Overdaad schaadt, ook bij literatuurverwijzingen

Lees een willekeurig artikel in een willekeurig sociaalwetenschappelijk tijdschrift, en je struikelt over de literatuurverwijzingen. Bijna achter iedere zin staat een verwijzing naar een boek of een tijdschriftartikel. Natuurlijk overdrijf ik nu, maar niet zo heel veel. Het tweede dat opvalt: er wordt wel verwezen naar de auteur(s) en het jaar van verschijnen, maar zelden of nooit naar de pagina(‘s) waar je de bron van bepaalde gegevens, een citaat of een redenering kunt vinden.

Dit algemene patroon lijkt een recent verschijnsel, en verschilt nogal per discipline. In historische en juridische tijdschriften bij voorbeeld wordt nog steeds keurig de pagina(‘s) vermeld waar een en ander te vinden is, terwijl bij gammastudies zoals bedrijfskunde, economie of psychologie dit een zeldzaamheid is geworden. Ook het taalgebied is van belang. In de meeste Duitstalige publicaties vind je redelijk weinig literatuurverwijzingen maar dan wel met paginering. In Nederland is de trend om kwistig met referenties te strooien.

Studenten hebben heel goed door wat als gangbaar geldt. En dus zie je bij gammastudies ook in werkstukken en scripties een overvloedig gebruik van referenties. Vrijwel altijd is het grotendeels een vorm van ‘window-dressing’ want meestal blijkt bij navraag dat de studenten die referenties niet of nauwelijks hebben gelezen maar uit een of andere publicatie hebben overgenomen. Zouden ze ook op dat vlak hun docenten kopiëren?

Op safe spelen

Mijn indruk is dat de studenten op safe willen spelen en dus geen risico’s willen nemen. Ze zijn bang van hun docent te horen dat auteur A, B of C ontbreekt. Zoals de afgestudeerde onderzoeker bang is dat zijn artikel wordt afgewezen omdat de reviewer zijn favoriete vakgenoten niet bij de referenties ziet staan, en vervolgens een andere reden vindt om het artikel af te wijzen of laag te waarderen. Omdat de student of onderzoeker niet weet wat zijn begeleider of reviewer belangrijk vindt, is de beste tactiek om zoveel mogelijk auteurs te noemen, en dan liefst zonder een duidelijke voorkeur uit te spreken. Bovendien kan de student nooit van plagiaat worden beschuldigd. Mijn inschatting: de gemiddelde student/onderzoeker is bang geworden, en daarom groeit het aantal obligate literatuurverwijzingen.

Kan het ook anders? Dan moeten we opnieuw kijken naar de functie van de literatuurverwijzing: waarom en wanneer is het zinvol om naar andere auteurs te verwijzen. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de ‘feiten’ die anderen hebben aangedragen, en de theoretische gezichtspunten die je gebruikt om de ‘feiten’ te ordenen, analyseren, interpreteren en eventueel te verklaren.

De vergelijking met het bouwen van een huis kan helpen. Wat je daarvoor nodig hebt zijn bouwmaterialen, zoals hout, stenen, cement et cetera, maar ook gereedschap, apparaten en machines om die bouwmaterialen als het ware te transformeren in het uiteindelijke huis. Een wetenschappelijk empirisch onderzoek vereist bouwmaterialen in de vorm van cijfers, citaten en andere data. Als je deze data niet zelf hebt geproduceerd, bijv. door enquêtes of interviews – we spreken dan van primaire data – is het gebruikelijk te verwijzen naar de bron van je secundaire data. Je voldoet op die manier aan de belangrijkste spelregel van wetenschappelijk onderzoek: een andere onderzoeker moet in staat zijn om het betreffende onderzoek te controleren of opnieuw te doen (replicatie-onderzoek). En dat vereist dat de vindplaats exact omschreven is, zoals ook de opdrachtgever van een bouwproject precies wil weten waar de bouwmaterialen vandaan komen als hij twijfels heeft over de kwaliteit van het gebruikte materiaal. Om het scherp te stellen: als het gaat om gegevens van anderen die je in je onderzoek gebruikt, dan heeft een literatuurverwijzing zonder de betreffende pagina’s weinig zin. Je zou het zelfs als een vorm van minachting richting de lezer kunnen beschouwen: “zoek het zelf maar uit waar ik de gegevens vandaan heb, ik ga je daar echt niet bij helpen”.

Naast bouwmaterialen heb je ook gereedschap e.d. nodig om een huis te bouwen. In de wetenschap zijn dat de theorieën, redeneringen, methoden en andere middelen die de onderzoeker gebruikt om een betoog op te bouwen en conclusies te trekken. Het is een mooie traditie dat de onderzoeker verwijst naar zijn voorgangers die hij schatplichtig is. Een literatuurverwijzing brengt tot uiting dat hij zich door bepaalde studies heeft laten leiden of inspireren. Helaas worden literatuurreferenties door veel academische gamma-onderzoekers – en dus ook door hun studenten – op een andere manier gebruikt: het is vaak een excuus voor het ontbreken van een coherent en consistent betoog. Door uitbundig met literatuurverwijzingen te strooien wordt verhuld dat men geen duidelijke keuze heeft gemaakt in de meest relevante theorieën en concepten. De theoretische verhandeling lijkt een grote pan soep waar allerlei ingrediënten zijn ingegooid, en waar op een onverklaarbare wijze bepaalde stellingen of hypothesen worden opgevist. Anders  gezegd: het huidige gebruik van literatuurverwijzingen lijkt vooral het legitimeren van onvermogen: ” het lijkt misschien een rare redenering maar zij is ontleend aan gerenommeerde wetenschappers, dus dat zit wel goed”. Zoals de aannemer die pocht dat hij over de beste apparatuur beschikt en ‘dus’ goed werk levert’.

Kwantitatieve normen zijn geen oplossing

Bij sommige opleidingen probeert men het gedrag van studenten op dit punt te reguleren door een bepaald aantal referenties als norm te hanteren. Dat is natuurlijk wel gemakkelijk voor de docent die de scriptie of het werkstuk moet beoordelen – een kwestie van afvinken – maar het lijkt mij een hele slechte oplossing. Ten eerste stimuleer je op die manier dat studenten zich opportunistisch gaan gedragen. Ze zorgen er natuurlijk wel voor dat ze aan die kwantitatieve norm voldoen, en vragen zich niet af of hun literatuurverwijzingen relevant en adequaat zijn. Ten tweede gaat deze oplossing voorbij aan mijn onderscheid tussen de bouwmaterialen en het gereedschap om die bouwmaterialen te gebruiken. Anders gezegd: als de student in kwestie voor zijn secundaire data veel verschillende bronnen gebruikt – wat mij een goede zaak lijkt, dan zal hij ook veel referenties moeten geven – met paginering! Bij het gereedschap daarentegen moeten we de woorden van Goethe als richtlijn nemen: in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Bij de mondelinge verdediging van de masterthesis – Meisterarbeit – moet de student kunnen aangeven waarom hij bepaalde referenties heeft opgevoerd, dus op welke manier de betreffende publicatie hem heeft geholpen om zijn betoog op te bouwen. Is hij daartoe niet in staat, en valt hij dus door de mand, dan levert dat in de beoordeling een minnetje op. Op die manier wordt hij gedwongen om zich te beperken tot verwijzingen naar boeken en tijdschriftartikelen die hij ook daadwerkelijk heeft gelezen, en begrepen.

De WRR geeft het slechte voorbeeld

Het kwistig strooien met literatuurreferenties vinden we niet alleen bij academische wetenschappers en hun studenten. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) kan er wat van. De literatuurlijst in hun rapport “Naar een lerende economie” (2014) telt maar liefst 36 pagina’s. En er zijn niet minder dan 800 personen geïnterviewd, afkomstig uit alle werelddelen – behalve Afrika! Onduidelijk blijft welke nieuwe gezichtspunten deze mega-input aan schriftelijke en mondelinge bronnen heeft opgeleverd. Juist als er bepaalde data worden genoemd, en je dus zou willen weten waar die data te vinden zijn, blijft een referentie meestal achterwege. Het is verbazingwekkend dat dit WRR-document vaak wordt aangeduid als een onderzoeksrapport; zegt dit iets over de WRR of over de huidige stand van de sociale wetenschap?

A. Buis

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Deze vraag is bedoeld om spambots tegen te gaan. Spambots zijn stukjes software die op sites automatisch formulieren invullen om zo de website te kunnen bestoken met ongewenste berichten. Spambots kunnen niet interpreteren wat het antwoord moet zijn.

Wilt u mij een persoonlijk bericht sturen? Mail naar s.debeter@gmail.com

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe blogposts.

Laatste berichten