Gamma-onderzoekers blazen meestal te hoog van de toren

“Maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven en burgers zullen coalities moeten vormen met wetenschappers om samen de noodzakelijke kennis te creëren voor een robuuster Nederland. Wij stellen daarom voor om een aantal multidisciplinaire, publiek-private topconsortia in te richten, voor de bestudering én de aanpak van urgente vraagstukken in de samenleving.” Aldus het persbericht bij de aankondiging van de brochure TOPCONSORTIA VOOR SAMENLEVINGSVRAAGSTUKKEN die op 4 juli jl. verschijnt. Zoals in Nederland gebruikelijk is, hebben vrijwel alle kennispartijen – verenigd in NWO en KNAW – aan de totstandkoming van deze brochure meegewerkt, en natuurlijk zijn zij van mening dat voor de uitvoering van hun voorstellen “omvangrijke investeringen van tijd en geld noodzakelijk zijn.”. Kortom, net als de Topconsortia voor de Topsectoren willen zij ook mee-eten uit de overheidsruif.
Daar hebben ze een goede reden voor. “Op alle niveaus staat de wereld
, Nederland inbegrepen, voor grote uitdagingen (…..) en in elk van de uitdagingen spelen menselijke factoren uiteindelijk doorslaggevende rollen.” Een ander argument dat het ook altijd goed doet, is de verwijzing naar wat er in het buitenland op dit gebied gebeurt, want internationaal achterblijven is natuurlijk het ergste wat je kan overkomen. Maar de brochure komt niet veel verder dan een verwijzing naar de Europese Commissie met haar “focus op thema’s als vergrijzing, krimp van de beroepsbevolking, groeiende immigratiedruk, gevoelens van onveiligheid, dalend vertrouwen in instituties en technologie, en overbelasting door mobiliteit.”

Maar gelukkig lezen we verderop: “Nederlandse menswetenschappers staan internationaal in hoog aanzien. Ze spelen voortrekkersrollen in internationale samenwerkingsverbanden. Ze liepen voorop bij het afbreken van barrières tussen disciplines en bij het ontwikkelen van meer interdisciplinaire concepten, theorieën en onderzoeks- en evaluatiemethoden.”. Er wordt echter niet vermeld welke Nederlanders deel uitmaken van die internationale voorhoede, dus we kunnen deze claims niet verifiëren.

Het is tekenend voor de rest van de korte brochure: veel borstklopperij en dikdoenerij zonder met namen en feiten te komen. Zonder blikken of blozen wordt beweerd: “Zo wordt dankzij onderzoek belangrijke tijdwinst geboekt en het maatschappelijk draagvlak voor asielbeleid verbreed. (….) Met menswetenschappelijk onderzoek kan betrouwbaarder dan voorheen worden voorspeld hoe beleidsmaatregelen het gedrag van burgers zullen veranderen”.

De enige concrete verwijzing betreft de ‘gedragstoets’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rii) “die beleidsmakers rekening laat houden met de kennis, vaardigheden, motieven, persoonlijke omstandigheden en keuzeprocessen van burgers”. U mag zelf beoordelen of deze gedragstoets toegevoegde waarde heeft, of het zoveelste speeltje voor de beleidscircuit is.

Hoe komt het toch dat veel toonaangevende gamma-wetenschappers zo zitten op te scheppen over wat hun vakgebied de mensheid te bieden heeft, en in de media voortdurend de expert uithangen?

Verschillen tussen bèta- en gammawetenschappers

Ik heb in mijn loopbaan heel wat gesprekken gevoerd met en lezingen gevolgd van onderzoekers uit zeer uiteenlopende disciplines. Als ze over hun vakgebied praten, vind ik bèta-wetenschappers meestal een stuk boeiender dan gamma-wetenschappers, en bovendien veel bescheidener. Zij maken de indruk zich onderdeel te voelen van een gemeenschap van onderzoekers die stapje voor stapje bezig zijn de raadselen van de natuur te ontrafelen. Gamma-wetenschappers daarentegen blazen vaak hoog van de toren, en proberen eerder te imponeren dan te inspireren. Economen en bedrijfskundigen spannen de kroon: slechts weinigen kan ik betrappen op een diepe belangstelling voor hun vakgebied. Uit mijn eigen beroepservaring: met PhD-studenten kun je nog wel boeiende discussies voeren, maar de meeste docenten en hoogleraren zijn vooral druk bezig met publiceren, klagen over de studenten van tegenwoordig, of met het beklimmen van de academische apenrots.

Ik heb sterk de indruk dat bèta-onderzoekers vooral worden gedreven door een interne motivatie terwijl bij veel gamma-wetenschappers externe motieven de belangrijkste drijfveer lijken te zijn. Verschillen bij de instroom kan een van de oorzaken zijn: een bèta-studie is alleen weggelegd voor nerds, harde werkers en doorbijters; voor scholieren die liever een wiskundig probleem oplossen dan chillen met leeftijdsgenoten. Voor een studie bedrijfskunde lijk je vooral over een sociale intelligentie te moeten beschikken, om snel te kunnen inschatten welke theorieën en argumenten goed vallen bij de docenten, en later bij het topmanagement. Bij economie moet je excelleren in de technieken die daar hoogtij vieren: wiskundige modellen en regressie-analyses. Belangstelling voor brandende economische problemen en inzicht in economische mechanismen zijn een stuk minder belangrijk.

De academische carrière is een fuik

Ho ho, zult u tegenwerpen, zelfs als deze kwalificaties een kern van waarheid bevatten, ze zeggen vooral iets over de gemiddelde student, en niets over de zeer kleine groep studenten die daarna voor een wetenschappelijke carrière kiezen.

Bij die laatste groep is sprake van wat ik noem het ‘gouden kooi mechanisme’: het is relatief gemakkelijk om binnen te vliegen en daarna kom je er niet meer uit. De enorme groei van het aantal studenten vanaf de jaren ‘60 had vooral betrekking op de gamma-disciplines. Eerst bij vakken als sociologie en politicologie, daarna vooral bij bedrijfskunde en psychologie. Om die sterke toestroom te kunnen bedienen waren er dus veel extra docenten nodig. Via een student-assistentschap rolde je al snel naar de positie van universitair (hoofd)docent en vervolgens hoogleraar.

In de bètawetenschappen moet je wel wat meer presteren om een academische carrière te maken, want minder vacatures vanwege lage studenteninstroom. Bovendien is er een iets ander selectieproces. Bij de bèta’s is het heel gebruikelijk om je carrière bij de universiteit te beginnen, daarna over te stappen naar een R&D-afdeling in het bedrijfsleven en vervolgens daar af te sluiten met allerlei advies- en managementfuncties. Alleen de onderzoekers wier hart bij de wetenschap of het onderwijs ligt, gaan weer terug naar universiteit of hogeschool.

Bij de gamma-wetenschappen daarentegen geldt: als je naar het bedrijfsleven wilt moet je niet te lang bij de universiteit blijven hangen, want op wat oudere leeftijd hebben ze geen interesse. Bovendien, als je eenmaal een vaste aanstelling op zak hebt, zijn de arbeidsvoorwaarden bij de Nederlandse universiteiten behoorlijk aantrekkelijk; dus waarom zou je verkassen? Verder wordt je door de media vaak gevraagd om de ruimte tussen de reclameblokken te vullen, zodat je ego ook niet tekort komt.

Alles draait om toppublicaties

Heel dat groeiende leger van academische gamma’s wil natuurlijk onderzoek doen want dat mogen hun bèta-collega’s ook; de ‘heilige’ koppeling tussen onderwijs en onderzoek. Op die manier worden ze van hun ‘zware’ onderwijslast worden bevrijd en mogen ze naar buitenlandse conferenties op mooie plekjes. Maar dan moeten ze wel veel ‘toppublicaties’ produceren want daar worden ze uiteindelijk op afgerekend. Vooral economische subdisciplines zijn daarbij in het voordeel: met een kleine variant op bestaande wiskundige modellen plus een regressie-analyse met behulp van beschikbare databases heb je al snel een artikeltje klaar; geen wonder dat wereldwijd iedere 25 minuten een nieuw economisch artikel wordt gepubliceerd, en dat gaat dag en nacht door.

Kortom, dat er zoveel economisch en ander sociaalwetenschappelijk onderzoek wordt gedaan – lees: gepubliceerd, en alleen bedoeld voor vakgenoten – is in hoofdzaak het resultaat van een aantal automatische koppelingen, die veel te weinig ter discussie worden gesteld. In ieder geval heeft het weinig te maken met de bijdrage die deze wetenschappen zouden leveren aan het oplossen van brandende economische en maatschappelijke problemen. Het omgekeerde ligt meer voor de hand: zo is het vrij aannemelijk dat bepaalde ontwikkelingen in de economische wetenschap een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de financiele crisis.

Niet het eeuwige leven

De enorme opeenstapeling van wetenschappelijke publicaties is misschien niet eens zo’n groot probleem zijn als alle wetenschappen een cumulatief proces zouden doormaken, waarbij we geleidelijk steeds meer te weten komen over bepaalde verschijnselen. Bij de bètawetenschappen is deze stelling nog wel te verdedigen, en kan er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen oude kennis – wat onze voorgangers hebben ontdekt – en nieuwe kennis – volgens de laatste stand van het onderzoek.

Juist omdat chemische en natuurkundige wetmatigheden in principe onafhankelijk zijn van plaats en tijd – de appel van Newton valt over honderd jaar nog steeds naar beneden volgens de wet van de zwaartekracht – kunnen we daarover steeds meer kennis vergaren. Bij de gamma-disciplines heeft het onderscheid tussen oude en nieuwe kennis een geheel andere betekenis: nieuwe theorieën worden ontwikkeld omdat het studie-object – de sociale en economische werkelijkheid – veranderingen heeft ondergaan. Onderzoekers lopen als het ware voortdurend achter de feiten aan. Dat theorie A niet langer verschijnsel X kan verklaren, zegt dus meer over het laatste dan over het eerste. Anders gezegd: als theorie B een betere verklaring geeft, komt dat vooral doordat verschijnsel X is veranderd, dus van Xa naar Xb.

Nemen we als voorbeeld de theorie van Keynes dat de hoogte van het BNP op korte termijn wordt bepaald door de effectieve vraag, dus door het niveau van de bestedingen. Deze theorie bleek vanaf het begin van de jaren ‘70 steeds minder adequaat om sommige macro-economische verschijnselen te verklaren en de effectiviteit van bepaalde beleidsmaatregelen te voorspellen. Deze discrepantie tussen theorie en praktijk kan worden toegeschreven aan de theorie als zodanig maar ook aan het feit dat de economie zich sindsdien behoorlijk anders heeft ontwikkeld dan in de periode daarvoor.

In het eerste geval wordt de theorie van Keynes neergezet als ‘achterhaalde kennis’ die plaats moet maken voor nieuwe theorieën, zoals supply-side economics en monetarisme die daarna populair worden. In het tweede geval is het heel goed mogelijk dat de theorie van Keynes weer actueel wordt, wanneer een nieuwe fase in de economische ontwikkeling aanbreekt. Zo zou invoering van kapitaalcontroles en een nieuwe variant van het Bretton Woods systeem de theorie van Keynes weer een stuk relevanter kunnen maken.

Het uitbannen van onwaarheid

Volgens John Lukacs is de opdracht van een historicus “het streven naar waarheid door het uitbannen van onwaarheid”. Dat zou naar mijn mening ook het hoogste ideaal van iedere gamma-wetenschapper moeten zijn. Omdat het – zeker in de sociale wetenschappen – nogal lastig is om vast te stellen wat ‘de waarheid’ is, en hoe we die kunnen kennen, is het vruchtbaarder dat sociale wetenschappers proberen te achterhalen wat – onder bepaalde omstandigheden – niet waar is. Deze opdracht sluit ook beter aan bij een zeer specifiek kenmerk van het gamma-domein. Het zijn namelijk niet alleen sociale wetenschappers die allerlei ‘theorieën’ hebben over hoe mens en maatschappij in elkaar steken, of zouden moeten steken: de rest van de samenleving heeft ook zijn eigen theorietjes, en dat in toenemende mate. Anders dan bij de natuurwetenschappen vallen studiesubject en -object dus samen, en dan bij vrijwel iedereen. Gamma-wetenschappers – en daar horen economen ook bij – moeten niet denken dat ze het beter weten dan de rest van de mensheid, en dus meer recht van spreken hebben. Al te vaak zijn zij immers de beste stuurlui die aan de wal staan. Zij kunnen beter wat bescheidener zijn en zich beperken tot hun hoofdtaak: laten zien dat sommige gangbare verklaringen op denkfouten berusten, inmiddels achterhaald zijn, of uitsluitend onder zeer specifieke omstandigheden optreden. En aantonen dat bepaalde mensen, groepen en organisaties duidelijk belang hebben bij bepaalde verklaringen en theorieën, omdat zij hun positie en handelen daarmee kunnen legitimeren.

Dit betekent overigens niet dat gamma-wetenschappers als een soort academische onderzoeksjournalisten moeten gaan optreden, en voortaan geen nieuwe theoretische concepten hoeven te ontwikkelen. Integendeel, de grote èn bescheiden econoom Ronald Coase heeft bijvoorbeeld de concepten ‘transactiekosten’ en ‘eigendomsrechten’ geïntroduceerd om aan te tonen dat sommige toen dominante theorieën geen goede verklaring boden voor bepaalde fenomenen.

Kan het anders?

Zeker als er allerlei belangen in het spel zijn, is het lastig om iets te veranderen dat al decennia of zelfs eeuwen is ingesleten. Het is misschien al te moeilijk om blauwdrukken voor een veel omvattend alternatief te schetsen, al zijn er vruchtbare aanzetten gedaan door o.a. Henk Wesseling en Herman van den Bosch . We moeten in ieder geval af van de eenheidsworst die momenteel domineert, en veel meer mikken op diversiteit, gezonde wedijver, en meer mogelijkheden voor trial and error op kleine schaal. Ik volsta hier met het ter discussie stellen van een aantal zaken die ten onrechte als vanzelfsprekend worden beschouwd.

De eerste is de koppeling tussen onderzoek en onderwijs. Ik ken geen bewijs dat deze combinatie – in de huidige vorm – voor betere docenten of voor betere onderzoekers zorgt. Ik wens iedereen in het onderwijs op gezette tijden de gelegenheid om te reflecteren op zijn vakgebied en zijn kennis bij te spijkeren, maar waarom zou zo’n sabbatical alleen moeten gelden voor de universiteiten, en dan nog vrijwel uitsluitend voor hoogleraren en ‘toponderzoekers’ met veel publicaties? Als je wilt dat onderzoek doen een positieve invloed heeft op het onderwijs, richt dan een apart fonds op waar docenten – en niet alleen universitaire – een aanvraag kunnen doen voor onderzoeksactiviteiten die specifiek daarop gericht zijn.

Een tweede misverstand is dat alle wetenschappen over één kam geschoren kunnen en moeten worden, en dus een gelijke behandeling verdienen. Beta-onderzoek vereist meestal dure apparatuur en gespecialiseerde laboratoria, dus zijn er schaalvoordelen verbonden aan concentratie van onderzoekscapaciteit en aan samenwerking Maar bij de alfa- en gamma-studies levert concentratie eerder schaalnadelen op, zodat het beter is om het onderwijs juist kleinschaliger op te zetten; de university college bewijst dat het kan, en veel voordelen biedt voor zowel docent als student.

Inzetten op kleinschaligheid maakt het tevens mogelijk dat er meer ruimte komt voor diversiteit, niet binnen maar tussen organisaties. Onderwijs en onderzoek gedijen beter als er een gezonde wedijver bestaat tussen verschillende benaderingen. Meer samenwerking leidt er juist toe dat er een soort grootste gemene deler gaat ontstaan. Om het concreet te maken: het is geen goede zaak dat op alle economische faculteiten de Neoklassieke benadering domineert, en dat wordt alleen maar erger als ze gaan samenwerken. Ruimte voor andere benaderingen zou veel beter zijn maar dat zet alleen zoden aan de dijk als vertegenwoordigers van een bepaalde stroming de gelegenheid krijgen een eigen studierichting of zelfs faculteit te formeren. Dan pas hebben studenten de keuzevrijheid die door economen met de mond wordt beleden maar in de praktijk vaak wordt bestreden. En pas dan kunnen werkgevers een duidelijke voorkeur uitspreken over welke scholing zij belangrijk vinden voor hun toekomstige werknemers.

Meer diversiteit

In de huidige samenleving ontstaat diversiteit gelukkig vaak vanzelf, althans in de cultuur en in het bedrijfsleven wanneer nieuwe technologieën zich ontwikkelen. Maar dat geldt zeker niet voor alle onderdelen van het economisch en maatschappelijk leven. Integendeel, gevestigde belangen hebben er baat bij om concurrerende benaderingen in de kiem te smoren. Diversiteit moet dus vaak van bovenaf of van onderop worden georganiseerd, door overheersende vormen van uniformiteit tegen te gaan. Waarom hebben we bijvoorbeeld maar één CPB, CSP en PBL? Is het niet beter om op elk van deze drie terreinen enkele Decentrale Planbureaus op te richten, die elk hun eigen methodiek of theoretische benadering hanteren, zodat ‘de praktijk’ kan uitwijzen welke methodiek of benadering betere resultaten boekt?

En waarom hebben we eigenlijk maar één NWO? Er is volgens mij geen enkele reden te bedenken waarom deze optie beter is dan twee verschillende fondsen die elk hun eigen criteria hanteren. En die ook hun eigen reviewers inhuren, waarbij we tegenwoordig kunnen putten uit een groot internationaal reservoir.

We zouden zelfs nog een stap verder kunnen gaan door te experimenteren met de mogelijkheden om maatschappelijke groeperingen een eigen onderzoeksbudget te geven, zodat ze zelf hun onderzoeksbehoefte kunnen definiëren. Dat is in ieder beter dan ze afhankelijk te maken van bureaucratische topconsortia waar betweterige gamma-wetenschappers wel even vertellen hoe maatschappelijke problemen aangepakt moeten worden. En die ervoor zorgen dat die aanpak resulteert in onderzoek dat uitmondt in een aantal toppublicaties, die alleen door hun vakgenoten worden gelezen – lees geciteerd.

Terecht is er veel kritiek op het Neoliberalisme – een containerterm voor nogal uiteenlopende opvattingen – dat concurrentie werd ingevoerd op markten die daarvoor niet zo geschikt zijn, zodat er maatschappelijke verspilling is ontstaan. Maar dat moet ons er niet van weerhouden om open te staan voor bepaalde vormen van wedijver die op sommige terreinen, zoals sociaalwetenschappelijk onderwijs en onderzoek, wèl heel vruchtbaar kunnen zijn, mits er voldoende diversiteit wordt gecreëerd en de mensen om wie het gaat echt iets te kiezen hebben.

S. de Beter

Deze column is in iets gewijzigde vorm ook gepubliceerd op https://www.ftm.nl/artikelen/gamma-onderzoekers-vooral-goed-in-borstklopperij

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten