het budget verdeeld door een raad, laten we haar de Raad van Wijze Wijkers (RWW) noemen

Deze Raad telt géén BN-ers, experts, ambtenaren of vertegenwoordigers van allerlei belangengroeperingen, zoals VNO-NCW, Fietsersbond, Vluchtelingenwerk, Humanitas, of de plaatselijke winkeliersvereniging. Deze maatschappelijke organisaties zoals ze tegenwoordig vaak worden aangeduid, fungeren in de praktijk vaak als koninkrijkjes waar buitenstaanders moeilijk binnenkomen. Het is ook geen wijkraad die her en der al is opgericht, want deze halfzachte polderconstructie wordt alras eveneens een eigen clubje van een select groepje wijkbewoners. Ik wil eveneens dat alleen wijkbewoners in aanmerking komen, het grote verschil is dat het lot bepaalt welke daarvan zitting nemen in de RWW, voor een beperkte periode. Het pleidooi van David van Reybrouck om loting in te voeren lijkt mij bij uitstek geschikt voor de selectie van projecten op wijkniveau; je hebt immers geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de wijk. Omdat iedere wijkbewoner dezelfde kansen heeft om in de wijkraad nieuwe stijl terecht te komen, zijn per definitie alle lagen van de wijkbevolking vertegenwoordigd. De leden van de RWW – die à titre personnel optreden – beslissen over de helft van het wijkbudget zodat de geselecteerde projecten snel kunnen starten. Over de andere ingediende projecten vindt een stemming plaats waaraan uitsluitend wijkbewoners mogen meedoen die minimaal twee jaar in de wijk wonen; dit om te vermijden dat ‘passanten’ een te grote stempel drukken op de wijkvoorzieningen.

Principes van de perfecte markt

Iedere lezer die op school economie heeft gehad, zal in de voorgaande schets enkele principes van de perfecte markt herkennen – de marktvorm die economen zo graag doceren maar klaarblijkelijk niet zo gemakkelijk kunnen creëren.

  1. Vrije toe- en uittreding, bij vragers en bij aanbieders. Zelfs een miljonair kan zich – full- of parttime – beschikbaar stellen voor een basisbaan, maar wel tegen een minimum-uurtarief. En iedereen kan een gemeenschapsproject indienen, om op die manier te profiteren van het beschikbare budget en van gemotiveerde ‘hoofdjes en handjes’ (zie 4.).
  2. Invoering van een garantie-inkomen en van onderwijsvouchers moet garanderen dat die vrije toe- en uittreding gebaseerd is op reële alternatieven; een criterium dat Neo-klassieke economen meestal vergeten. Zo negeren ze dat talloze mensen tegen een hongerloontje moeten werken omdat ze hun arbeidskracht nergens anders kunnen ‘verhuren’. Of melkveehouders die nauwelijks alternatieve opties hebben, en daarom bij een dalende melkprijs – als gevolg van de afschaffing van de melkquota – juist nóg meer gaan melken, en daarmee hun eigen graf graven.
  3. Geen van de partijen heeft invloed op de prijs en op andere uitkomsten van het marktproces. Dit principe wordt gerealiseerd door te werken met één prijsniveau, namelijk het minimum-uurtarief. , Alsmede door de samenstelling van de RWW die door loting tot stand is gekomen, en regelmatig door een nieuwe loting wordt ‘ververst’, bijvoorbeeld ieder jaar de helft van het aantal zetels. Dit voorkomt dat mensen met een ‘status aparte’ – door hun posities in de politiek of in andere elites – het spel naar hun hand kunnen zetten.
  4. Er zijn financiële en andere prikkels die op algemeen aanvaarde morele principes berusten. Wanneer je als baanloze meedoet aan een gemeenschapsproject krijg je een minimumloon, en dus meer dan het garantie-inkomen dat ongeveer op bijstandsniveau zit. Kies je voor een opleiding, dan teer je in op jouw beschikbare onderwijsrechten. Nog belangrijker zijn de intrinsieke motieven – zoals gemeenschapszin en ideeel ondernemerschap – die in de huidige economie te vaak worden verdrongen door extrinsieke. Dat iemand meedoet aan een gemeenschapsproject tegen een minimumtarief terwijl hij in het bedrijfsleven of bij de overheid een veel hoger uurtarief kan vragen, impliceert dat intrinsieke motieven de boventoon voeren. Wat je ernstig kunt betwijfelen bij de directeur van Werk Pro, een non-profit re-integratieorganisatie in Noord-Nederland die mensen met een grote ‘afstand tot de arbeidsmarkt naar werk begeleidt. Want hij verdient meer dan 145 duizend euro bruto per jaar, en dat in een markt met nauwelijks concurrentie en een uitstekend vangnet, althans voor de bestuurders.
  5. Tevens is belangrijk dat deze vorm van directe democratie – of mag je deze markt voor basisbanen zo niet noemen? – niet wordt gedwarsboomd door ijdele of zelfs doortrapte politici, en andere uitwassen van de parlementaire democratie. Zoals ik in de vorige aflevering heb geschetst is dat gevaar levensgroot. Het enige waar politici zich mee mogen bemoeien, is het totale bedrag dat per gemeente, provincie of Rijk voor gemeenschapsprojecten ter beschikking worden gesteld, alsmede de ‘verdeelsleutel’. Met dat laatste bedoel ik dat de hoogte van het wijkbudget voor gemeenschapsprojecten gebaseerd kan worden op het aantal bewoners in de wijk of het dorp, maar ook op de samenstelling van de wijkbevolking. Ouderen, mindervaliden uitkeringsgerechtigden, en werknemers met een submodaal inkomen hebben meer belang bij wijkvoorzieningen dan jongeren, yuppen en bovenmodalen, en zouden bijvoorbeeld dubbel geteld kunnen worden.
  6. Tot slot is belangrijk dat er voldoende mogelijkheden zijn voor variatie en experimenten, want die heb je nodig om leerprocessen op gang te brengen zodat de regels van het marktmechanisme steeds beter worden afgestemd op maatschappelijke behoeften.

Allerlei varianten

Mijn schets van de markt voor basisbanen is met opzet heel grof gebleven. Want er zijn allerlei varianten denkbaar en door daarmee te experimenteren kan duidelijk worden welke daarvan goed en minder goed werken. Bovendien is een one size fits all benadering helemaal niet nodig. Wat voor de ene wijk of dorp een aantrekkelijke constructie is, kan voor een andere juist een onbegaanbare weg zijn. Zo kunnen sommige wijken kiezen voor het systeem dat we van de Amerikaanse jury kennen: een project kan alleen doorgang vinden wanneer alle leden van de RWW hun goedkeuring geven. Andere wijken kunnen opteren voor twee derde of een meerderheid van de stemmen.

Van een heel andere orde zijn de varianten met het lotingssysteem. Moet iedere ingelote wijkbewoner ‘zijn lot aanvaarden’ of kan hij weigeren zitting te nemen in de RWW? Kunnen wijkbewoners van tevoren aangeven niet beschikbaar te zijn voor loting? Nee, is mijn eerste reactie op beide vragen, want koudwatervrees is te ‘genezen’ en burgerplicht een belangrijke zaak.

Een derde variabele factor betreft de aard van de projecten die kunnen worden voorgedragen. Zijn dat alleen projecten gericht op de fysieke en sociale infrastructuur van de wijk, zoals het opknappen van het buurthuis, het parkje of de trottoirs? Of kan ook geld worden besteed aan effectieve begeleiding van probleemgezinnen die veel overlast veroorzaken in de wijk ?

Tevens kan worden geëxperimenteerd met methoden om wijkoverschrijdende gemeenschapsprojecten te stimuleren, bijvoorbeeld door een gezamenlijk project van twee wijken of dorpen een extra budget van 10% te geven.
Mijn devies: laat duizend bloemen bloeien, zodat wijken en dorpen van elkaar kunnen leren. En laat sociale wetenschappers zich nuttig maken door in kaart te brengen welke opties de diverse wijkraden kiezen, en welke directe en indirecte gevolgen daaruit (kunnen) voortvloeien. Ook kunnen ze onderzoeken in hoeverre gewone mensen die door loting tijdelijk op een verantwoordelijke positie terecht zijn gekomen, betere beslissingen nemen dan politici, bestuurders, experts en andere academici uit het old boys’ network die momenteel onze zaakjes regelen – en indirect het rechtspopulisme zo populair hebben gemaakt.
S. de Beter

Dit artikel is ook gepubliceerd op Follow the Money https://www.ftm.nl/artikelen/nederland-heeft-behoefte-aan-een-parallelle-arbeidsmarkt?share=1

In de volgende blogpost, die morgen wordt gepubliceerd, zal ik aandacht besteden aan twee problemen die wellicht aan mijn voorstel worden toegeschreven.

De komende blogposten zullen niet langer verschijnen op Follow the Money. Als u mijn columns en essays wilt blijven volgen, kunt u zich – kosteloos en vrijblijvend – hieronder abonneren.

Share

1 Reactie

  1. Een voorstel van DiEM25 hoe een basis inkomen te financieren:

    Some propose a universal basic income (UBI) as the remedy. DiEM25 rejects the idea of a universal minimum income as long as it is to be funded by taxes. A funded UBI would undermine the existing welfare state and sow the seeds of antagonism between the working poor and the unemployed. However, DiEM25 is proposing a different scheme universal basic dividend which encapsulates the following three propa ositions: taxes cannot be a legitimate source of financing for such schemes; the rise of machines must be embraced; and a basic unearned payment is a contributor to basic freedom. But if the scheme is not funded by taxation, how should it be funded? The an swer is: From the returns to capital. A common myth is that capital is created by capitalists who then have a right to its returns. This was never true. It is far less so today. Every time one of us looks something up on Google, she or he contributes to G oogle’s capital. Yet it is only Google’s shareholders that have a right to claim the returns to this, largely socially produced, capital. Moreover, automation, digitisation and the role played in capital formation by government grants and community contrib utions to the stock of knowledge make it impossible to know which part of a corporation’s capital was created by its owners and which by the public at large. DiEM25 proposes a simple policy: That legislation be enacted requiring that a percentage of capi tal stock (shares) from every initial public offering (IPO) be channelled into a Commons Capital Depository, with the associated dividends funding a universal basic dividend (UBD). This UBD should, and can be, entirely independent of welfare payments, unem ployment insurance, and so forth, thus ameliorating the concern that it would replace the welfare state, which embodies the concept of reciprocity between waged workers and the unemployed. For Europe to embrace the rise of the machines, but ensure that the y contribute to shared prosperity, it must grant every citizen property rights over the monetary returns they produce, thus yielding a UBD. A universal basic dividend allows for new understandings of liberty and equality that bridge hitherto irreconcilabl e political blocs, while stabilising society and reinvigorating the notion of shared prosperity in the face of otherwise destabilising technological innovation. Disagreements of course will continue; but they will be about issues such as the proportion of company shares that should go to the Depository, how much welfare support and unemployment insurance should be layered on top of the UBD, and the content of labour contracts.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten