Valse voorspellingen over basisinkomen en basisbanen

Bij invoering van een minimaal basisinkomen zal gemiddeld vijf procent van de beroepsbevolking zich terugtrekken van de arbeidsmarkt, zo denkt voorspellingenfabriek CPB. Deze schatting van dit Haagse Orakel lijkt op drijfzand gebaseerd. De pleitbezorgers van basisbanen om juist méér mensen op de arbeidsmarkt te krijgen, gaan ook niet helemaal vrijuit

Peter-Egbert de Boer, werkzaam bij het CPB, is blij verrast dat op 14 februari 2015 (Valentijnsdag!) ‘s avonds bij de koffie zijn vrouw Martina hem vraagt of hij die dag nog iets bijzonders heeft meegemaakt. Jazeker, vandaag was de presentatie van ons rapport, waarin wij beweren dat invoering van een basisinkomen van 750 euro per maand, ik citeer nu letterlijk: “een averechts effect heeft. Dit geeft tweede verdieners een financiële prikkel om te stoppen met werken en deze groep reageert daar relatief sterk op.””. Waarop zij antwoordt: “Natuurlijk lieverd, ik hang mijn master-diploma Fiscale Economie aan de wilgen, en neem afscheid van mijn uitdagende baan met leuke collega’s en een inkomen van ruim 2000 euro! Want met dit fantastische basisinkomen ga ik lekker thuis zitten in onze Vinex-wijk waar overdag iedereen weg is of met de kinderen bezig. Ik ga gewoon een hobby zoeken en zorg iedere avond dat het eten – en de pantoffels – voor je klaar staan. Ik weet alleen niet of we onze hypotheeklasten dan nog kunnen betalen, en ons kind al die clubjes nog kan doen

Vluchtroutes

Ik vraag mij soms af hoe het voor een CPB-er moet zijn om te werken met veronderstellingen en uitkomsten die zo flagrant in tegenspraak zijn met wat hij buiten zijn werkplek kan waarnemen. Waarschijnlijk gebruikt hij onwillekeurig twee vluchtroutes die een econoom ter beschikking staan. De eerste heet “N= 1”, waarmee Peter-Egbert bedoelt: “Jij bent een uitzondering, schat. Andere tweede verdieners reageren heel anders, zo blijkt uit de empirie”. De tweede ontsnappingsclausule is dat het gaat “om langetermijneffecten van beleidswijzigingen. Omdat personen tijd nodig hebben om hun gedrag aan te passen, en omdat de conjunctuur invloed kan hebben op de effecten, kunnen de effecten op korte termijn afwijken van de langetermijneffecten.”(p.4). In de woorden van Peter-Egbert: ”Ik wil wel eens zien hoe jij over 10 jaar reageert”. Keynes zou nu zeggen dat “in the long run we are all dead”, een uitdrukking die alle CPB-ers ongetwijfeld wel kennen maar blijkbaar niet begrijpen; in ieder geval niet relateren aan hun eigen modellen en voorspellingen.

Het rapport behandelt in 18 pagina’s tal van maatregelen onder de noemer “De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid”. Slechts één pagina is gewijd aan het basisinkomen. Meer heb je als CPB-er blijkbaar niet nodig. Je hebt immers een econometrisch model waar je allerlei beleidsmaatregelen op loslaat, dus de uitkomsten stop je in een tabel, die even kort toegelicht moeten worden. Zo eenvoudig is het leven van Peter-Egbert en zijn collega’s.

Die ene pagina is het enige wat het CPB in het laatste decennium heeft gepubliceerd over het basisinkomen. En naar de ene pagina verwijzen vervolgens alle macro-economen die zich tegenstander tonen van het basisinkomen. Zoals Gradus en het komische duo VVP: Vermeend en Van der Ploeg. Ze noemen met name de CPB-voorspelling dat een basisinkomen gelijk aan de helft van het sociaal minimum (circa €750 per maand) tot een verlies van 350.000 banen zal leiden. Het wordt ernstiger wanneer economen die wél serieus naar het basisinkomen kijken, zoals Kleinknecht c.s. en Ligteringen, deze CPB-schatting eveneens klakkeloos overnemen.

Opvallende gelijkenis

De vraag dringt zich op waarom in het CPB-rapportje slechts één variant is onderzocht, en waarom juist deze. Het antwoord laat zich raden als je kijkt naar de enige vergelijkbare studie die in Nederland is uitgevoerd, door Jacobs, De Mooij en Folmer (2006), dus vóór de financiële crisis. Ook zij onderzochten de effecten van een basisinkomen van 50% van het sociaal minimum, dat toen ongeveer 550 euro per maand bedroeg. Hun conclusie, zoals verwoord op FTM door de hoofdauteur: “Het totale arbeidsaanbod neemt met ruim 5% af.” En wat lezen we op die ene bladzijde van Peter-Egbert: “De arbeidsparticipatie daalt met ruim 5%.”(p.10). De eerste studie constateert: “De arbeidsparticipatie van vrouwen daalt met 10%.” Het recente onderzoekje maakt onderscheid tussen “vrouwen in samenwonende stellen, jongste kind 0-17” en “vrouwen in andere samenwonende stellen”. Bij de eerste categorie daalt de arbeidsparticipatie met 18%, bij de tweede met 7%; dus het gewogen gemiddelde zal ongeveer op 10% uitkomen. Moeten we hier van toeval spreken?

Ik heb in mijn loopbaan voldoende meegekregen van het economische voorspellingencircus om te weten hoe de recente CPB-schatting vermoedelijk tot stand is gekomen. Bij de econometrische modellen die daarbij worden gehanteerd, moeten allerlei parameters worden geschat, en dat is kwestie van trial and error, en vooral van na-aperij. Je begint met een soort actualisering van een eerdere studie, en voor het basisinkomen in Nederland is alleen dat onderzoek van Jacobs c.s.voorhanden. Natuurlijk kijk je ook naar andere studies, maar je weet niet zeker of die uitkomsten ook relevant zijn voor déze exercitie. Je speelt wat met verschillende varianten en vergelijkt de uitkomsten met die eerdere studie. “Dat is mooi”, zegt Peter-Egbert na deze vingeroefeningen tegen zijn medewerkers, “deze variant levert ongeveer dezelfde resultaten op als bij Jacobs, dus als we om op safe willen spelen, lijkt deze de beste ”

In hun enthousiasme is hij echter vergeten dat er in de tussenliggende periode een financiële crisis heeft plaatsgevonden. Zodat vele ‘tweede verdieners’ inmiddels niet kunnen stoppen met werken vanwege de hypotheeklasten en de huizenmarkt die begin 2015 nog op slot zat. En dat anderen graag willen werken maar door de bezuinigingen hun baan zijn kwijt geraakt. “Beetje dom, lieverd”, zegt Martina als zij hoort hoe die schatting over de arbeidsparticipatie tot stand is gekomen. Daarmee komt hij nog goed weg, misschien omdat hij Valentijnsdag niet vergeten was – tot haar blijde verrassing.

Driedubbel monopolie

Hoe is het mogelijk dat het CPB zulke valse voorspellingen doet en dat geen enkele econoom aan de bel trekt? Zoals iedere lezer zelf kan controleren, is dit is echt niet het enige CPB-rapport dat de financiele crisis en haar gevolgen (vrijwel) helemaal negeert. Of andere vormen van gemakzucht en domheid vertoont, zie hier of hier. Vreemd genoeg wordt het meest waarschijnlijke antwoord zelden genoemd: de driedubbele monopoliepositie van deze rekenmeesters. Economen zijn er altijd als de kippen bij om te wijzen op de nadelen van monopolievorming maar blijkbaar geldt dat niet voor hun eigen clubhuis.

Waarom driedubbel? Ten eerste qua organisatie: het is vrijwel de enige hofleverancier van economische voorspellingen en macro-economische beleidsanalyses. Vele jaren geleden heeft Eduard Bomhof geprobeerd een concurrent uit de grond te stampen maar zijn Nyfer speelt nauwelijks nog een rol van betekenis.

Is het in Duitsland beter waar ze vijf van dit soort instituten hebben? Nauwelijks, want in beide landen is er de facto een bijna-monopolie op het niveau van de theoretische benadering: de neoklassieke theorie. Andere economische scholen zijn er wel maar die komen zeker in het beleidsonderzoek nauwelijks aan de bak.

Bij het derde monopolie gebruik ik het begrip op een iets andere manier, want ik bedoel hier dat het CPB zich blijkbaar niet hoeft te verantwoorden hoe ze tot bepaalde voorspellingen zijn gekomen. Over de gebruikte modellen geeft het CPB wel wat informatie – waar alleen een select groepje economen iets aan heeft – maar hoe ze op basis van die modellen allerlei schattingen doen en vervolgens bepaalde varianten selecteren, blijft voor de buitenwereld verborgen. Het voorbeeld van Peter-Egbert laat zien dat het vertrouwen in onze nationale rekenmeesters niet altijd terecht is. John Kenneth Galbraith zei het al:The only function of economic forecasting is to make astrology look respectable.”

Doorrekenen

Inmiddels lijkt dit inzicht ook in de Nederlandse politiek doorgedrongen. Het aantal politieke partijen die hun verkiezingsprogramma niet door het CPB laten doorrekenen, is een stuk hoger dan vier jaar geleden. Is het toeval dat volgens de peilingen vooral déze partijen, zoals PVV, 50plus en PvdD, aan de winnende hand zijn? En straks misschien zelfs samen een Kamermeerderheid hebben om het CPB af te schaffen?

U begrijpt wellicht dat ik nogal moest grinniken toen ik in de recente column van Bas Jacobs het volgende las. “Vorige week publiceerde het CPB de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s. In het tijdperk van ‘factless’ en ‘post-truth’ politiek is het prachtig dat dit in Nederland nog altijd gebeurt. Partijen die hier niet aan meedoen, zoals de PVV en de Partij voor de Dieren, verkopen de kiezers knollen voor citroenen.”

Jacobs heeft blijkbaar nog niet in de gaten dat steeds meer mensen de CPB-voorspellingen nauwelijks serieus nemen. En dus ook ernstig twijfelen aan die Bekende Economen (BE-ers) die naar een of ander CPB-rapport verwijzen, zonder de moeite te nemen om die bron kritisch te bekijken. Een goed voorbeeld van ‘eigen schuld, dikke bult’. Maar toch wel jammer, want naast dat malle voorspellen en doorrekenen maakt het CPB soms ook goede (achtergrond)studies, en die worden op die manier ten onrechte in diskrediet gebracht.

Basisbanen

De voorstanders van het basisinkomen – én van het garantie-inkomen – hebben één ding gemeen met het CPB: zij onderschatten het belang dat verreweg de meeste Nederlanders lijken te hechten aan een baan of een andere geaccepteerde vorm van maatschappelijke participatie. Zij hebben niet genoeg aan een inkomen, en willen iets doen dat hen in contact brengt met anderen en structuur geeft aan hun leven; een bezigheid waar ze voldoening uit halen. Mensen als Rutger Bregman, S. de Beter en vele anderen zijn heel goed in staat om zélf allerlei activiteiten te verzinnen en contacten te maken, om in die basisbehoeften te voorzien. Voor de meerderheid van de baanlozen is dat echter een stuk lastiger, en dan maakt het in de praktijk niet zoveel uit hoeveel opleiding ze hebben genoten. Die grote groep heeft behoefte aan een officiële baan of ZZP-status – en voor de elite een bonte verzameling van hoog gewaardeerde advies- en bestuursfuncties. Wat te doen als er, conjunctureel of structureel, te weinig banen zijn?

Laat de overheid basisbanen creëren, luidt het antwoord van sommige economen. In Nederland is vooral Joan Muysken uit Maastricht de grote pleitbezorger van wat in de Engelse literatuur en op YouTube wordt aangeduid als job quarantee. Inmiddels zijn er meer voorstanders, maar misschien vooral als poging om de opmars van het basisinkomen-front te stuiten.

Bepleit wordt dat mensen die – tijdelijk of permanent – geen baan op de arbeidsmarkt kunnen vinden, vanuit de overheid een baan krijgen aangeboden. In plaats van thuis op de bank te blijven hangen, gefinancierd door een of andere uitkering of door een basis- of garantie-inkomen, kunnen ze tegen een minimumloon werkzaamheden uitvoeren die nuttig zijn voor de gemeenschap. Een variant is dat ze ook bij particuliere bedrijven mogen werken, waarbij de werkgever alleen het verschil tussen bijstandsuitkering en minimumloon hoeft te betalen. Het is een echte baan, met rechten en plichten, dus kun je bijvoorbeeld worden ontslagen als je de kantjes er vanaf loopt.

Voor veel uitkeringstrekkers zijn basisbanen heel aantrekkelijk want ze krijgen weer structuur in hun leven, meer inkomen, en het gevoel dat ze nuttig zijn voor de maatschappij – wat misschien in hun laatste baan niet het geval was. Ze zijn ook aantrekkelijk voor hun toekomstige werkgevers want de baanlozen blijven in het arbeidsritme en houden hun vakkennis zo goed mogelijk op peil – vooral in combinatie met scholingstrajecten, zoals ik in de vorige aflevering schetste. En ze zijn goed voor ‘werkend Nederland’ want ze voorzien in maatschappelijke behoeften en de belastingbetaler betaalt daarvoor slechts het verschil tussen de uitkering en het minimumloon.

Slechts 3,5 miljard?

Dat laatste is althans de mening van Ben Ligteringen in zijn FTM-bijdrage aan de discussie over basisinkomen. Hij raamt de kosten van een landelijke invoering van de basisbaan op 3,5 miljard euro per jaar. De berekening van dat bedrag is terug te vinden in het artikel dat hij samen met Alfred Kleinknecht en andere economen heeft geschreven. Zij gaan uit van circa 430 duizend bijstandsontvangers en een verschil van 8000 euro tussen bijstandsuitkering en minimumloon. Vermenigvuldiging levert 3,44 miljard op. “Uiteraard komen daar nog overheadkosten bij voor administratie en inrichting van werkplekken”, voegen de auteurs er volledigheidshalve aan toe. Maar ze noemen vervolgens geen bedragen en concluderen dat er geen sprake is van “exorbitante bedragen”, zeker in vergelijking met invoering van het basisinkomen.

Dat laatste is zeker waar maar daarmee houdt mijn instemming op. Het gaat mij niet zozeer om het feit dat het bedrag van 3,44 miljard extra is, namelijk het verschil met de huidige uitgaven aan bijstandsuitkeringen. Mijn kritiek richt zich vooral op het ouderwetse optimisme waarmee gesproken wordt over “overheadkosten voor administratie en inrichting van werkplekken”. Ga er maar aan staan: voor bijna een half miljoen mensen die in de bijstand zitten moet een geschikte basisbaan worden gevonden. Denken ze nu echt dat we nog leven in de jaren ‘30 toen werklozen – overigens niet uit vrije wil – met een schop in de hand het Amsterdamse Bos gingen aanleggen? En tal van andere mega-projecten waar we nog steeds profijt van trekken.

Vooral veel overheadbanen

Ik vrees met grote vreze dat het voorstel van de basisbanen binnen de kortste keren zal ontaarden in een uitdijende paternalistische overheidsbureaucratie waarin middelbaar opgeleide ambtenaren, aangestuurd door hoger opgeleide managers en deskundigen, gaan voorschrijven aan laagopgeleide baanlozen welke werkzaamheden zij moeten uitvoeren, en wie het meest geschikt is voor de bij elkaar gesprokkelde basisbanen.

Vervolgens gaan vele bijstandsontvangers in beroep tegen de basisbaan die voor hen is verzonnen, zodat ook vele advocaten en rechters emplooi vinden in de basisbanensector – maar niet voor een minimumloon. Hetzelfde geldt voor psychologen, onderwijskundigen en andere gamma-deskundigen – en natuurlijk filosofen – die de kansarme bijstandsontvangers moeten bijstaan in hun zoektocht naar de basisbaan waarmee zij hun dromen kunnen verwezenlijken. En natuurlijk hebben we bedrijfskundigen en managers nodig om al die basis- en overheadbanen op elkaar af te stemmen en efficiënter te laten verlopen. Laten we de ICT-ers niet vergeten want het spreekt voor zich dat iedereen gebruik moet maken van social media en van allerlei geavanceerde digitale communicatiemethoden.

Iedereen die de film “I Daniel Blake” van Ken Loach heeft gezien, kan zich waarschijnlijk voorstellen hoe ook bij de basisbanen de bijstandstrekker wordt vermalen door allerlei bureaucratische regels die ieder voor zich soms logisch zijn maar in combinatie vrijwel altijd leiden tot doffe ellende en een enorme verspilling van menselijke energie.

Politieke luchtkastelen?

Dat het basisbanen-voorstel vooral heel veel duurbetaalde overheadbanen creeert, is zeker niet het enige probleem. Door de regie bij de gemeente te leggen – omdat de bijstand een gemeentelijke uitvoering kent – krijg je te maken met plaatselijke politici die over veel ego beschikken en zich graag willen profileren. Om later een stapje hoger te komen, bijvoorbeeld in de landelijke politiek. Zij schudden graag wat werkgelegenheidsprojecten uit hun mouw, natuurlijk tot meerdere eer en glorie van de gemeente en haar inwoners. Aan die arme gemeenteambtenaren de ondankbare taak om hun luchtkastelen een stevige ondergrond te geven – of in de lucht te houden tot een nieuwe lichting politici op het pluche komt zitten.

En daarmee kom ik op een derde probleem: dit soort banenprogramma’s is vaak mosterd na de maaltijd. Zodra ze eindelijk zijn opgestart, is de recessie alweer voorbij of is het betreffende maatschappelijke probleem minder urgent geworden of alweer opgelost. Iedereen die zijn ogen en oren de kost geeft, weet hoe langzaam de ambtelijke en politieke molens draaien; niet als het om politieke hobby’s en andere egotripperij gaat, maar wel bij de zaken die gewone mensen belangrijk vinden.

Begrijp me goed: ik ben absoluut geen tegenstander van basisbanen, maar niet onder de regie van beroepspolitici en deskundigen. In de volgende aflevering kom ik met een beter voorstel. En dan hoop ik tevens een oplossing aan te dragen voor twee andere problemen van de basisbaan, maar ook van het basis- of garantie-inkomen. Ik doel op de verdringing op de arbeidsmarkt: reguliere banen worden verdrongen door goedkopere basisbanen. En natuurlijk op de financiering van al die mooie idealen.

S. de Beter

Dit artikel verschijnt ook op Follow the Money https://www.ftm.nl/artikelen/valse-voorspellingen-basisinkomen-basisbaan?share=1

Share

8 Reacties.

  1. Enkele opmerkingen bij dit mooie verhaal. CPB’s 5% komt niet van Bas Jacobs maar van 5% significante afwijking, 5% Den Uyl vooruitgang, etc. Kortim, 5% bekt lekker. Overigens, er is terdege rede dan een aantal werknemers ajuu zeggen aan zware banen. Dit verhoogd productiviteit want minder ziekte en ellende. Ook de bullshit banen die nu basisbanen heten is geen uitvinding van Joan Myskens maar van de Bouwbond FNV in de jaren tachtig van de vorige eeuw toen dit terugploegen van uitkeringen heette. Het was bedoeld om investeringen in woningbouw te versnellen door de uitkeringen te kapitaliseren. PvdA ging daarmee aan de haal en produceerde Melkert banen toen de krisis al lang voorbij was.

  2. Het doet er eigenlijk helemaal niet toe hoeveel mensen hun baan opzeggen bij de invoering van het basisinkomen. Het gaat er om dat het eigenlijk een soort slavernij is dat je verplicht bent om te werken voor een inkomen. Een basisinkomen brengt een vermenselijking van de maatschappij. Een begin om niet te moeten werken voor je inkomen, maar te werken vanuit inzicht wat er nodig is in jouw situatie.

    De antroposofen kennen een sociale basiswet, die als volgt klinkt:

    Het gaat beter met een gemeenschap van mensen, naarmate de behoeften van de enkeling minder door zijn eigen prestaties wordt vervuld en naarmate deze behoeften meer door de prestaties van anderen wordt vervuld. Dat wil zeggen, naarmate hij minder van zijn prestaties voor zichzelf opeist en meer aan anderen ter beschikking stelt.

    Ik weet wel dat deze wetmatigheid economen wat vreemd in de oren klinkt, maar dat komt doordat ze meer naar het geld kijken dan naar de economie op zichzelf. Iedere ondernemer weet namelijk best dat het hem beter zal vergaan, naarmate de prestaties die hij levert de behoeften van zijn klanten beter vervullen.

    Het is dus zowel voor het welzijn van de mensen, als ook voor de economie belangrijk dat mensen met behoeften in staat worden gesteld om geld als tegenprestatie te kunnen geven, voor de prestaties die voor hen geleverd worden. Vervolgens is het aan henzelf om te beoordelen welk werk ze het beste kunnen en willen doen.

  3. Beste JJC Saal,

    Het doet mij deugd dat ik niet alleen sta zijnde een vriend van R. Steiner. Vooral zijn basis plan voor geldcreatie in de Drie Ledige Maatschappij spreekt mij erg aan.

    Heer Beter vindt het vast niet erg dat ik een link van deze blog op 23 februari naar het Financiële Dagblad heb doorgestuurdhttps,zie://fd.nl/economie-politiek/1189273/50plus-laat-bedrijven-en-werknemers-betalen-voor-aow-op-65-jaar

    Maar toen was uw commentaar er nog niet bij

    MVG

  4.  
    Bij het stuk van S. De Beter over het Onvoorwaardelijke Basis Inkomen (OBI) waarin hij o.a. refereert aan ons artikel in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken van december 2016 heb ik drie relativerende opmerkingen:
     
    Ten eerste, basisbanen als ‘mosterd na de maaltijd’? Dit risico bestaat, als je basisbanen als conjunctuurpolitiek instrument inzet. In onze intentie zijn basisbanen echter bedoeld ter bestrijding van langdurige werkloosheid van mensen die op de reguliere arbeidsmarkt relatief kansloos zijn, ook bij goede conjunctuur. 
     
    Ten tweede, hoeveel mensen zullen zich na invoering van een OBI van de arbeidsmarkt terugtrekken en hoeveel tegenvallers ontstaan doordoor voor de rijksbegroting? Het CPB ‘schat’ dit op 5% van de beroepsbevolking en dit leidt tot een fiscale tegenvaller van 7 miljard bij een OBI van 486 Euro per maand (de helft van de bijstandsnorm van 972 Euro). Dit is uiteraard geen ‘schatting’ in statistische zin. Er is immers heel weinig statistisch materiaal waarop zich zo een ‘schatting’ zou kunnen baseren. Maar als je iets niet exact kunt schatten, dan betekent dit nog niet dat je het mag ignoreren. Wij ‘schatten’ (intuïtief) dat een OBI van 972 Euro tot een hogere non-participatie zou leiden, resulterend in een fiscale tegenvaller van 12 miljard Euro en voegen hieraan toe, dat we dit een conservatieve schatting vinden. Dat lijkt het inderdaad te zijn, gezien getallen die Anke Hassel noemt, refererend aan ervaringen met een soort van OBI in de jaren zeventig in diverse staten van de VS (zie: http://www.boeckler.de/107575_107598.htm). Deze getallen zijn overigens geschikt om het enthousiasme van OBI-aanhangers over gedragseffecten van een OBI wat te dempen.
     
    Maar stel even dat we niet 12, maar 8 of 16 miljard hadden ‘geprikt’: het had aan onze beleidsrelevante conclusies niets veranderd. Wij komen op totale netto kosten (na aftrek van besparingsmogelijkheden) van een OBI voor Nederland op 107 miljard. Dit is gebaseerd op de Rijksbegroting van 2016, aannemende dat we in 2016 een OBI van 972 Euro hadden ingevoerd voor iedereen boven de 18 jaar. Afgezien van het geprikte getal van 12 miljard, is onze berekening overigens vrij nauwkeurig en ligt maar drie miljard hoger dan de schatting van de voorstanders van een OBI (http://www.basisinkomen.nl).

    Conclusie: er is 107 miljard ‘nieuw’ geld nodig voor een OBI en dat is 43% van de Rijksbegroting. Je moet dus of 43% van de Rijksbegroting wegbezuinigen om geld voor het OBI vrij te maken en/of je moet de belastinginkomsten van het Rijk met 43% verhogen. Gegeven de internationale belastingconcurrentie zijn substantiële belastingverhogingen utopisch. Invoering van een OBI komt dan op een gigantische bezuinigingsoperatie neer die de neoliberale agenda van een kleine overheid goed ondersteunt.
     
    Ten derde, is S. De Beter wat cynisch over de dure overhead na invoering van basisbanen. Ik zie dit als een echo van de neoliberale golf sinds de jaren tachtig, met een principieel wantrouwen tegen alles wat de overheid doet. Als de basisbanen door de gemeente worden ingevoerd, dan is er altijd nog een gemeenteraad die de opdracht heeft, op de centjes van de burgers te letten. Er zal ongetwijfeld her en der ondoelmatig gehandeld worden, maar als het de spuigaten uitloopt, dan moet de democratie op lokaal niveau maar haar werk doen – daar zijn wij als burgers er zelf bij!
     
    Alfred Kleinknecht is emeritus hoogleraar economie (voor achtergrondinformatie zie: http://www.alfredkleinknecht.nl)
     

    • Geachte heer Kleinknecht,

      Hartelijk dank voor uw uitgebreide reactie, die ik graag als volgt wil beantwoorden.

      Het risico van mosterd-na-de-maaltijd geldt inderdaad bij uitstek voor conjuncturele basisbanen, maar zal ongetwijfeld – in een iets andere variant – ook een rol spelen bij de structurele basisbanen. Want iedereen die de gemeentelijke politiek een beetje kent, weet dat de plaatselijke politici allerlei leuke plannetjes gaan bedenken waar die basisbanen een welkome rol kunnen gaan spelen. Om hun plannetjes nog meer te laten ‘glanzen’ en omdat basisbanen op papier makkelijker te organiseren zijn. Maar voordat het in de praktijk allemaal in kannen en kruiken is, zijn er alweer nieuwe plannetjes of nieuwe politici op het pluche.

      Laat ik dan ook maar meteen het derde punt behandelen. U vindt dat ik cynisch ben. Ik zou eerder zeggen: realistisch, op basis van mijn ervaringen ‘van binnenuit’. U lijkt nog steeds te leven in de jaren ‘60 en ‘70 toen heel links Nederland – ook ik – bijna beschamend naïef-optimistisch was over de rol van de overheid en het ambtelijk apparaat, want u schrijft “Er zal ongetwijfeld her en der ondoelmatig gehandeld worden, maar als het de spuigaten uitloopt, dan moet de democratie op lokaal niveau maar haar werk doen – daar zijn wij als burgers er zelf bij!”. Blijkbaar volgt u de plaatselijke politiek niet – of heeft u nog steeds de bril van de jaren ‘70 op. Mijn advies: lees dit https://www.nationaleombudsman.nl/system/files?file=bijlage/2017035%20Terug%20aan%20tafel_Samenvatting.pdf. En praat met de mensen die straks die basisbanen moeten bemensen, want die hebben het meest te maken met ‘de democratie op lokaal niveau’. Voor alle duidelijkheid: ik heb geen PRINCIPIEEL wantrouwen (zoals bij M. Friedman het geval was), maar ik ben wel dor schade en schande wijs geworden.

      Wat betreft uw tweede opmerking: ik zie totaal het nut niet van al die rekenarij, mede omdat u zelf zegt “Er is immers heel weinig statistisch materiaal waarop zich zo een ‘schatting’ zou kunnen baseren”. Uw motto lijkt te zijn: beter een slechte (intuitieve) schatting dan géén schatting. Zit daar geen eigenbelang achter? Want waarom zouden we al die economen nodig hebben of een podium geven als hun schattingen geen nut hebben?!

      Ik wil niet beweren dat er helemaal niet meer gerekend moet of mag worden. Ook ik heb gerekend, zoals u in mijn vorige afleveringen kunt lezen. Mijn stelling is dat dit soort berekeningen veel vruchtbaarder zijn voor de discussie en de meningsvorming dan jullie rekensommetjes, die vrijwel iedereen met een zucht naast zich neerlegt. In termen van input en output of impact hebben jullie je tijd dus niet erg efficient besteed. En dat voor economen!

      Ik raad u aan eerst mijn nieuwe blogposten te lezen, want daarin kom ik met een totaal andere benadering van de basisbanen, die berekeningen misschien zelfs overbodig maakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten