Eert uw voorgangers, en behoudt het goede

 Binnenkort start het tweede semester, wat betekent dat de laatstejaars studenten van menige hogeschool en universiteit met de eindscriptie moeten beginnen. Op basis van mijn ervaringen als begeleider en beoordelaar van doctoraalscripties, momenteel aangeduid als masterthesis, heb ik een handleiding voor hen geschreven, althans wat betreft de literatuurverkenning. Het staat u geheel vrij deze eventueel voor uw eigen studenten te gebruiken.

De standaardindeling van een thesis is als meestal volgt:

  1. Inleiding

  2. Literatuurverkenning

  3. Methodologie

  4. Resultaten

  5. Discussie

  6. Slotbeschouwingen

Meestal kun je bij de eerste versie van hoofdstuk 1 volstaan met het scriptievoorstel, dat goedgekeurd moet worden alvorens je daadwerkelijk kunt beginnen. Dit voorstel geeft immers informatie over waarom jouw scriptieonderwerp interessant is (voor een onderzoek), wat er globaal al bekend is en wat nog onbekend of omstreden is, met welke vraagstelling je aan de slag wilt, en welke resultaten en meerwaarde jij van jouw onderzoek verwacht.

Is dit voorstel – al of niet gewijzigd – goedgekeurd, dan kun je hoofdstuk 1 voorlopig met rust laten en je concentreren op de literatuurverkenning. Mijn suggesties en aanbevelingen voor dit tweede hoofdstuk behandel ik aan de hand van twee vragen:

  1. Wat moet er aan de orde komen (onderwerpen of ingrediënten)?

  2. Op welke manier moeten deze onderwerpen worden behandeld?

A. welke onderwerpen

Sommigen noemen hoofdstuk 2 ‘theoretisch kader’, anderen spreken van ‘eerder onderzoek’. Ik ben in het algemeen geen voorstander van de eerste optie. Want de student geeft dan vaak allerlei stereotiepe beschrijvingen van uiteenlopende theorieën die elk een bepaalde zienswijze op de problematiek bieden, terwijl hij vervolgens weinig doet met al die theorieën. Het wordt nog erger als een dergelijke beschrijving uitmondt in een ingewikkeld conceptueel model waarin diverse onverenigbare concepten en relaties aan elkaar worden geknoopt. Om misverstanden te voorkomen: ik ben wel een voorstander van conceptuele modellen maar die moeten zo duidelijk en simpel mogelijk zijn.

Volgens mij is het veel vruchtbaarder om in hoofdstuk 2 een overzicht te geven van het eerdere onderzoek dat is uitgevoerd op een bepaald terrein, toegespitst op de vraagstelling die voor je eigen onderzoek relevant is. Bij een nieuw onderzoek moet je immers zoveel mogelijk voortbouwen op en leren van eerdere studies over hetzelfde of een aanverwant onderwerp.

Het bouwen van een huis

Het ontwerpen en uitvoeren van een (wetenschappelijk) onderzoek kun je vergelijken met het bouwen van een huis. Je kunt natuurlijk meteen beginnen met het leggen van de eerste steen en vervolgens maar zien hoe je verder gaat om een huis te krijgen dat beantwoordt aan je wensen, en in ieder geval voldoet aan de bouwtekening. De kans op een beter huis wordt groter als je eerst investeert in een globale verkenning, door te kijken naar vergelijkbare huizen; niet alleen naar het eindresultaat maar vooral naar de wijze waarop die huizen zijn gebouwd. Die verkenning kost extra tijd maar dat is een rendabele investering als je via die omweg een beter eindproduct (huis) kunt realiseren.

Voor het bouwen van een huis heb je drie soorten kennis nodig. Ten eerste kennis over de afzonderlijke inputs, waarbij je een onderscheid tussen maken tussen enerzijds bouwmaterialen, zoals hout, stenen, cement etc., en anderzijds aan gereedschap, apparaten en machines die je nodig hebt om die bouwmaterialen te benutten voor het bouwen van een huis.

Daarnaast heb je kennis nodig over de samenhang tussen de afzonderlijke inputs. Deze kennis is vastgelegd in een ontwerp of bouwtekening, afgeleid van een soort wensenlijst of behoefteprofiel: aan welke eisen moet het huis voldoen, zowel esthetisch als functioneel. Vervolgens komen de constructietekeningen en een bestek, waarin wordt aangegeven welke inputs nodig zijn voor de verschillende stappen in het bouwproces

Wat je eigenlijk ook nodig hebt en meestal wordt vergeten (maar gelukkig vaak wel onbewust te beschikking staat, in de vorm van tacit knowledge in de hoofden van architecten en aannemers): een overzicht van eerdere pogingen om een vergelijkbaar huis te maken. Bij dit overzicht gaat het om vragen als: hoe kan het bouwproces worden georganiseerd, welke problemen zijn in de loop van het bouwproces ontstaan en hoe heeft men deze problemen proberen op te lossen. In het bijzonder: welke bouwmaterialen en gereedschappen zijn geschikt als je een huis wilt bouwen dat aan bepaalde eisen moet voldoen?

Hoewel ook deze vergelijking een beetje mank gaat, zou je hoofdstuk 2 op dezelfde manier kunnen specificeren. De literatuurverkenning over een bepaald wetenschapsgebied bevat namelijk grofweg drie verschillende ingrediënten:

  1. een overzicht van de basisconcepten;

  2. wat is er al onderzocht op dat gebied en wat heeft dat onderzoek opgeleverd;

  3. een bespreking van mogelijke verbanden tussen de basisconcepten en verschillende uitkomsten.

Er is veel voor te zeggen om 2. en 3. om te wisselen, dus om eerst de mogelijke samenhang tussen de diverse basisbegrippen te bespreken (evt. aan de hand van diverse theorieën), en daarna pas de uitkomsten van empirisch onderzoek. Maar in de praktijk is het vaak toch handiger om eerst een ruw overzicht van het empirische onderzoek te geven, om vervolgens op basis daarvan in te zoomen op een deelterrein dat zich leent voor nader onderzoek (jouw scriptie) en alleen voor dat deelterrein de mogelijke verbanden tussen de relevante begrippen te bespreken.

A.1 de basisconcepten

Dit eerste onderdeel van hoofdstuk 2 bevat een overzicht van de diverse concepten en begrippen die worden gebruikt op het terrein waarop jouw scriptie betrekking heeft (vergelijkbaar met het gereedschap, de apparaten en machines die je nodig hebt om een bepaalde categorie huizen te bouwen). Omdat je de meeste begrippen in je studie hebt gehad, lijkt dit misschien een overbodige (of kleine) stap in de literatuurverkenning, maar dat is een misvatting. Om te beginnen moet jouw thesis niet alleen toegankelijk zijn voor ingewijden – die ongetwijfeld bekend zijn met de basisbegrippen –, maar ook voor een (geschoolde) buitenstaander. En dat vereist dat je de relevante begrippen systematisch beschrijft. Bovendien zijn de meeste begrippen en concepten vaak helemaal niet zo eenduidig als ze op het eerste gezicht lijken. Zeker als het om complexe fenomenen gaat, worden vaak door de diverse auteurs uiteenlopende definities gebruikt, of dezelfde definitie in een andere context (zodat dezelfde bewoordingen iets anders betekenen). Sommige definitieverschillen zijn slechts een kwestie van een iets andere bewoordingen – zodat ze dezelfde betekenis hebben –, maar soms brengen ze tot uiting dat je op een andere manier naar het betreffende fenomeen kan kijken.

Voor een goed overzicht van de relevante concepten is ook belangrijk hoe zij zich tot elkaar verhouden: is er sprake van enige overlap of gaat het om elkaar uitsluitende fenomenen. Zo zijn grensoverschrijdende acquisities een subcategorie van directe buitenlandse investeringen (foreign direct investment, FDI). Andere subcategorieën zijn greenfield investeringen, of leningen van de ene dochter naar de andere dochtermaatschappij binnen concernverband (al of niet in het kader van tax planning). Hoewel sommige concepten redelijk abstract zijn, verwijzen ze altijd naar een economische of sociale werkelijkheid, en dus vereist de interpretatie van een concept dat je kunt aangeven hoe je het betreffende fenomeen in kaart kunt brengen (al of niet kwantitatief). Het gaat dan niet om de meetbaarheid in enge zin – dat komt pas in hoofdstuk 3 aan bod –, maar om de antwoord op de kernvraag: over welke empirische verschijnselen hebben we nu eigenlijk als we concept A of concept B gebruiken (en welke verschijnselen vallen daar NIET onder).

Tot slot is het bij dit onderdeel van de literatuurverkenning belangrijk om te kijken naar de veranderingen in de tijd, zowel conceptueel als empirisch. Een bepaald verschijnsel kan in de loop der jaren, decennia of eeuwen kwantitatief aan belang winnen, of zelfs een ander karakter krijgen. FDI kennen we al sinds bedrijven hun investeringen niet beperken tot hun thuisland, maar de wijze waarop en de mate waarin zij in het buitenland investeren heeft sindsdien grote veranderingen ondergaan. Dat zou kunnen – en misschien zelfs moeten – betekenen dat onderzoekers in de loop der tijd een andere betekenis aan het FDI-verschijnsel geven, en wellicht een andere definitie hanteren, maar dat is niet altijd het geval.

A.2. Eerder onderzoek

Het tweede onderdeel bestaat uit een overzicht van eerder onderzoek. De bedoeling is dat je in beeld brengt welke relaties zijn onderzocht, op welke manieren dat is gebeurd, en wat het onderzoek heeft opgeleverd. Zeker als het om regressiestudies gaat, is het wellicht mogelijk om een overzicht te maken, door per onderzoek de volgende gegevens te vermelden (voor zover mogelijk):

  1. auteur(s), plus jaartal van publicatie

  2. heeft betrekking op welk jaar of periode

  3. uitgevoerd voor welke landen of regio’s

  4. welke theoretische of conceptuele benadering(en)

  5. welke afhankelijke (te verklaren) variabelen

  6. welke onafhankelijke (verklarende) variabelen

  7. welke controle variabelen

  8. welke (statistische) verbanden zijn gevonden

De belangrijkste functie van deze inventarisatie is dat je beter in staat bent om je eigen onderzoek af te bakenen en te positioneren. Grofweg kun je dan variëren tussen een replicatie van een of meer van die eerdere onderzoeken, en – aan de andere kant van het spectrum – een studie waarin je allerlei (theoretische en/of empirische) elementen uit verschillende studies combineert.

Wellicht ben je geneigd te denken dat je bij een masterscriptie de laatstgenoemde variant moet kiezen. Die suggestie wordt wellicht gevoed door de eis vanuit sommige opleidingen of docenten dat jouw scriptie iets NIEUWS moet opleveren. Maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat je een nieuw onderzoeksterrein betreedt of een bestaand terrein met een nieuwe combinatie van theoretische en/of empirische elementen gaat onderzoeken.

Om twee redenen wil ik pleiten voor een herwaardering van het replicatie-onderzoekTen eerste behoort replicatie-onderzoek tot het fundament van de wetenschap. Als een beta-wetenschapper een nieuwe chemische verbinding of natuurkundig effect vindt, dan kan hij er zeker van zijn dat anderen dit onderzoek onmiddellijk gaan controleren. Vinden zij niet (min of meer) hetzelfde effect, dan wordt het niet langer serieus genomen (totdat iemand een nieuwe poging doet, vaak volgens een andere benadering). Hoewel de sociale wetenschappers, en zeker de economen, zich graag willen meten met natuurwetenschappers, wordt replicatie-onderzoek in het gamma-domein niet erg belangrijk gevonden. En als het dan gebeurt, zoals laatst bij psychologie, dan is bijna iedereen verbaasd (en verontwaardigd) dat de score zo laag is. Slechts bij 39 procent van de oorspronkelijke studies worden de uitkomsten bij replicatie-onderzoek inderdaad bevestigd. Bij economie en bedrijfskunde staat replicatie-onderzoek nog helemaal in de kinderschoenen. Wie weet scoren deze twee onderdelen uit het gamma-domein nog slechter dan psychologie!

Een tweede reden is dat een replicatie-onderzoek ten onrechte als ‘veel te gemakkelijk’ wordt afgeschilderd. Want vaak kun je niet beschikken over de databases die in eerdere onderzoeken zijn gebruikt, zodat je op een andere manier aan data moet komen. Ook zijn onderzoekers niet altijd zo expliciet over de keuzes die ze hebben gemaakt, en moet je dus met eigen oplossingen komen. Als je heel kritisch en slim bent, zul je waarschijnlijk fouten en tekortkomingen in die eerdere studies ontdekken, zodat je een ‘verbeterde versie’ kunt maken. Bovendien hoef jij je niet te beperken tot de replicatie van één eerdere studie, maar kun je ook zoeken naar creatieve mogelijkheden om meerdere studies met soort combinatie-replicatie uit te voeren.

Het replicatie-onderzoek kent diverse varianten:

  • een onderzoek dat op (veel) eerder tijdvak betrekking heeft, ga je herhalen op basis van recentere cijfers, waarbij je min of meer dezelfde theorieën, variabelen en onderzoeksmethoden gebruikt (wat de vergelijkbaarheid vergroot);

  • Het replicatie-onderzoek heeft niet alleen betrekking op tijd maar ook op ‘plaats’: had het eerdere onderzoek bijv. vooral betrekking op de VS, dan kun je een vergelijkbaar onderzoek uitvoeren voor een of meer andere landen;

  • Je kunt bij een replicatie-onderzoek ook op andere manieren variëren. Zo zou je hetzelfde onderzoek met andere meetvariabelen of onderzoekstechnieken kunnen uitvoeren, om te kijken of je dan dezelfde uitkomsten krijgt (dit gaat in de richting van een robuustheid check van het eerdere onderzoek).

A.3. Statistische of oorzakelijke verbanden

Wetenschap bestaat voor een belangrijk deel uit het opsporen van onderlinge relaties tussen twee verschillende verschijnselen: wat gebeurt er met Y wanneer X stijgt of daalt. Belangrijk is het onderscheid tussen statistische en oorzakelijke verbanden tussen X en Y. In het eerste geval is er op een of andere manier een kwantitatieve samenhang tussen X en Y, bijv. als X stijgt, zal Y stijgen (positief verband) of juist dalen (negatief verband). Het kan ook zijn dat het verband eerst negatief is en bij een bepaalde waarde van X positief wordt; als je dit uittekent in een grafiek, krijgt je een V- of U-curve. Bij een omgekeerde U-curve krijg je eerst een positief, en daarna een negatief verband.

Te gemakkelijk wordt vaak aangenomen dat een statistisch verband een oorzakelijk verband impliceert. Dat is echter alleen het geval indien X zowel een noodzakelijke als een voldoende verklaring is. Noodzakelijk in de zin dat Y alleen optreedt als X aanwezig is. Men spreekt van een voldoende verklaring als er geen derde variabele Z in het geding is. In het geval Y verandert wanneer zowel X als Z veranderen, dan is X als zodanig geen voldoende verklaring voor Y.

Hieronder staat een simpel overzicht van de oorzakelijke verbanden, die allemaal een statistisch significant verband tussen X en Y kunnen opleveren. Anders gezegd: als je een significant verband constateert, dan weet je nog steeds niet welke van de vier mogelijke modellen daarmee wordt bevestigd. Bovendien kan er ook sprake zijn van een omgekeerd verband: Y beïnvloedt X, i.p.v. andersom.

  1. x → y

  2. x → y → z

  3. z → x → y

  4. x → z → y

Mijn punt is: je hebt altijd een overtuigende argumentatie – een conceptueel model – nodig om aan te tonen dat er sprake is van een oorzakelijk verband. De feiten alleen, al of niet in de vorm van regressievergelijking, leveren niet voldoende bewijsmateriaal. Toegespitst op de literatuurverkenning: naast de statistische toetsen zul je ook in beeld moeten brengen welke argumentatie door de diverse onderzoekers is gebruikt. Waarbij je erop bedacht moet zijn dat niet alle onderzoekers voldoende duidelijk en compleet zijn in hun argumentatie (zie onder B.).

B. Hoe doe ik verslag?

Hoofdstuk 2 gaat vooral over wat andere onderzoekers hebben geschreven. Aan de andere kant ben jij degene die een selectie maakt uit het werk van jouw voorgangers. Daarom is het belangrijk om duidelijk aan te geven op welke manier jij het werk van anderen benut, ter voorbereiding van je eigen onderzoek.

Ik pleit voor de volgende principes en richtlijnen

  1. Probeer de lezer (en de begeleider of beoordelaar) niet te imponeren met een overvloed aan referenties. Het lijkt al gauw op window-dressing, vooral als je zelf een zwak verhaal hebt. Het is ook riskant als je verwijst naar een studie die je niet zelf hebt gelezen, want je staat behoorlijk voor schut als je bij de verdediging wordt gevraagd naar de strekking van die studie. Beperk je daarom tot de meest relevante en tot de ‘betere’ studies. Denk aan de woorden van Goethe: “in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”.

  2. Maak duidelijk onderscheid wat anderen hebben geschreven en jouw rol als interpretator van hun studies. Dat kan op verschillende manieren.

  • In tegenstelling tot de heersende mode vind ik het juist goed dat masters-in-opleiding de ik-vorm gebruiken. Ik heb dus een voorkeur voor zinnen als “In navolging van Auteur A (2016), onderscheid ik twee theoretische benaderingen om de relatie tussen X en Y te onderzoeken.” Of: “In tegenstelling tot Auteur B (2016) lijkt mij concept X niet zo relevant voor deze vraagstelling, en wel om de volgende redenen ……”

  • Ook kun je gebruik maken van letterlijke citaten. Als je zelf probeert de redenering van een een of andere auteur samen te vatten, dan blijft vaak onduidelijk wat die auteur precies beweert en wat jouw interpretatie is. Deze onduidelijkheid kun je vermijden door met letterlijke citaten te werken, natuurlijk niet te pas en te onpas. Bovendien, als die auteur iets perfect heeft verwoord, waarom zou je dat niet benutten (met bronvermelding), in plaats van met steenkolenengels een slechtere formulering te verzinnen. Hanteert de betreffende auteur juist een twijfelachtige redenering, dan heeft een citaat het voordeel dat deze jou niet aangerekend kan worden.

  • Als je iemand citeert, vermeldt dan ook op welke pagina dat citaat te vinden is; alleen auteur en jaartal noemen is niet voldoende. Dat geldt ook als je bepaalde empirische data wilt gebruiken om je betoog te ondersteunen. Een voorbeeld: “Deze redenering wordt bevestigd door het feit dat Auteur C (2016 : 10) significante verschillen constateert tussen A1 en A2” (die op p. 10 van Auteur C, 2016 te vinden zijn).

Het verschil tussen bouwstenen en gereedschap

Waarom is het zo belangrijk om bij citaten en empirische gegevens de vindplaats nauwkeurig te vermelden? Omdat ieder onderzoek navolgbaar en reproduceerbaar moet zijn: op basis van jouw onderzoeksverslag, in de vorm van de scriptie, moet een andere onderzoeker (of de scriptie-beoordelaars) kunnen achterhalen hoe jouw onderzoek is uitgevoerd. Dat betekent echter niet dat je bij iedere literatuurreferentie met paginering moet werken. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de ‘feiten’ die anderen hebben aangedragen, en de theoretische gezichtspunten die je gebruikt om de ‘feiten’ te ordenen, analyseren, interpreteren of te verklaren.

Vergelijk het met het bouwen van een huis. Wat je daarvoor nodig hebt zijn bouwmaterialen, zoals hout, stenen, cement etc., maar ook gereedschap, apparaten en machines om die bouwmaterialen als het ware te transformeren in het uiteindelijke huis. Een wetenschappelijk empirisch onderzoek vereist bouwmaterialen in de vorm van cijfers en andere data. Als je deze data niet zelf hebt geproduceerd, bijvoorbeeld door enquêtes of interviews (we spreken dan van primaire data) is het gebruikelijk te verwijzen naar de bron van je secundaire data. Je voldoet op die manier aan de belangrijkste spelregel van wetenschappelijk onderzoek: een andere onderzoeker moet in staat zijn om het betreffende onderzoek te controleren of opnieuw te doen (replicatie-onderzoek). En dat vereist dat de vindplaats exact omschreven is, zoals ook de opdrachtgever van een bouwproject precies wil weten waar de bouwmaterialen vandaan komen als hij twijfels heeft over de kwaliteit van het gebruikte materiaal.

Naast bouwmaterialen heb je ook gereedschap e.d. nodig om een huis te bouwen. In de wetenschap zijn dat de theorieën, redeneringen, methoden en andere middelen die de onderzoeker gebruikt om een betoog op te bouwen en conclusies te trekken. Het is een mooie traditie dat de onderzoeker verwijst naar zijn voorgangers die hij schatplichtig is. Een literatuurverwijzing brengt tot uiting dat hij zich door bepaalde studies heeft laten leiden of inspireren; in dat geval is paginaverwijzing niet mogelijk, en ook niet nodig.

Helaas geven de meeste wetenschappelijke tijdschriften op het terrein van economie en bedrijfskunde tegenwoordig het verkeerde voorbeeld. Achter bijna iedere zin zien we een of meer literatuurreferenties maar de auteur laat meestal in het midden hoe hij zich tot die literatuur verhoudt. Het lijkt erop dat onderzoekers alle publicaties wil noemen die over een onderwerp te vinden zijn, zonder onderscheid te maken tussen rijp en groen. In tegenstelling tot vakgebieden als rechten en geschiedenis is een ander kenmerk van de huidige gamma-wetenschappen dat exacte bronvermelding (dus met paginering) bijna niet meer wordt toegepast.

Ik wil niet beweren dat vroeger alles beter was, maar dit wel! Kijk maar eens naar misschien het beste (en in ieder geval kortste) artikel van Friedrich Hayek (1945), in het toptijdschrift American Economic Review. Of naar het meest geciteerde artikel aller tijden in de juridische literatuur, van een andere Nobelprijswinnaar, Ronald Coase (1960).

Tot slot

Het schrijven van een scriptie is geen lineair proces, in de zin dat je begint het schrijven van hoofdstuk 1, daarna hoofdstuk 2, 3 enzovoorts, totdat je het laatste hoofdstuk hebt geschreven, en de scriptie kunt inleveren. Het is veeleer een cyclisch proces. Ik bedoel daarmee dat je na de eerste versie van hoofdstuk 2 weer opnieuw naar hoofdstuk 1 gaat kijken. En ongetwijfeld ga je daar een aantal zaken veranderen. Want als het goed is, heeft de verkenning van het eerdere onderzoek jou een beter beeld gegeven van hoe jouw scriptie daarop kan voortborduren, en welke aanpak het meest vruchtbaar lijkt. Dat betekent ook dat hoofdstuk 3 en 4 (methodologie en analyse) wellicht anders aangepakt worden dan je aanvankelijk van plan was.

Ben je helemaal klaar met je scriptie, dan ga je wederom naar hoofdstuk 1 om te kijken of je daar inderdaad belooft wat de lezer in de rest van de scriptie kan verwachten.

S. de Beter

Share

2 Reacties.

  1. Heel goed. Wel vind ik de huizenmetafoor ongemakkelijk: je vergeet in die metafoor het noemen van het bouwrijp maken van de grond waarop gebouwd gaat worden, en precies daarin schuilen tal van onbekende invloeden (als gevolg waarvan tal van projecten veel langer duren en veel meer kosten dan begroot).

  2. Mijn jongste kind studeerde een acht jaar geleden af.

    Dat gaat tegenwoordig in groepjes.

    Uiteraard was de scriptie van mijn kind uitstekend, zo is dat bij vaders; in dit geval heeft dat enige grond, de scriptiebegeleider ging die scriptie gebruiken bij zijn colleges in de VS.

    Mijn vrouw en ik waren verbijsterd over de kwaliteit, het ontbreken daarvan, bij de overigen die daarmee een academische opleiding afrondden.

    Bij het afstuderen van twee neven at langer geleden smaakte ik het genoegen dat het misnoegen van de hooggeleerde over het geleverde even groot leek als dat van mij.

    Wij zijn zo ver dat alleen het niet hebben kunnen afronden van een academische studie nog iets zegt.

    Ik vraag me vaak af of  onze huidige politieke malaise, en blunders als EU en euro, hun oorsprong vinden in de achteruitgang van ons onderwijs, zoals ik dat vanaf 1955 meemaakte, toen ik toelatingsexamen hbs deed.

    Varoufakis is van mening dat macro economie sinds 1970 nergens meer gedoceerd is, in plaats daarvan werd het marktgeloof geïndoctrineerd.

    De handleiding die hier is gegeven is mooi, ik kan daar niets op aanmerken, helaas zie ik dus een flagrante tegenstelling met de realiteit.

    Aardig is wel dat bedrijfskunde wordt genoemd als boosdoener, een niet bestaande wetenschap kan inderdaad niet veel voorstellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten