Zelfs de Albert Cuyp is geen vrije markt

Rechts wil meer markt, Links meer overheidsingrijpen. Het wordt hoog tijd dat we dit soort stereotypen verlaten. Veel belangrijker dan deze uitgesleten groeven zijn discussies over geschikte combinaties van centrale en decentrale besluitvorming.

Zwart-wit, links-rechts, ja-nee, voor-tegen, licht-donker, yin-yang, et cetera. Wij beperken ons vaak tot twee alternatieven die diametraal tegenover elkaar staan. Zo ook bij bij discussies over de inrichting van de economie. Je bent tegen of voor overheidsingrijpen, dus voor of tegen ruim baan voor het marktmechanisme. Het is veel moeilijker om te praten over de meest geschikte combinatie van markt en overheid.

Aan de economische wetenschap heb je op dit punt weinig. Integendeel, zij wakkert dit vuurtjehet tegenover elkaar plaatsen van markt en overheid – nog eens flink aan. Haar dominante uitgangspunt is dat de vrije markt het superieure coördinatiemechanisme is, en dat overheidsingrijpen alleen gerechtvaardigd is als er sprake is van ‘marktfalen’, zoals bijvoorbeeld bij monopolies of externe effecten het geval is.

Laat u niets wijsmaken. Zoals er geen perfecte mensen zijn, zo zijn er evenmin perfecte markten – behalve in neoklassieke economische modellen. Maar ze kunnen wél bijna-perfect worden gemaakt, als ze op een slimme manier worden gereguleerd door een of andere vorm van centraal gezag – en dat hoeft niet per se de overheid te zijn. Dit zal ik illustreren aan de hand van drie voorbeelden. Waarbij ik tevens betogen dat economen eerder een sta-in-de-weg zijn dan behulpzaam bij het zoeken naar de meeste geschikte combinatie van centrale en decentrale coördinatie.

De onderneming als centraal geleide economie

Dat het kiezen tussen de extremen markt en overheid eigenlijk heel raar is, wordt vooral duidelijk door te kijken naar de manier waarop ondernemingen worden bestuurd. Een directeur van een onderneming staat in feite aan het hoofd van een centraal geleide mini-economie – die qua omvang bij sommige concerns overigens groter is dan een hoop landen. In 2015 waren 69 van de 100 grootste economieën ter wereld geen overheden maar bedrijven.

Zoals Nobelprijswinnaar Ronald Coase al benadrukte in zijn allereerste artikel (1937) over transactiekosten – door niet-economen meestal aangeduid als coördinatiekosten – zullen werknemers intern niet overstappen naar een andere afdeling omdat ze daar een hoger loon kunnen verdienen. Nee, ze worden overgeplaatst op gezag van de ondernemingsleiding, omdat ze daar een hogere bijdrage kunnen leveren aan de ondernemingsdoelstellingen.

Zeker binnen grote ondernemingen, wordt naast de hiërarchische gezagsstructuur vaak tevens een milde vorm van marktmechanisme gehanteerd, bijvoorbeeld door business units een groter investeringsbudget te geven naarmate zij een hoger rendement behalen. Of door allerlei vormen van prestatiebeloning te hanteren. Maar al die marktelementen zijn onderdeel van de centraal geleide economie, en kunnen selectief worden toegepast. Blijken ze verkeerd uit te pakken voor de onderneming als geheel (of voor de ondernemingsleiding, wat niet hetzelfde is), dan kunnen ze worden bijgesteld of helemaal buiten werking gezet. Dit illustreert dat het marktmechanisme alleen goed werkt als er centrale regels zijn, die bovendien aangepast kunnen worden als de resultaten tegenvallen; wat niet betekent dat die aanpassing ook altijd daadwerkelijk plaatsvindt.

Langetermijncontracten

Zeker in het verleden kwam het vaak voor dat ondernemers de gehele bedrijfskolom in handen wilden hebben. Denk aan oliemaatschappijen die streefden naar het beheer over de totale keten – van put tot pomp. Zodat ze alleen rekening hoefden te houden met de klanten en de concurrenten – en met de overheid die hun vervelende regels wilde opleggen. De interne coördinatiekosten werden echter zo hoog dat in toenemende mate sommige transacties via de externe markt werden afgewikkeld. Economen spreken hier van verticale desintegratie: in plaats van bepaalde inputs zelf te maken, worden deze van andere bedrijven – toeleveranciers – betrokken.

Wie denkt – zoals de meeste neoklassieke macro-economen doen – dat ondernemers voortdurend op zoek zijn naar de toeleveranciers met de laagste prijs, vergist zich. Deze handelwijze zullen ze alleen toepassen bij de kleine categorie standaardproducten die in alle opzichten en overal gelijk zijn, behalve qua prijs. In de meerderheid van de gevallen worden langetermijncontracten afgesloten die worden gekenmerkt door een combinatie van markt- en hiërarchische elementen, oftewel van decentrale en centrale besluitvorming. Bij uitbestedingsbeslissingen tellen dus niet alleen de prijzen die de toeleveranciers in rekening brengen, maar ook de coördinatiekosten die nodig zijn om de externe en de interne productie voor de wat langere termijn op elkaar af te stemmen, inclusief de wederzijdse investeringen die daarvoor nodig zijn.

Bedenk dat er geen CPB of andere club van geleerde economen wordt ingeschakeld om deze coördinatieprocessen binnen en tussen ondernemingen in te richten en zo nodig aan te passen. Hier regeren simpelweg gezond verstand, en door trial and error. Weliswaar zijn er met de komst van de bedrijfskunde inmiddels allerlei academici in het bedrijfsleven terecht terecht gekomen – als werknemer of via consultancy bureaus – die verkondigen dat gezond verstand niet voldoende is om de ondernemingsdoelen te realiseren. Hebben we door hun komst betere bedrijven gekregen? Ik heb mijn twijfels, om het voorzichtig uit te drukken. 

Ook de warenmarkt is gereguleerd

Gaan we van de centraal geleide mini-economie die onderneming heet, naar het andere uiteinde van het spectrum, dan komen we terecht bij markten voor groenten, fruit, kleding en dergelijke. Deze zogeheten warenmarkten lijken behoorlijk op de perfecte markt zoals de economen die graag zien, want iedereen kan er boodschappen doen en in principe kan iedereen er een standplaats huren. Er zijn met andere woorden veel vragers en veel aanbieders, en vrijwel geen toetredingsdrempels.

Desondanks kun je niet bij economen terecht als je wilt weten hoe zo’n perfecte markt in de praktijk functioneert. Want die halen hun neus op voor alledaagse economische fenomenen – omdat ze alleen met wiskundige modellen en regressie-analyses overweg kunnen, en niet met echt empirisch onderzoek? Voor veldonderzoek heb je meer aan antropologen zoals Clifford Geertz die de lokale markten in Marokko heeft onderzocht. Of Joris Luyendijk met zijn studie over de City in Londen.

De warenmarkt kan wellicht als een vrij perfecte markt worden gezien, maar zeker niet als een vrije markt. De warenmarkt kent, zeker de laatste jaren, een bloeiend bestaan (al geldt dat voor food veel sterker dan voor non-food), maar dit heeft juist alles te maken met het feit dat zij in sterke mate gereguleerd is. Iedere warenmarkt is onderworpen aan een gemeentelijk marktreglement. Bovendien vindt er indirecte regulering plaats, via diverse commissies waar zowel marktkooplieden als gemeenteambtenaren zitting hebben. Een voorbeeld is de sollicitatiecommissie waar nieuwe kandidaten zich moeten melden voor een standplaats, en moeten aantonen dat hun aanbod voldoende toegevoegde waarde heeft voor de markt als geheel. Daarnaast zijn er marktmeesters, die op diverse fronten de boel in de gaten houden en eventueel corrigerend kunnen optreden.

Beter een rechte rug dan een economiestudie

Je moet er toch niet aan denken dat er onbeperkte toegang zou zijn voor marktkooplieden. Binnen de kortste keren komt er een overaanbod, met als gevolg een moordende concurrentie. Dat lijkt op korte termijn goed voor de consument, die kan profiteren van dalende prijzen, maar op wat langere termijn zullen de meeste marktkooplui hun biezen moeten pakken. Zij die dan overblijven zijn niet noodzakelijkerwijs de beste of goedkoopste aanbieders – zoals economen altijd veronderstellen doch nooit onderzoeken – maar de marktkooplui met de meeste financiële reserves, de minste alternatieve inkomstenbronnen,of met de grootste oogkleppen.

Je moet er ook niet aan denken dat je eerst economie gestudeerd moet hebben om marktmeester te kunnen worden. Belangrijker dan academische kennis – die waarschijnlijk eerder averechts uitpakt – is dat marktmeesters over voldoende moreel besef beschikken, zodat ze zich niet laten omkopen – zoals in Amsterdam is gebeurd.

Het marktmechanisme door Duitsers slim benut

Naast een praktische vorm van regulering is er ook creativiteit nodig om het marktmechanisme goed te laten functioneren. Dat kan ik illustreren aan de hand van mijn derde voorbeeld: het Duitse energiebeleid. Vanaf 2000 besluit de Duitse overheid om minder afhankelijk te worden van kernenergie, door wind-, zonne- en andere groene energie flink te stimuleren. Zij richt zich daarbij in eerste instantie vooral op boeren en tuinders als nieuwe energieproducenten. Om deze Energiewende te realiseren, hanteert zij een paar simpele principes – die ongetwijfeld niet door economen zijn bedacht.

Neem bijvoorbeeld de zogeheten afzetgarantie: het regionale elektriciteitsbedrijf neemt alle geproduceerde groene stroom af. Verder krijgen de boeren en tuinders een vaste afzetprijs die twintig jaar wordt gegarandeerd. De nieuwe energieproducenten kunnen op deze manier heel makkelijk uitrekenen of het financieel aantrekkelijk is om zonnepanelen te plaatsen of windmolens te laten bouwen.

Naarmate meer boeren groene stroom produceren, zal de dagprijs voor groene energie dalen, zoals je mag verwachten bij meer aanbod en een gelijkblijvende vraag. De lagere dagprijs geldt niet voor de agrariërs die al zijn overgestapt, maar alleen voor degenen die op die dag instappen. Voor de achterlopers, zoals ze in de innovatietheorie van Rogers worden genoemd, is de lagere garantieprijs echter niet per se een obstakel omdat ze kunnen profiteren van leereffecten en lagere investeringskosten; denk aan de enorme prijsdaling bij zonnepanelen.

Duitse aanpak is een stuk effectiever

Natuurlijk kan men tegenwerpen dat deze Energiewende de Duitse burger wel heel veel geld heeft gekost, want de hogere prijzen voor de boeren en andere producenten werden doorberekend aan de consumenten. En inderdaad: de stijging van de energieprijzen was bij de oosterburen maar liefst 92% in de periode 2000-2014. Maar in dezelfde periode stegen de Nederlandse energieprijzen met 130%, dus bijna anderhalf keer zoveel! Bovendien was de Duitse aanpak een stuk effectiever: in 2015 kon 14% van de Duitse energieproductie als duurzaam worden bestempeld, heel wat meer dan de schamele 6% van Nederland. En vergeet niet dat vooral de boeren hebben geprofiteerd van de Energiewende, en dat deze beroepsgroep in Nederland op andere manieren financieel worden ondersteund. Kortom, door een slim marktmechanisme te construeren hebben de Duitsers veel meer bereikt dan de Nederlandse overheid met haar bureaucratische zwabberbeleid.

Het is moeilijk uit te rekenen, maar het zou mij niet verbazen als de kosten die gemoeid zijn met het bedenken, uitvoeren en evalueren van al die Nederlandse stimuleringsregelingen, vele malen hoger zijn dan in het Duitse geval. Neem alleen het feit dat de meeste subsidieregelingen in Nederland dermate ingewikkeld zijn dat bedrijven vaak een dure subsidieadviseur moeten inschakelen. Dit soort economische transactiekosten worden vrijwel altijd buiten beschouwing gelaten als energiemaatregelen worden geëvalueerd. Een sprekend voorbeeld biedt het SEO-rapport, dat – mede om die reden – veel te positief is over het Nederlandse energiebeleid. Weliswaar wordt daarin gesproken over administratieve lasten voor burgers en bedrijven, maar nergens valt na te lezen hoe deze worden berekend; en hoe dan ook zijn deze lasten slechts het topje van de transactiekostenijsberg. Bovendien wordt nergens een vergelijking gemaakt met de aanpak die in andere landen wordt gehanteerd om dezelfde doelstellingen te realiseren.

De overheid als tuinman

De conclusie is duidelijk: verstandig gebruik van het marktmechanisme – zoals bij het Duitse beleid voor de transitie naar groene energie – is effectiever en zorgt voor minder transactiekosten dan bij bureaucratische overheidsmaatregelen meestal het geval is. Maar deze superieure eigenschap van het marktmechanisme geldt alleen doordat een centrale instantie – in de vorm van de overheid of anderszins – de spelregels heeft vastgesteld. Anders gezegd: met minimale centrale sturing kunnen de voordelen van decentrale coördinatie maximaal worden benut.

De overheid moet een voorbeeld nemen aan de betere tuinman. Deze maakt zoveel mogelijk gebruik van de kracht, inventiviteit en weerstandsvermogen van de natuur, en komt alleen in actie als sommige planten te dominant worden, de tuin extra voedingsstoffen nodig heeft, of wanneer hij andere accenten wil aanbrengen in de tuin.

Ben ik nu een liberale econoom die pleit voor een minimale overheid? Inderdaad, want persoonlijke vrijheid staat hoog in mijn vaandel en ik heb veel vertrouwen in de creativiteit en de ‘persoonlijke kennis’ van gewone mensen. Op het gevaar af dat linkse mensen zich nu walgend afkeren, wil ik de lezer aanraden eens goed kennis te nemen van het mooie artikel van Hayek over de wijze waarop het prijsmechanisme functioneert, al legt hij hier te weinig nadruk op de benodigde spelregels. Voor degenen die een ‘autoriteit’ nodig hebben om hun vooroordelen opzij te zetten, wil ik verwijzen naar wat Ewald Engelen over Hayek schreef.

Juist omdat ik veel waarde hecht aan een regulerende overheid, pleit ik voor een kleine en krachtige overheid. Elke uitbreiding van de overheidsbureaucratie die door de burger – en vaak met recht – als contraproductief en overbodig wordt beschouwd, ondermijnt op den duur het morele en politieke gezag van de overheid.

Wedijver in de collectieve sector

Je zou mij zelfs een ultra-liberale econoom kunnen noemen, want ik wil niet alleen wedijver in de particuliere sector maar ook in de collectieve sector. Dan bedoel ik niet de privatisering die vanaf eind jaren ’80 heeft plaatsgevonden in de gezondheidszorg en het openbaar vervoer en op tal van andere maatschappelijke terreinen. Want die privatisering werd gecombineerd met deregulering. Het marktmechanisme functioneert juist beter als het is ingebed in een slim systeem van centrale regelgeving, en als morele waarden en maatschappelijke principes voorrang krijgen boven financiële belangen en vormen van bureaucratische efficiëntie die alleen door ‘experts’ kunnen worden vastgesteld.

Ik gebruik met opzet de term ‘wedijver’, want ik wil geen gevecht van leven op dood, zoals bij (moordende) concurrentie het geval is, maar een sportieve krachtmeting met als doel jezelf en je concurrenten beter te maken.

Diversiteit en wedijver zijn tot dusver een schaars goed in de collectieve sector. Waarom is er bijvoorbeeld maar één UWV waar werklozen terecht kunnen voor hun uitkering en voor hulp bij het zoeken naar een nieuwe baan? Waarom niet twee of drie UWV’s die op dit terrein dezelfde doelstellingen via andere wegen proberen te realiseren? Het gaat er niet om dat de beste wint en de ‘verliezers’ het veld moeten ruimen, want dan komen we weer een monopoliepositie terecht – tenzij er weer nieuwe organisaties worden opgericht. Sommige categorieën werklozen hebben meer aan de manier waarop UWV-A werkt, terwijl anderen beter terecht komen bij UWV-B. Ook bij collectieve voorzieningen geldt: wat goed is voor de een, kan voor de ander veel minder geschikt zijn.

Schaalvoordelen

En kom nu niet aan met het argument dat er schaalvoordelen verloren gaan als dat ene UWV wordt vervangen door twee of drie UWV’tjes. Schaalvoordelen – voor zover aangetoond, want ook hier geldt: vaak verondersteld doch nauwelijks daadwerkelijk onderzocht – kunnen op verschillende manieren worden gerealiseerd. En aangezien in iedere organisatie of branche uiteenlopende taken en activiteiten worden uitgevoerd, staan tegenover schaalvoordelen bij de ene taak vrijwel altijd schaalnadelen bij de andere. Bovendien worden mogelijke schaalvoordelen in de operationele sfeer vaak tenietgedaan door stijgende coördinatiekosten.

Kijk naar Buurtzorg NL of de Zweedse Handelsbanken, die een superklein hoofdkantoor hebben. Vrijwel alle activiteiten – zoals marketing, personeelsbeleid en kwaliteitsbeleid – die bij hun concurrenten op centraal niveau zijn ondergebracht, worden hier overgelaten aan de afzonderlijke thuiszorgteams resp. bankkantoren. Wat Hayek zegt over decentrale besluitvorming op de markt, is in wezen hetzelfde als maximale regelcapaciteit voor de mensen die binnen een organisatie het eigenlijke werk moeten doen. In beide gevallen geldt dat de ‘persoonlijke kennis’ op decentraal niveau voorrang krijgt boven de ‘academische kennis’ op centraal niveau. En in beide gevallen kan die aanpak alleen goed uitpakken wanneer op centraal niveau simpele en rechtvaardige spelregels worden gehanteerd.

Zo kan het ook

Als markten goed zijn georganiseerd wordt recht gedaan aan twee principes die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken: iedereen is gelijk, en de betere moeten zich kunnen onderscheiden van de minder goede. Handelsbanken laat zien dat je deze twee principes ook binnen de onderneming kunt toepassen. Als de onderneming als geheel aan de gestelde normen voldoet, zullen alle personeelsleden – van directeur tot assistent – daarvan profiteren want iedereen krijgt dezelfde ‘bonus’, in de vorm van aandelen in het overkoepelende concern, die in een aparte stichting worden ondergebracht en bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd uitgekeerd. De normen hebben betrekking op de drie prestatie-indicatoren die door Handelsbanken worden gehanteerd: de door een extern bureau gemeten klanttevredenheid, het financieel resultaat en het percentage veilige leningen.

Deze indicatoren worden ook gebruikt in de jaarlijkse wedstrijd om te bepalen welke individuele bankkantoren het beste presteren. De winnaars krijgen alleen de eer en geen geldbedrag, vergelijkbaar met de Olympische Spelen. Integendeel, het winnende kantoor krijgt het daarop volgende jaar een kunstmatige achterstand, zodat het nog meer zijn best moet doen om de eerste plaats te kunnen prolongeren.

Een vergelijkbare vuistregel is dat bankkantoren die ondermaats presteren, eerst worden gecoacht door het hoofd- of regiokantoor. Levert ook dat te weinig verbetering op, dan pas wordt het betreffende kantoor gesloten.

Banken en thuiszorgorganisaties krijgen de laatste jaren veel kritiek, ook op de manier waarop ze met hun personeel omspringen. Handelsbanken en Buurtzorg NL laten zien dat het heel anders kan. Ik zal u niet vermoeien met financiële cijfers, om aan te tonen dat hun aanpak betere resultaten oplevert. U kunt beter zelf op onderzoek uitgaan. Bijvoorbeeld door te praten met mensen die hun loopbaan bij Handelsbanken of Buurtzorg NL hebben voortgezet, dus een vergelijking met hun vorige werkgever kunnen maken. En mocht u, of iemand uit uw netwerk, binnenkort een hypotheeklening of thuiszorg nodig hebben, dan kunt u zelf nagaan of hun aanpak ook voor de klant goed uitpakt.

S. de Beter

een iets gewijzigde versie is gepubliceerd op https://www.ftm.nl/artikelen/zelfs-de-albert-cuyp-is-geen-vrije-markt

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten