Werkt het prijsmechanisme eigenlijk wel? (2)

In de eerste aflevering van dit essay besprak ik drie soorten producten waarvoor geldt dat er minder exemplaren worden gekocht zodra de prijs daalt: Giffen- en Veblen-producten, alsmede ‘speculatiegoederen’ zoals aandelen, obligaties, vastgoed e.d. Dit druist in tegen de Wet van de Vraag, die aan de basis ligt van de economische theorie van het consumentengedrag. Volgens Ronald Coase is deze wetmatigheid zelfs het enige robuuste onderdeel van die theorie. Betekent dit dat de drie genoemde categorieën een uitzondering op de regel vormen, dus dat in alle andere gevallen de vraag wèl stijgt als prijs daalt – en de vraag daalt als de prijs stijgt?

Cultureel bepaald

Om te beginnen wil ik erop wijzen dat de cultuur bepaalt welke producten als Giffen-, Veblen- of speculatiegoederen kunnen worden beschouwd, Zo zijn tulpenbollen tegenwoordig een doorsnee product dat ogenschijnlijk geheel beantwoordt aan de Wet van de Vraag. Het is moeilijk voor te stellen dat ze in 1634 een product waren waarmee heftig werd gespeculeerd.

Voor Veblen-goederen geldt eigenlijk per definitie dat ze cultureel bepaald zijn. Het gaat immers om statusproducten, en status bestaat alleen in de ogen van anderen. Dat is ook de reden dat zelfs spijkerbroeken met veel scheuren en gaten een hoge status kunnen krijgen, en dat ze dus meer kopers vinden als ze duurder worden, vooral als ze zijn voorzien van een label met een exclusief merk.

Ook Giffen-goederen kennen een sterke culturele component. In de tijd van Robert Giffen – het midden van de 19e eeuw – waren brood en vooral aardappelen ‘inferieure goederen’, waarvoor geldt dat een prijsdaling (-stijging) leidt tot minder (meer) consumptie. Het lijkt erop dat tegenwoordig het meeste gangbare voedsel een Giffen-goed is geworden voor steeds meer consumenten. Als de prijs van deze levensmiddelen daalt – en die dalende trend speelt al vanaf 2010 – is er meer geld beschikbaar voor de duurdere biologische producten. Als Bio bovendien in sommige kringen als hip en dus statusverhogend worden gezien, dan lijkt de conclusie te zijn dat de opmars van biologisch voedsel grotendeels verklaard kunnen worden door de gecombineerde inzichten van Robert Giffen en Thorstein Veblen.

Gratis consumptie

De Wet van de Vraag veronderstelt dat de consument zijn eigen consumpties betaalt. Dat is heel vaak niet het geval. Denk aan jongeren die spullen kopen die door hun ouders worden betaald. “Meer dan de helft van de ouders betaalt de volledige kosten van kleding, schoenen, en de smartphone van hun kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Dit aantal is gegroeid in vergelijking met drie jaar geleden. Toen betaalde 54 procent van de ouders de kosten van de mobiele telefoon volledig, nu is dat 61 procent.” Dit zijn enkele conclusies van een recent onderzoek van het Nibud.

En wat te denken van voorzieningen zoals onderwijs en cultuur die grotendeels door de belastingbetaler wordt betaald, terwijl de baten geheel of grotendeels terecht komen bij de betreffende onderwijs- en kunstconsumenten, dus bij studenten/scholieren en museumbezoekers.

Of denk aan collectieve goederen zoals politiebescherming of rechtspraak: iedereen heeft er recht op maar niemand hoeft er rechtstreeks voor te betalen. En als er geen prijzen zijn, kan ook de Wet van de Vraag niet van toepassing zijn. Iets vergelijkbaars geldt voor de OV-jaarkaart voor studenten. Zodra deze is betaald – studenten krijgen ‘m noodgedwongen ‘gratis’ – is er geen enkele rem op het aantal OV-kilometers.

Vergeet niet de gezondheidszorg of andere voorzieningen die grotendeels worden gefinancierd uit verzekeringspremies waarvan de hoogte niet is gerelateerd aan het feitelijk gebruik van die voorzieningen. De verzekerde betaalt een vast bedrag per maand/jaar en dat geeft hem in principe het recht om gebruik te maken van de betreffende voorzieningen. Natuurlijk moet er een legitieme reden zijn voor die voorzieningen gebruik te mogen maken. En het is niet de consument – de patiënt als het om medische voorzieningen gaat – maar een deskundige – de medicus – die beslist over de aard en de omvang van deze ‘consumptie’. Maar als de criteria niet erg duidelijk zijn en de deskundigen evenmin worden geconfronteerd met de financiële gevolgen van hùn beslissingen, dan is er al heel gauw sprake van een open-eind financiering, waarbij de Wet van de Vraag niet van toepassing is.

Iets vergelijkbaars speelt bijvoorbeeld in het onderwijs. De docent bepaalt welke boeken of andere leermiddelen de student moet aanschaffen maar hij merkt het niet in zijn eigen portemonnee als hij dure leerboeken verkiest boven goedkope. Zelfs economie-docenten die zo lyrisch zijn over de zegeningen van het marktmechanisme maken zich schuldig aan deze kapitalistische variant van ‘socialistische planning’, waarin het Planbureau beslissingen neemt zonder geconfronteerd te worden met de financiële gevolgen van zijn beslissingen.

Er zijn dus tal van situaties waarin de consument niet de prijs hoeft te betalen die aan de consumptie verbonden is. In al die omstandigheden voelt de consument de gevolgen van zijn beslissing niet in zijn eigen portemonnee, zodat er geen noodzaak is om minder te kopen als het product duurder wordt. Integendeel, het is zelfs aannemelijker dat de consument juist méér gaat verbruiken omdat zijn privilege – niet betalen voor een product dat hij consumeert – bij een hogere prijs meer waard is geworden.

Proef op de som

Heeft u de indruk dat het hier slechts gaat om uitzonderlijke omstandigheden, dan raad ik u aan een inventarisatie te maken van uw consumptiepatroon, en daarbij onderscheid te maken tussen de volgende categorieën producten, waartoe ik zowel goederen als diensten reken.

  1. Ik betaal zelf voor elk exemplaar van het product
  2. Ik betaal een vast bedrag per maand, jaar of ander tijdvak, en het maakt in principe niet uit hoeveel ik consumeer
  3. Iemand anders betaalt voor (een deel van) mijn consumpties
  4. Niemand hoeft te betalen, behalve dan mogelijk via de belastingen, en ik kan onbeperkt gebruik maken van het aanbod, bijv. gebruik van wegen, straten en pleinen en parken en genieten van schone lucht, natuur, mooie vergezichten of van rokjesdag.

Mijn voorspelling is dat er sprake is van een omgekeerde U-curve: bent u nog heel jong of juist behoorlijk oud, dan zal het aandeel van de eerste categorie klein tot zeer klein zijn. Bent u nog een baby of zwaar dement, dan is dit aandeel zelfs nihil. Maar dan bent u ook niet in staat zelf deze opdracht uit te voeren.

Als u financieel op eigen benen staat, dan zal de eerste categorie een groter aandeel vormen, maar toch wellicht geringer dan u van tevoren dacht. Althans, wanneer u alle consumpties meetelt want we hebben de neiging om alleen iets tot consumptie te rekenen als we er zelf voor betalen.

Zit u in het onderwijs, dan raad ik u aan om deze opdracht door uw scholieren/studenten te laten uitvoeren. Dat vinden ze ongetwijfeld een stuk interessanter dan dat gedoe met die indifferentiecurven, dat eerder bij wiskunde thuishoort dan bij economie.

S. de Beter

WORDT VERVOLGD

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten